Friesland verliest zijn geheugen

Terpen zijn de belangrijkste opslagplaats van het culturele erfgoed in Friesland. Maar ze slinken, en zo snel dat archeologen er binnenkort niets meer aan hebben.

De terpen zijn aan het verdwijnen, zegt Jos Bazelmans, archeoloog aan de universiteit van Leiden. Hij doet jaarlijks onderzoek in Friesland en: ,,Elke keer als ik kom zie ik de terpen als het ware kleiner worden. Telkens als een boer ploegt, verdwijnt er weer een laag van twee of drie centimeter aarde.'' Het proces is al eeuwen aan de gang. Van de zevende eeuw voor Christus tot 1100, toen de dijkaanleg begon, hebben kustbewoners woonheuvels gemaakt tegen de af en toe opkomende zee. Daarna is de aantasting begonnen. Vaak zijn de duizenden jaren oude plaggenbulten afgegraven om de vruchtbare terpaarde te verkopen: zestig procent van de terpen in Noord-Nederland verdween zo tussen 1850 en 1950. Maar ook door de landbouw zijn de terpen eeuwenlang afgesleten. Inmiddels zijn verschillende terpen als monument aangewezen, maar dat betekent niet dat de landbouwbewerking stopt.

,,Voor ieder vogelnest dat de boeren met rust laten, krijgen ze dankzij de natuurlobby tientallen guldens. Zoiets zou je ook met de terpen moeten hebben. Die moeten met rust gelaten worden. Maar het kost veel meer om de boeren daarvoor te compenseren. Dat ligt politiek moeilijk. En zo sterk als de natuurlobby is de cultuur- of archeologielobby niet'', zegt Bazelmans.

Om de ernst van het probleem aan te geven, noemt Bazelmans een terp bij Peins, een paar kilometer ten oosten van Franeker. In de middeleeuwen was die drie tot vier meter hoog, nu niet eens meer twee meter. ,,Op die terp ploegen de boeren al in de bewoningslaag uit de Romeinse tijd. Dat wil zeggen dat de metershoge lagen van na de Romeinen tot het jaar 1100 verdwenen zijn.''

En alsof de aantasting van de bovenkant van de terpen nog niet genoeg is, worden ze ook van onderen bedreigd. Doordat het grondwaterpeil steeds lager wordt, verdrogen ze. Dat heeft dramatische gevolgen, want zolang het binnenste van een terp nat is, kan er geen lucht komen bij al het organisch materiaal dat de bewoners daar in de loop van eeuwen hebben achtergelaten. Een houten pollepel uit de Romeinse tijd, een leren schoen uit de tijd van Bonifatius, schedels, sieraden van bot: zolang ze nat zijn blijven ze goed geconserveerd. Ook de plekken waar houten palen voor huizen hebben gestaan, blijven zo door kleurverschil zichtbaar. Maar zodra er lucht bij kan, verdwijnt al dat organisch materiaal. Het verrot. De inhoud van de terp verandert in een grijze massa, waar geen archeoloog meer wat mee kan. De terp wordt `onleesbaar', zoals ze het noemen. Dat probleem doet zich in toenemende mate in terpen voor, vooral aan de toppen, tot tientallen centimeters diep. ,,En als van een terp nog amper twee meter over is, vormt dat een groot probleem'', zegt Bazelmans.

,,Uitgerekend informatie over de gouden eeuw van de Friese geschiedenis is grotendeels verloren gegaan'', zei Bazelmans' collega, prof dr. H.A. Heidinga, vorige maand over de slinkende terpen. ,,En dit erosieproces gaat onverminderd door. Het is daarom hoog tijd de stormbal te hijsen, niet alleen in de provincie, maar ook landelijk en internationaal, want het verlies van dit erfgoed is een probleem van internationale proporties.''

Doen de Friezen dan niks aan het behoud van de terpen, de belangrijkste opslagplaats voor hun culturele erfgoed? Juist de Friezen die, meer dan andere bevolkingsgroepen in ons land, zo lijken te hechten aan dat erfgoed?

Dat bleek vorige maand nog. Mede namens `duizenden verontruste Friese amateurarcheologen' verweet de Friese gedeputeerde dr. A. Mulder de directeur van het Fries Museum, Wim van Krimpen, dat hij het Friese erfgoed in het museum verkwanselde, omdat die de archeologische afdeling in het museum wil herinrichten, de adviescommissie voor klederdrachten op straat zette en meer aandacht zou hebben voor moderne kunst dan het Friese cultuureigene. Verkwanselen de Friezen dan nu niet hun eigen erfgoed in hun terpen?

Nee, zo ligt het niet, zegt de provinciale archeoloog, Gilles de Langen in Leeuwarden. ,,De toestand is zeer zorgelijk'', beaamt hij, ,,Maar ik moet nu eerst even een terp redden, zo dadelijk kan ik meer vertellen.''

Pikant

Het is pikant dat de terpen in Friesland vrijwel verdwijnen, juist op het moment dat uit recente terp-opgravingen voor de Friese historie schokkende ontdekkingen zijn gedaan. Want uit onderzoeken in de afgelopen jaren, ondermeer bij Wijnaldum, blijkt namelijk dat de Friezen helemaal geen Friezen zijn.

Veel hedendaagse Friezen koesteren het idee dat zij, de huidige Friezen, afstammen van de Friezen die al meer dan tweeëneenhalfduizend jaar geleden de terpen aan de Noordzeekust opwierpen. Wat voor vreemde overheersingen, aanvallen van buitenaf en volksverhuizingen er ook waren in de afgelopen millennia: de Friezen bleven op hun terpen zitten, van de prehistorie tot nu, en vochten voor hun vrijheid. Zee noch vreemde overheersers kregen hen eronder. De titel van het Friese archeologenblad is niet voor niets De Vrije Fries.

Dit romantische idee is wel `het dogma van het ongerept voortbestaan van de Friese stam' genoemd. Het is de afgelopen eeuwen gevormd op basis van terpvondsten en vermeldingen over Friezen in historische geschriften, zoals die van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus.

Al bijna een eeuw geleden werd er roet in het eten gestrooid. De Friese archeoloog en jurist Pieter Boeles beweerde in 1906 naar aanleiding van terpvondsten dat er na de Romeinse tijd een Angelsaksische invasie in Friesland geweest was. Zware kritiek was zijn deel. Zelfs toen hij zijn opvatting wat bijstelde en beweerde dat de Angelsaksische overheersers zich vermengden met de weinige overgebleven Friezen en zichzelf ook Friezen gingen noemen. Veel Friese onderzoekers hebben sindsdien proberen aan te tonen dat Boeles' opvatting onjuist was, stelt Jos Bazelmans vast in een binnenkort te verschijnen artikel over dit probleem in het blad Jaarverslagen van de terpenvereniging.

Tot op de dag van vandaag houden de Friezen vast aan het idee dat er sinds de oertijd onafgebroken Friezen op de terpen woonden. Zowel Bazelmans als collega-archeologen maken korte metten met die opvatting. Zelfs in een `homeopatische verdunning' (zoals in 1996 nog gesteld werd in een proefschrift) hebben de oorspronkelijke Friese stammen de volksverhuizing niet overleefd, althans niet in Friesland. Op basis van recente onderzoeken menen archeologen nu dat het terpengebied in de Volksverhuizingstijd (de vierde en de vijfde eeuw) ontvolkt is. Na ruim honderd jaar kwamen er nieuwe mensen wonen in Friesland, en deze middeleeuwse Friezen waren Angelen en Jutlanders. Dat zij vanaf de zevende eeuw toch weer als Friezen werden aangeduid – nadat er drie eeuwen niet over Friezen geschreven was – komt volgens Bazelmans omdat de Franken, die hun klassieken kenden, de streek gewoon naar oude voorbeelden Frisia noemden. En het allegaartje van stammen dat daar woonde werd daardoor Fries.

Hadden de Friezen echt koningen, zoals de romantische Friezen hopen, die regeerden van Noord-Holland tot de Duitse rivier de Weser? De terpen moeten het vertellen. Bazelmans en Heidinga zijn op basis van recente terpvondsten minder romantisch dan de huidige Friezen. De middeleeuwse Friezen hadden zeker connecties met hun stamgenoten en vorstenhuizen langs de Noordzeekust in Engeland en Denemarken – vandaar dat ze ook genoemd worden in het Angelsaksische heldendicht Beowulf.

Maar voor zover er Friese koningen waren `waadden die met al hun goud in de modder en moesten ze zich voor hun onderdak tevreden stellen met plaggenhutten' zei Heidinga begin dit jaar bij de presentatie van een boek over de opgravingen van de terp bij Wijnaldum. Daar werd ondermeer een gouden mantelspeld bezet met edelsteen gevonden. Er circuleerde wel veel goud, stellen de terpenonderzoekers vast. Maar het hoe en waarom daarvan is moeilijk te achterhalen – mede omdat de terpen in zulke slechte staat verkeren. Binnenkort zwijgen de terpen, als er niet ingegrepen wordt. Doen de Friezen dan niets?

Parkeerkelder

Provinciaal archeoloog Gilles de Langen komt net terug van een spoedbespreking over de aanleg van een parkeerkelder in het hart van de Friese hoofdstad, onder de scheve toren van Leeuwarden, de Oldenhove. De Langen: ,,Daaronder ligt een terp uit de Romeinse tijd, een compleet, intact cultuurlandschap, waar de eerste bewoning op deze plek begon, en waar ook de eerste kerk stond. Gelukkig hebben we kunnen regelen dat we eerst archeologisch onderzoek gaan doen naar die terp, voor de parkeerkelder er komt. Medewerking van de gemeente is essentieel.'' Want officieel vallen zaken als monumenten en archeologisch erfgoed onder de gemeente en het rijk. Die bepalen of er, samen met de eigenaren van de grond, wel of niet wat aan bescherming of onderzoek wordt gedaan.

Omdat het gemeentebestuur van Leeuwarden een paar jaar geleden nog niet zo'n interesse voor archeologie had – en ook geen middelen – is er een hele nieuwe wijk, de Vinexlocatie Hempens, gebouwd op een Romeinse nederzetting, na wat beperkt onderzoek. ,,Dat erfgoed is verloren. Bij de tweede stadsuitbreiding gaat het nu beter, daar komt meer archeologisch onderzoek'', zegt De Langen. ,,Zo is het ook met de terpen. Gemeenten, rijk en particulieren doen daar weinig aan. De provincie heeft daarom een provinciaal archeoloog aangesteld. Dat was in 1992. En wij nemen nu het voortouw. We zijn bezig met een inventarisatie van alle terpen en andere archeologisch belangrijke plekken. Om in kaart te brengen hoe erg de toestand is. In 2001 is die inventarisatie klaar. Daarmee gaan we dan met de betrokkenen praten, gemeenten, boeren, rijksoverheid, om te laten zien hoe slecht de zaken er voor staan. Er is veel geld voor nodig om te bewaren of te onderzoeken. De gemeentes en de provincie hebben dat niet. De gezamenlijke provincies overleggen binnenkort met staatssecretaris Van der Ploeg. Over wie verantwoordelijk is, en wie betalen moet. En of we in verband met internationale verdragen over archeologisch erfgoed en de `verstoorder die betalen moet' iets kunnen doen. Bij een bouwlocatie is dat duidelijk. Maar een boer die voortploegt: verstoort die iets zoals bij een bouwput? Dat is allemaal nog niet duidelijk.''

Voor het onderzoek naar de Leeuwarder terp wordt waarschijnlijk 7,5 ton uitgetrokken. ,,Niet veel'', vindt Bazelmans. ,,Een gemiddelde terp onderzoeken kost miljoenen, eerder tien dan één miljoen. De Friezen moeten contact met Van der Ploeg zoeken als ze geen geld genoeg hebben.''

De Deelen

De problemen gelden overigens niet alleen voor de duizend terpen of overblijfselen daarvan die Friesland nog heeft, zegt provinciaal archeoloog De Langen. Ook in andere gebieden, zoals `de Lege (Fries voor het lage) Midden' van Friesland, met name in het veenpoldergebied De Deelen, liggen onder het veen nog resten van duizenden jaren oude nederzettingen. Door het zakken van de grondwaterspiegel lopen ook die resten gevaar, aldus De Langen.

Het veenpoldergebied De Deelen, tussen Akkrum en Drachten, onder Oldeboorn, is uit Fries cultuurhistorisch oogpunt interessant omdat het een van de weinige plekken is waar wel een bewezen constante van de Friese geschiedenis te zien is: het bewerken van de veenlagen, ondermeer het turf te steken. Tot in 1965 is in De Deelen ook turf gewonnen. Maar dat is niet zo grootschalig als elders in Friesland gebeurd. Daardoor is de Deelen nog een waardevol veencultuurlandschap te zien, schrijft de Amsterdamse geoloog Peter C. Vos in het prachtig geïllustreerde boek over De Deelen, dat de Friese galeriehouder Thom Mercuur net heeft uitgebracht over dit gebied. Mercuurs galerie is gehuisvest in het Tripgemaal, een voormalig gemaal bij Gersloot, midden in het veenpoldergebied. Mercuur zit dus in een `oer-Friese' omgeving, en in het boek komen zowel de culturele, de archeologische als de sociaal-historische kanten van De Deelen aan de orde, waardoor zichtbaar wordt hoezeer de Friese cultuur nog met het veen verweven is. De miserabele omstandigheden van de veenarbeiders – Domela Nieuwenhuis trachtte hun lot te verbeteren – komen aan bod, evenals de opkomst en ondergang van het machinaal turfwinnen, de jenever en de door de streek geïnspireerde kunst. Er staan verhalen van schrijver Rink van der Velde in, en het schilderij De Deelen van Willem Althuis. Van Sjoerd de Vries, zoon van een turfschipper uit De Deelen, is een hele serie landschapsschilderijen te opgenomen. Of beter collages, want De Vries werkt met karton, waar hij op schildert en in snijdt. Ze laten het veenlandschap zien, met rietkragen en sloten. De Vries' werk over de Deelen is momenteel te zien in het Tripgemaal, waar ook nog altijd turfstekers-gereedschappen liggen en turfjes. Het Tripgemaal is een soort moderne terp, met goed geconserveerd recent Fries cultureel erfgoed.

Hoewel het gemaal niet in het terpengebied ligt, sluit het wel aan bij de duizenden jaar oude cultuur van Friesland. Want of het nu zuivere `oer-Friezen' waren die er woonden, of gallo-romeinse Friezen, of Angelen, of Juten, of wat voor onduidelijke groep landverhuizers ook, één ding deden ze allemaal. Ze staken plaggen. En daar waren ze goed in. In de ijzertijd maakten de Friezen van kwelderplaggen niet alleen woonheuvels maar ook ringdijken, waarbinnen ze vee te lieten grazen. Daardoor was er zoveel voedsel, in dit oer-land van melk en honing, dat de bevolkingsdichtheid van prehistorisch Friesland zijns gelijke niet kende in Noordwest-Europa, op de streek rond Parijs na dan, aldus Jos Bazelmans.

Discussie bij `Tegenspraak': www.nrc.nl