Het hachelijke leven van de staat

`Ik haat de staat. De staat is het slechtste wat de mens ooit is overkomen. In de hele wereldgeschiedenis is er geen organisatie geweest die zulke vernietigende oorlogen heeft gevoerd, die zoveel slachtoffers heeft gemaakt als de staat. Ik dank God op mijn blote knieën dat ze verdwijnt.' Met deze verbale explosie begon de Israelische militair historicus Martin van Creveld een gesprek met Caroline de Gruyter dat op 9 september 1995 in NRC Handelsblad werd gepubliceerd.

Verderop in het interview kondigde hij aan niet meer over militaire geschiedenis te zullen schrijven, maar een boek onder handen te hebben dat The Rise and Fall of the State zou gaan heten. Dat boek is vorig jaar dan verschenen met een iets gewijzigde titel: Fall is Decline geworden, want de staat moge in verval zijn, inmiddels is ook Van Creveld tot de conclusie gekomen dat hij nog niet definitief is gevallen.

Zoals uit het voorwoord blijkt, heeft de auteur meer met zijn onderwerp geworsteld dan hij had voorzien. Onbegrijpelijk is dat niet. De geschiedenis van de staat is een zo omvattend onderwerp, waarover zoveel is geschreven, dat het een haast bovenmenselijke inspanning vergt om een dergelijke onderneming tot een goed einde te brengen. Een grote mate van abstrahering is daarbij onvermijdelijk, want wie over `de staat' schrijft, gaat ervan uit dat de verschillen tussen de staten uiteindelijk ondergeschikt zijn aan de kenmerken van het verschijnsel als zodanig. Van Creveld noemt de staat mede daarom een `abstracte entiteit' die niet kan worden gezien, gehoord of gevoeld, maar die blijkbaar wel kan worden beschreven.

Wisselwerking

Nu het boek er eenmaal is, kunnen we vaststellen dat de onderneming goeddeels is geslaagd. De auteur heeft zijn materiaal, dat al door heel wat historici op vele manieren is samengevat, op een vaak oorspronkelijke en duidelijke manier geordend. Zijn aanpak is ondanks de uitvoerigheid eerder essayistisch selectief, ook in de keuze van de literatuur waarop hij zich baseert, dan wetenschappelijk uitputtend. De ingewikkelde wisselwerking tussen de politieke praktijk en de ideeën laat hij goed tot haar recht komen zonder zich uit te laten over de algemene vraag of de ideeën de praktijk, dan wel de praktijk de ideeën bepaalt.

Eerst analyseert Van Creveld de opkomst van de staat die in West-Europa omstreeks het midden van de zeventiende eeuw triomfeert in de vorm van wat men veel later de absolute monarchie is gaan noemen. `Absoluut' in de letterlijke betekenis van het woord, dat wil zeggen losgemaakt van de kerkelijke, imperiale en feodale banden die het middeleeuwse koningschap hadden ingeperkt. Om dit te bereiken moesten de vorsten afrekenen met de universele machten van de Kerk en van de Keizer, met de adel binnen het eigen gebied en met de soms onafhankelijke macht der steden. Niet overal lukte dat even goed, maar over het algemeen vergaarden zij toch een tot dan toe ongeëvenaarde persoonlijke macht die ook tot uitdrukking werd gebracht in de beeldende kunsten en de architectuur. Van Creveld roept Thomas Hobbes uit tot uitvinder van deze staat omdat deze in zijn Leviathan voor het eerst de staat gedefinieerd zou hebben als een `kunstmatige persoon'.

Vervolgens neemt de auteur de staat als een instrument en een ideaal onder de loep. De vorsten probeerden hun persoonlijke macht veilig te stellen door het scheppen van een onpersoonlijke bureaucratie en een infrastructuur met een steeds geraffineerder belastingstelsel en een monopolie op het gebruik van geweld. Naarmate zij hierin beter slaagden, ondermijnden zij paradoxaal genoeg hun eigen macht: op den duur maakten zij zichzelf voor het voortbestaan van de staat overbodig.

Vergeleken met de middeleeuwse koningen was de macht der absolute monarchen ongeëvenaard, maar met wat nog ging komen was deze uiterst beperkt. De grote transformatie vond plaats ten tijde van de Franse revolutie. Het door Jean-Jacques Rousseau gelanceerde idee dat het volk een persoon was met een eigen wil, leidde er op den duur toe dat de actieve onderwerping aan de algemene wil als de grootste deugd werd gezien.

Het apolitieke patriottisme werd vervangen door een alles absorberend nationalisme. In naam hiervan versterkte de door een kleurloze bureaucratie bestierde staat zijn greep op het economische, het culturele en het sociale leven. De staat werd, in de beeldspraak van Van Creveld, `een reus gemanipuleerd door pygmeeën'. Omdat de staat zich ook meester maakte van de geestelijke waarden veranderde hij van een middel tot handhaving van de orde in een doel op zich en daarmee tot een monsterlijke god. Deze god is geboren in West-Europa, maar hij heeft zijn tentakels tenslotte uitgestrekt over de gehele wereld.

De monsterlijke god bleek bovendien een god van de oorlog te zijn. In een hoofdstuk dat sterk herinnert aan zijn werk als militair historicus beschrijft Van Creveld met een van afschuw vervuld animo de weg van de staat naar de totale oorlog. Zijn redeneertrant krijgt dan iets zo dwingends dat het wel lijkt alsof de gehele geschiedenis van de staten moest uitlopen op de dubbele kladderadatsch van de twintigste eeuw.

Verval

Maar nog voor de Eerste Wereldoorlog uitbrak, voor de staat het hele maatschappelijke leven in zijn greep had gekregen en voordat de staat zich over de wereld had verspreid, werden de eerste tekenen van het verval zichtbaar. Hier en daar moest de staat macht afstaan aan internationale organisaties en tekende zich soms ook intern een uitholling af. In de loop van de jaren zeventig van de vorige eeuw is deze ontwikkeling door het terugtreden van de staat uit het maatschappelijke leven en door de vorming van boven- en tussenstatelijke organisaties in een versnelling geraakt.

Als hoofdoorzaak hiervoor ziet Van Creveld het feit dat door de nucleaire bewapening een totale oorlog vrijwel onmogelijk is geworden. Zoals de absolute vorsten zichzelf overbodig hebben gemaakt door de schepping van een onpersoonlijke bureaucratie, zo hebben de staten van de twintigste eeuw zich overbodig gemaakt door de uitvinding van het ultieme wapen.

Hoewel Van Creveld de neergang van de staat als een gunstige ontwikkeling beschouwt, sluit hij zijn ogen niet voor nieuwe gevaren als lokale oorlogen en internationaal terrorisme. In zijn ogen wordt de wereldgeschiedenis immers uiteindelijk bepaald door krijgers, door mannen wier diepste wens het is te vechten, en trouwens ook achter de vrouwen aan te zitten.

Van Creveld heeft een doorwrochte, soms meeslepende en beklemmende, maar ook wat eenzijdige biografie van de staat geschreven. Van de haat die hij koesterde toen hij aan het karwei begon, heeft hij de scherpste kanten afgevijld. Toch bleven de lichtere kanten van de staatkundige ordening onderbelicht. Doordat hij de staat vaak laat optreden als een persoon, één die hij tegelijkertijd bewondert en verafschuwt, doet zijn boek met al zijn niet geringe wetenschappelijke verdiensten toch ook denken aan een vie romancée.

Evolutie

Martin van Creveld: The Rise and Decline of the State.

Cambridge University Press, 439 blz. ƒ60,20 (pbk)