Elke meisjeskamer een grote matras

De dichter Joseph Brodsky noemde de laatste generatie jongeren in de nadagen van de uiteenvallende Sovjet-Unie een `generatie aan het eind van een prachtig tijdperk'. Prachtig is misschien niet het juiste woord om de levenshouding van deze jongeren te kenschetsen, eerder druistig, ongeremd, zuipend en vagebonderend door het leven gaand. Mannen verslinden vrouwen en omgekeerd, elke meisjeskamer is een grote matras met daarnaast een fles wodka. De mannen – professoren, aangewaaide types – zijn oermannen met een ongebreidelde lust.

In haar debuutroman Het Kruis beschrijft de in Estland geboren schrijfster Sana Valiulina (1964) deze wanhopig aan seks en drank verslaafde generatie. Er zijn reminiscenties in het boek aan te wijzen met het fabuleuze werk Generation X van de Douglas Coupland, hoewel de Russische jongerenwereld en de westerse wereld van de life-style-yuppen verschillen als dag en nacht. Beide schrijvers geven een tijdsbeeld, en dat is een beeld van leegte, troosteloosheid, snelle bevrediging en besef van onvrede. Sana Valiulina woont sinds 1989 in Nederland. Zonder tussenkomst van een vertaler schreef ze Het Kruis rechtstreeks in het Nederlands. Haar stijl bezit dezelfde rauwheid als de personages. Onopgesmukt, geen bewust gekozen beeldspraak, kaal en ook dwingend geschreven proza.

Valiulina heeft een sterk perspectief gekozen voor haar boek, dat niet erg gelukkig Het Kruis is getiteld. Te dubbelzinnig, met de voor de hand liggende fixatie op seks. Ook is er de opzichtige associatie met loutering, zelfs religie. Feitelijk verwijst de titel naar een kruisvormig gebouwd studentenhuis in Rusland. Dat gebouw staat symbool voor de Russische maatschappij. De muren zijn van beton, maar overal zijn camera's en microfoons ingebouwd. Op de bovenste verdieping zetelt een big brother die de studenten in de gaten houdt. De troosteloosheid van het gebouw is de troosteloosheid van een Moskouse buitenwijk. Steen, grauwheid, vuile ramen. Het vertellersperspectief ligt bij de hoofdpersoon Alija, een studente. Zij staat terzijde van de platte pornofilms die haar leeftijdgenoten trachten te imiteren. Zij is, als in een orkaan, de windstilte waaromheen alles slingert en davert. Alija's weifelachtige houding, haar passiviteit gemengd met angst voor de wrede seksualiteit waaraan de anderen zich overgeven, maken van dit heftig bewogen boek uiteindelijk iets verstilds.

Bij eerste lezing lijkt Het Kruis een onstuimig geschreven hard boiled roman vol ongetemde seks. Een citaat uit een vrijscène: `Dat zo'n grote behaarde man zo hoog kon piepen verbaasde haar. Ze legde haar handen op zijn schokkende achterste en sloeg haar benen om hem heen. Toen zijn billen in snel tempo begonnen te sidderen gaf ze hem een flinke pets met haar hiel en riep geschrokken: ``Haal hem er op tijd uit, keeper!' Met glazige kikkerogen keek hij haar niet-begrijpend aan, en net voordat ze hem van zich af wou duwen voelde ze een warme plons op haar buik.'

Valiulina is beslist geen mooischrijfster, toch zou iets meer gevoel voor stilering en treffender beeldspraak in het erotische, zoals Jan Wolkers dat zo meesterlijk beheerst, haar boek rijker maken. De platvloersheid krijgt bij nadere aandacht betekenis door de rol van de stille Alija. In het eerste hoofdstuk, `Dichter en bouwers' getiteld, krijgt zij van een tante met een rijk verleden het volgende advies: ```Nooit uit liefde trouwen', waarschuwde tante Zeinep voor de zoveelste keer, ``(-) en ook niet meteen met een man naar bed gaan: dan verlies je je geheimzinnigheid.' Alija klampt zich het hele boek door vast aan deze twee onwrikbare waarheden, en dat terwijl om haar heen elk meisje tantes tweede wet onophoudelijk met voeten treedt. Wanneer zij dan uiteindelijk toch met een man naar bed gaat, is dat zeker niet uit liefde. Het is een vreugdeloze inwijding, waarna Alija zich afvraagt wat ze `met haar nieuw verworven vrijheid' zou gaan doen.

Nadat de hele rits van Katyn, Vera, Masja, Katja en anderen in hun zucht naar vrijheid de revue is gepasseerd, neemt het boek een tragische wending. Hoe de vrouwen ook hun onafhankelijkheid wilden bewerkstelligen, uiteindelijk is daar de rol van het moederschap. Alija brengt een kraambezoek aan haar vriendin Vera. Als ze de kamer aan het einde van een gang in Het Kruis binnengaat, deinst ze terug voor de geur van `zweterige babyhoofdjes, schone en vieze luiers'. Ze heeft het idee zich te bevinden `onder de oksel van een giagantische oermoeder'. Weer zo'n beeld dat Valiulina's obsessie met `oer' veraadt. Alija wendt zich van het wiegje af en kijkt door de ramen naar buiten, maar het is donker. Ze meent, in een fantasiebeeld op het glas, gezichten van meisjes te onderscheiden `die dromerig naar het onbekende staarden, eeuwig op zoek naar andere vertes.' Zijzelf was, eens, zo'n meisje vol verwachtingen, de jonge moeder Vera eveneens.

Het in mineur gestelde slot, dit tergend besef van desillusie, vond ik van grote kracht. Heel het boek is gecomponeerd naar dit verpletterende, zonder enige opsmuk beschreven einde. Niks geluk in de trant van `een wolk van een baby' of moedertrots, wel het inzicht dan de wilde tijd van de jeugdjaren voorbij is. In dit opzicht is Het Kruis een somber boek; seks brengt geen geluk, moederschap evenmin. De mens wordt voortgestuwd door niets dan driften. Sana Valiulina biedt geen verlossend of bevrijdend inzicht aan het slot, eerder het spijtige en melancholieke gevoel dat Mary Hopkins zo mooi vertolkte in haar lied `Those Were The Days...'

Nederlandse literatuur

Sana Valiulina: Het Kruis.

De Geus, 319 blz. ƒ45,-