Een bibliofiele revolutie

Boekhistorici houden zich bij voorkeur met de achttiende eeuw bezig. Ook twee nieuwe studies gaan over die periode van `leesrevolutie', aan de hand van het boekenbezit van Hagenaars en de advertenties van boekverkopers.

In mijn geheugen doorloop ik de kamers van mijn grootouders. In de lade van het buffet zie ik de kookboeken, uitpuilend van papieren met handgeschreven recepten. Op de kapstok in de gang naast de hoeden liggen de kerkboeken: opa en oma hadden elk een leren, volgestoken met bidprentjes. Waar ik ook kijk: ik zie schilderijen, een koekoeksklok, een clivia, een piano (bladmuziek onder de klep van de kruk) maar geen andere boeken. Geen bijbel, geen encyclopedie, geen woordenboek, laat staan een leesboek.

Wel tijdschriften: de Katholieke Illustratie, een missieblad, waarvan de naam me ontschoten is, en de Venlose krant. Limburg in de jaren vijftig van de twintigste eeuw: wanneer was daar het verleden eigenlijk afgelopen? In twee recente proefschriften over de leescultuur in de achttiende eeuw wordt met enige nadruk geconstateerd dat er toen nog geen sprake was van een wijdverbreid boekenbezit onder de inwoners van Nederland.

Ik vrees dat eenzelfde onderzoek als voor de achttiende eeuw uitgevoerd is, slechts marginale verschuivingen zou laten zien voor grote delen van de twintigste-eeuwse bevolking tot in de jaren zestig. Maar daarover zijn nog geen proefschriften verschenen, en dus weten we meer over het lezen en de boekverspreiding in de achttiende eeuw dan over boekenbezit en distributie daarvan in het recente verleden.

In de boekgeschiedenis is de achttiende eeuw een bevoorrechte eeuw. Niet alleen hebben toonaangevende boekhistorici als Robert Darnton en Roger Chartier de achttiende eeuw bestudeerd, ook Nederlandse vakgenoten als Piet Buijnsters, Joost Kloek en Wijnand Mijnhardt hebben een opmerkelijke voorkeur voor die periode. De meest geciteerde studie bij al deze achttiende-eeuwers is die van de Duitser Rolf Engelsing die in 1974 Der Bürger als Leser publiceerde en de stelling van een `leesrevolutie' in de achttiende eeuw aanspijkerde. Volgens Engelsing zou er een omslag hebben plaatsgevonden van het intensief lezen van enkele boeken zoals de bijbel en gebedenboeken naar het extensief lezen van veel boeken. De veelvraat die niet genoeg kan krijgen van lezen zou uit de achttiende eeuw stammen. Tegelijkertijd was er een uitbreiding van het aanbod van titels, er ontstonden nieuwe genres en het aantal lezers zou spectaculair zijn gegroeid. Engelsings these wordt aangevallen of ondersteund in alle latere studies over de achttiende-eeuwse leescultuur, maar niemand schijnt er omheen te kunnen. Ook deze twee recente studies niet.

Boedels

José de Kruif heeft in haar dissertatie het Haagse boekenbezit in de achttiende eeuw onderzocht. Daarbij gebruikte ze een bron die daarvoor nog niet eerder zo consequent en detaillistisch werd gebruikt, namelijk de boedelbeschrijvingen van overleden Hagenaars uit het Gemeentearchief tussen 1700 en 1800. Steekproefsgewijs doorloopt ze het boekenbezit van vele Hagenaars die na hun dood een erfenis nalieten die aanleiding gaf tot een boedelbeschrijving. De Kruif bouwt allerlei strategieën in om haar steekproeven betrouwbaar te doen zijn, want uiteraard ligt het gevaar op de loer dat alleen de hogere klassen, de bejaarden, de mannen of de mensen zonder directe erfgenamen in de boedelinventarissen belanden en er dus een vertekend beeld van het boekenbezit ontstaat.

Haar uitkomsten zijn grofweg de volgende: 38 procent van de huishoudens had geen boeken in huis. Als er wel boeken waren, zijn dat vooral godsdienstige boeken. Het leesdossier van de achttiende-eeuwse Hagenaar is niet spannend. Een bijbel, een paar psalmboekjes, avondmaalboekjes en gedrukte preken, dat was wat de meeste lezers in huis hadden. De Kruif heeft een toptien van auteurs uit de boekenkasten gemaakt, waarbij ze gebedenboeken en bijbels niet meetelde. Het is een merkwaardige lijst die alleen wat de topauteur betreft enigszins voorspelbaar is. Dat is Jacob Cats. Alle de wercken van hem werd nauw gevolgd door de Hooghberoemde Joodsche Historiën van Flavius Josephus, en op de derde plaats stond Johannes van der Kemp, wiens boek De Christen geheel en al het eigendom van Christus tientallen malen werd herdrukt. Bij een katholieke Hagenaar uit de lagere klassen trof de notaris bij overlijden slechts een kerkboekje met een zilveren slotje aan en een defect rooms boek dat verder geen titel krijgt. De Hagenaar met de meeste boeken was een weduwe, Josine Maria Schack-de Bye, die 2311 boeken achterliet.

Wie een profiel van de achttiende-eeuwse gemiddelde Haagse boekenbezitter zou willen schetsen, komt uit bij een brave burger die voornamelijk stichtelijke boeken in huis had. Desalniettemin zijn er ook opwindende bibliotheken, zoals die van de kolonel Baron de Bisschoffwerder die behalve beroepslectuur ook een gezellige hoeveelheid Franse pornografische titels in de kast had staan, zoals L'école des filles en La France galante. De boedelinventarissen laten tot 1750 een lichte groei zien in het aantal huishoudens dat boeken had en in het aantal boeken dat daar aanwezig was.

Productiegroei

Na 1750 was er geen groei meer. Deze conclusie logenstraft de these van Engelsing over de toename van de boekenconsumptie. De Kruif heeft een interessante hypothese om uit het dilemma te komen dat hierdoor ontstaat. Want de toename van de productie van titels is onmiskenbaar, evenals het ontstaan van nieuwe genres. Zij meent dat er meer naar markteconomische structuren gekeken moet worden om dit te verklaren. Productiegroei is niet noodzakelijk het gevolg van toegenomen leeslust. Wanneer de afzet van een product stagneert, zal de markt tot differentiatie overgaan. Als gewone luiers niet meer verkopen, wordt er aan hetzelfde product iets toegevoegd, zodat de consument meent dat hij iets nieuws aangeboden krijgt. Enige tijd geleden werden er aparte jongens- en meisjesluiers geïntroduceerd. Nu die markt weer verzadigd is, adverteert de fabrikant grootscheeps met iets geweldigs: één luier voor alle baby's. In de boekenwereld betekent verzadiging van de markt dat er nieuwe genres worden aangemaakt, in de hoop dat daarmee een nieuwe markt aangeboord wordt. Hiermee probeert De Kruif de tegenstrijdigheden in de boekenmarkt van de achttiende eeuw te verklaren.

In het proefschrift van Hannie van Goinga wordt ook een bron gebruikt die nog niet eerder systematisch bekeken was, namelijk de boekhandelsadvertentie, in dit geval in de Leydse Courant, en dan vooral om veranderingen in de boekdistributie te beschrijven. Advertenties zijn goud waard, schrijft Van Goinga, omdat ze zoveel openbaren over netwerken, over onderlinge ruzies en over de verkrijgbaarheid van de boeken. Zo kan ze ook constateren dat vanaf ongeveer 1750 de nu omstreden vaste boekenprijs wordt gehanteerd, want dan komen de prijzen bij de advertenties te staan.

Hannie van Goinga neemt minder afstand van de these van Engelsing. Zij meent alleen dat de aanwas van het leespubliek al eerder had plaatsgevonden en dat er in de loop van de achttiende eeuw een stilstand kwam, die echter niet betekende dat er geen levendige handel was. Er ontstonden nieuwe wegen om boeken bij lezers te doen komen. Vanaf 1720 begint de commissiehandel, waarbij een boekhandelaar zonder kosten boeken op zicht kan krijgen. Dat betekent dat er een grotere variëteit in het aanbod door het land komt. Dankzij de commissiehandel konden boekverkopers een grote voorraad aanleggen, en datstimuleerde de opkomst van de moderne boekhandelaar die niet meer uitgever, drukker en verkoper tegelijk was.

Tussen 1720 en 1740 neemt het aantal boekhandelaren toe, evenals het aantal advertenties. Vanaf de jaren zestig krijgt de advertering een andere stijl: de boekhandelaars blazen hun producten meer op en het publiek krijgt meer interesse voor recente publicaties. De boekverkopers zoeken dan doelbewust in advertenties naar een nieuw publiek onder de mensen met een smalle beurs. Maar niet alleen de boekhandel was een schakel in de distributie. Daarnaast werden de veilingen behalve voor nalatenschappen ook gebruikt om zoldervoorraden en winkeldochters kwijt te raken. De bibliofiel deed zijn intrede op de markt, waardoor het antiquariaat kon gaan bloeien; voordien stonden oude en nieuwe boeken samen op een plank bij de boekverkoper.

Ook De Kruif constateerde dat er een toenemende efficiëntie in de distributie plaatsvond, bijvoorbeeld doordat grote boekhandels titels in voorraad hadden die kleinere dan konden bestellen, een voorafschaduwing van het Centraal Boekhuis. Lezers zelf gingen ook handige manieren bedenken om aan boeken te komen, bijvoorbeeld door klant te worden van de opkomende commerciële leesbibliotheek of door een leesclub op te richten. De oudst bekende Leidse leesclub wordt door Van Goinga beschreven als een club uit de middenklasse, van vooral textielverkopers. Van Goinga stoffeert haar boek met kostelijke advertenties, zoals die van de boekverkoper De Bruin die in één en dezelfde advertentie een boek over de kennis van Jezus aanprijst en om een bedaagde vrijster of weduwe vraagt om te naaien en te rekenen.

Beide boeken zijn proefschriften, maar het een is geschreven door een docent die in de aloude academische stijl jarenlang onderzoek heeft gebundeld in een weloverwogen dissertatie, het ander door wat tegenwoordig wel een `stapelonderzoeker' wordt genoemd, iemand die afstudeert, een onderzoeksbaan of -beurs verwerft, zich moet haasten om te promoveren en dan meestal werkloos wordt of tijdelijke projecten aanvaardt. Is dat verschil te merken? Zeker wel: de jonge auteur (De Kruif) probeert angstvallig wetenschappelijke misslagen te vermijden, Van Goinga durft een verhaal te vertellen en grote lijnen uit te zetten. Ze strooit zuinig maar weloverwogen krenten in de pap door hier en daar een anekdote te geven of een gekke advertentie te citeren.

Goeroes

De Kruif is veel voorzichtiger in haar beweringen. Alle berekeningen, en dat zijn er heel wat, maken de indruk zeven maal herberekend te zijn. Daardoor durft zij ook de beide goeroes van de Nederlandse boekgeschiedenis, Kloek en Mijnhardt, te corrigeren. Zij constateerden dat de veelkopers in alle klassen van de maatschappij te vinden waren. De Kruifs zorgvuldige analyse van nalatenschappen ondergraaft deze conclusie. Hier lijkt het gezond verstand de cijfers aan zijn zijde te krijgen: natuurlijk is boekenbezit afhankelijk van iemands inkomen. Wat Engelsings `leesrevolutie' betreft, lijkt het pleit nog niet beslecht. Een kleine vroege leesrevolutie, zegt Van Goinga. Hooguit een lichte toename van het boekenbezit, meent De Kruif. Alleen meer boeken bij dezelfde kopers zeggen Brouwer, Kloek en Mijnhardt. En ondertussen is er geen onderzoeker die mijn opa's boekenbezit inventariseert.

Met dat al kan men toch zeggen dat de boekhistorie in Nederland een serieus vak begint te worden. Dat blijkt ook uit de boekverzorging, waarin deze historici een goede traditie aan het opbouwen zijn. De Kruifs boek is mooi uitgegeven, Van Goinga's boek nog mooier. Jan de Jong, van uitgeverij De Buitenkant, is een vakman op het gebied van de boekverzorging zoals er nog maar weinigen zijn.

Cultuurgeschiedenis

Hannie van Goinga: Alom te bekomen. Veranderingen in de boekdistributie in de Republiek 1720-1800.

De Buitenkant, 406 blz. ƒ185,-

José de Kruif: Liefhebbers en gewoontelezers. Leescultuur in Den Haag in de achttiende eeuw.

Walburg Pers, 360 blz. ƒ79,50