De zee is er dankzij het schip

Schrijver-essayist Claudio Magris krijgt op 11 maart de Sikkensprijs, onder andere voor zijn boeken over Triëst. De schrijver kijkt met de filmer naar de stad van Joyce, Rilke en Magris.

Het cliché van Triëst gaat gehuld in tal van gestalten. Allereerst natuurlijk in de onnaspeurlijke naam van de stad, die onwillekeurig nostalgie uitdrukt en nauwelijks onderdrukte tranen. Niet alleen in het Nederlands. ,,Ah, Trieste...''

Het is de mooiste plaatsnaam van Italië.

En daar zweeft die wolk weer langs van zachtroze tule, bedwelmend parfum en wegijlend koorgezang van voorheen, de stem van Sissi - keizerin van het Habsburgse imperium in de tweede helft van de negentiende eeuw - zachtjes en Puccini-achtig boven alles uit. Of was het die van Romy Schneider, dat onbedorven snatertje aan de zijde van Karl-Heinz Böhm in de vermomming van een ongekend jeugdige keizer Franz-Joseph?

Het tweede cliché van Triëst vind ik de eerste avond van mijn verblijf terug zonder er moeite voor te doen, rijdend over de viale Miramare, als in de bocht van de weg aan de linkerhand de bocht die ook de zee moet maken, opdoemt. De plek wordt gemarkeerd door het silhouet van Castello Miramare, het zomerpaleis van het Habsburgse vorstenhuis. Als naast het paars aangelichte torentje aan zee in de verte ook een taartvorkje was neergelegd, had ik het zo kunnen wegsnoepen.

Het derde cliché van Triëst is het `Triëst van Joyce'. Wie wel eens van zijn Ulysses heeft gehoord en het boek mogelijk heeft gelezen, weet dat hij hier aan het begin van de vorige eeuw, tijdelijk, steeds tijdelijk verbonden aan de Berlitz-talenschool, begon aan de wederopbouw van een denkbeeldig Dublin nadat hij de echte voor altijd achter zich had gelaten. Min of meer tenminste.

Dat is het vierde cliché van Triëst. Min of meer, het lot van een getijdenstad.

De schrijver-essayist Claudio Magris, die hier is geboren, er telkens naar terugkeert en er zielsveel van houdt, noemt Triëst `de cul de sac van de Adriatische Zee waar alle desillusies aanspoelen.' Zelf neemt hij er trouwens dagelijks een duik in, niet in de winter maar tussen april en oktober. Hij wijst terwijl we op deze mistige morgen naar de monding van de Isonzo-rivier rijden op een van de strandjes langs dezelfde viale Miramare. ,,Daar is het 't prettigste, ik kan niet wachten tot het weer april is. De laatste keer op een avond in oktober toen ik weer naar het strand terugzwom, waar mijn kleren lagen, stond er een verliefd stelletje naar me te kijken. Ik zei tegen de jongen: `Niet doen nog, wacht tot je zestig bent, zoals ik'. Ik zal dat verbouwereerde gezicht van hem niet gauw vergeten.''

Claudio Magris neemt op 11 maart in Rotterdam de Sikkensprijs 1999 in ontvangst. `Voor zijn bijdrage aan de verkenning van het culturele landschap van Europa en de betekenis daarvan voor het Europese debat over identiteit', zoals de formulering van de jury luidt.

Rusteloos

Voor de opnamen, waarvoor ik met een filmploeg naar de hoofdstad van zijn verzamelde verhalen en essays ben afgereisd en die hem bij de uitreiking zullen introduceren, heeft hij beloofd me vandaag vier plekken in en rond Triëst te laten zien, die een belangrijke rol in zijn oeuvre spelen. ,,Die hebben me gemaakt tot de schrijver die ik nu ben.'' Het is alsof hij tijdens een lichte aarzeling in die zin het woordje `eindelijk' net op tijd weglaat. Dat komt niet omdat hij twijfelt aan de waardering, die zijn werk alom ten deel valt, maar blijkbaar moet de keuze tussen wetenschap en literatuur steeds opnieuw worden gemaakt, ook al valt hij sinds jaren telkens overtuigend op door zijn schrijversschap. Hij is van oorsprong germanist en doceert dat vak, na jaren in Turijn, nu weer aan de universiteit van zijn geboortestad, zij het minder regelmatig dan zijn studenten vermoedelijk zouden wensen. Sinds zijn internationale doorbraak met de caleidoscopische en cultuurfilosofische avonturenroman Donau, eind jaren tachtig, gevolgd door enkele kleinere novellen en een nieuw hoogtepunt in 1997 met zijn Microcosmi zuigt de slipstream van zijn roem Magris de hele wereld over. Hij heeft een groot talent voor reizen zowel naar de verte als de diepte in, zoals de Donau-roman (of het Donau-essay, wat is het eigenlijk?) aantoont. Maar de tegenwoordige rusteloosheid is hem overkomen. Misschien komt hem dat tegelijkertijd goed uit sinds hij enkele jaren geleden zwaar werd getroffen door het verlies van zijn vrouw. Sindsdien woont er een mild scepticisme in zijn gelaatstrekken, dat doet denken aan wat een van de vele Triëstiaanse voorbijgangers in zijn Microcosmi zei. Dat hij zichzelf als een optimist beschouwde omdat alles immers nog zoveel erger had kunnen zijn.

Al op zijn vierentwintigste had Magris de aandacht van zijn internationale vakgenoten op zich gevestigd met een verbluffende doctoraalscriptie over de Habsburgse mythe in de Oostenrijkse literatuur, waarin de half vergeten of slecht onthouden wereld van Robert Musil, Karl Kraus, Hofmannsthal, Schnitzler, Rilke en wat mij betreft vooral Joseph Roth in de herinnering werd teruggeroepen. Vele jaren later, toen ik een documentaire over Roth voorbereidde en door een vriend op dat boek attent was gemaakt, leek het wel of Magris me al die tussenliggende tijd had staan roepen en ik het maar niet had gehoord. Een bezoek aan Triëst was nu onvermijdelijk. Goedbeschouwd was de trip een kleine moeite tijdens een project waarvoor in de sporen van de schrijver zoveel moest worden gereisd. Had Roth niet gezegd: ,,Overal waar een jood op het kerkhof ligt, voel ik me thuis''?

Zo ontmoette ik Magris zes jaar geleden voor het eerst op een locatie die hijzelf had uitgezocht: de haven van Triëst, zittend op een dukdalf tussen de visafslag en de kade, waar een blinkend wit cruiseschip doodstil in de snikhete zondagmiddag lag afgemeerd. Nadat hij me zolang vruchteloos had geroepen, nam hij hier voor alle zekerheid – en voor ik het besefte – ook de regie maar in handen. Het cruiseschip kon, mits onscherp in de achtergrond, heel goed doorgaan voor de emigrantenboot naar Amerika waarnaar Roth zo hunkerde. Zonder dat hij, wanneer het eenmaal klaarlag, ooit had willen inschepen.

Magris vertelde daar deze anekdote.

In een Oost-Europees stadje ontmoet een jood een andere jood die met een groot aantal koffers op weg is naar het station. ,,Waar ga je heen?'', vraagt de eerste. ,,Naar Zuid-Amerika,'' antwoordt de ander. ,,Ach'', verzucht de eerste, ,,ga je zo ver weg?'' De aanstaande reiziger houdt verbaasd halt en vraagt op zijn beurt: ,,Ver van waar?''

Zo was het ook met Roth, verklaarde Magris daar op dat paaltje. Roth was een zwervende jood zonder vaderland, zonder referentiepunt ten opzichte waarvan hij zich dichtbij of veraf kon voelen, iemand zonder grenzen. Tegelijkertijd iemand, die zijn vaderland – de wetten en tradities waarin hij wortelde – in zijn binnenste met zich droeg. Zo bezien was hij nooit ver van huis en altijd binnen zijn eigen grenzen. Zo'n vaderland stond open voor de wereld, het was een brug, geen barrière.

Diaspora

Dezelfde anekdote ben ik opnieuw tegengekomen in Aan de andere kant, zijn bespiegelingen over grenzen, die ter gelegenheid van de Sikkensprijs in de Nederlandse vertaling van Anton Haakman zullen verschijnen. In de dertig pagina's, die het essay telt, lijkt hij al zijn fascinaties te hebben samengevat. Als ik hem aan de reprise van de Weit von wo-anekdote herinner, zegt hij: ,,Ja, dat verhaal keert steeds terug. Ik heb ook nog een boek geschreven over de joodse diaspora, dat zo heet: Weit von wo.'' Dan schiet hem te binnen dat we beter eerst naar de grens kunnen gaan. De Isonzo komt later wel. We slaan abrupt rechtsaf, weg van de zee, een smalle weg een heuvel op. Boven achter een kerkje ligt onder ons plotseling het golvende landschap van Slovenië. Hij wijst naar een wazige grenspost in de diepte van de vallei, verderop een roestende goederentrein op dood spoor, hier en daar een dorp. Een herhaaldelijk verscheurd gebied, waar hij in zijn jeugd met vriendjes door de bossen trok totdat Italië het in 1945 achter het IJzeren Gordijn zag verdwijnen. Vertrouwd gebied was in een onbereikbare en wildvreemde wereld terechtgekomen. Hij kon hem alleen nog in de herinnering betreden.

,,Het grensbesef is kenmerkend voor m'n werk. Het heeft gemaakt dat wat ik schrijf eigenlijk telkens gaat over de reis van het bekende naar het onbekende en weer terug. Want niet alleen de toekomst, ook het afgesneden verleden was plotseling terra incognita geworden.''

Het kosmopolitische Triëst was na 1945 dankzij de Grote Gebeurtenissen plotseling beland aan de uiterste rand van Europa, waar de stad in Engelse, Amerikaanse en Joegoslavische sectoren verdeeld en overspoeld door vluchtelingen en smokkelaars jarenlang een wankelend bestaan in een uithoek van de wereldpolitiek leidde. In 1954 brak Tito met Stalin en kregen de geallieerden Triëst in ruil voor rust aan een nieuw ideologisch front als zoenoffer in de schoot geworpen. Toen de kwestie rond de stad, die al sinds 1946 op de agenda van de Verenigde Naties stond, eindelijk in 1977 zou worden behandeld, bleek Triëst al drieëntwintig jaar deel uit te maken van Italië.

,,We waren vergeten, in de lappenmand van de geschiedenis gegooid, we bestonden enkel nog aan de marge van de Grote Gebeurtenissen. Dat doet iets met je identiteitsbesef. Het wordt omgeven door ironie. Met behulp daarvan kun je ontsnappen aan de wurgende houdgreep van de conventionele en dwingend opgelegde identiteit. Hij maakt er een toevallige waarde van, een kennisgeving waarover je niet voortdurend hoeft te lopen tobben. Het is toch ook beter te leven zonder de hele tijd aan het leven te denken? Het is bovendien raadzaam je grenzen te accepteren zoals je die van je woning accepteert als je je er maar van bewust bent hoe betrekkelijk ze zijn.''

Een aanschouwelijke les in die betrekkelijkheid volgt later bij de monding van de Isonzo, een brede rivier die doodstil tussen de rietstengels van de lagunen in de Adriatische Zee verdwijnt. Waar de rivier eindigt en de zee begint? Het is niet te zien, het ene water vervloeit in het andere. Het is eigenlijk een non-schouwspel, maar het fascineert Magris dusdanig dat ook de grauwe plek waar we staan erdoor lijkt te worden meegesleept. Er breekt melkachtig zonlicht door, vogels vliegen op, het begint zachtjes te waaien en vanuit een naderend sportvliegtuigje wordt de camera ontwaard. Wat is daar aan de hand? Einde opname.

Rilke-pad

Hoog op het Rilke-pad, een uitgezette wandelroute in de sporen van de dichter door de karstheuvels boven zee, valt hem in hoe hij zijn door de geschiedenis uitgewiste geboortestad pas weer kon terug verzinnen toen hij hem in zijn studietijd had verlaten. De schrijvers over Triëst (Slapater, Saba, Svevo, ook Rilke), zijn stadgenoten, die hij pas in Turijn ontdekte, waren hem daarbij behulpzaam.

Gaandeweg ook ontwaarde hij onder de politieke wereldkaart van het eurocentrisme de verweerde atlas van het werkelijke landschap, de bewoners daarin, hun taal, hun dialecten, de schijnbaar onaanzienlijke sporen van hun geschiedenis, de aard van hun identiteit en die van hun plek. Dat leidde hem tot het enigszins absurde besef dat niets werkelijk vaststaat, dat alles voortdurend in beweging is en in elkaar vervloeit, dat tegenstellingen overeenkomsten oproepen en andersom.

Beneden ons lijkt de schim van een vissersvloot in het melkachtig waas, dat ook de horizon heeft uitgewist, te zweven tussen hemel en aarde. Maar dat is niet zo. ,,De zee is er dankzij het schip. En hier beneden spoelen de verhalen van de zee, van de matrozen aan land en ze veranderden in de verhalen van de kust, de heuvels, de valleien uit de monden van boeren en bergbewoners.''

Die vertellers zijn in een warm eerbetoon aan wat doorgaans veronachtzaamd wordt weergaloos geportretteerd in Microcosmi. Het is goeddeels geschreven in café San Marco aan de via Battisti, dat er trouwens zelf ook in voor komt, net als het nabij gelegen stadspark. Net als de uitgelaten Sloveense vrouwen, die we op weg naar dat café passeren terwijl ze elkaar midden op het wijde Piazza d'Italia hun inkopen laten zien alvorens ze naar de bus achter het station lopen, die ze terugbrengt naar Kopec of Rijeka. Net als hun moeders, toen op de vlucht of weggesloten achter de grens. Net als hun grootvaders, nog onderdanen van het Habsburgse rijk, die volgens Joseph Roth allemaal hun best deden een beetje op de keizer te lijken. Magris zegt: ,,In Turijn is het altijd het jaar waarin je leeft. Hier in Triëst ben ik gelijktijdig in 1914, in 1947 en in het nu.''

Hij staat stil, aarzelt even en bedenkt zich. We gaan niet naar café San Marco. ,,Nee, ik laat me daar toch liever niet bekijken als een dier in zijn habitat,'' zegt hij glimlachend. ,,We gaan naar Libero.''

Het is een kroeg waar je in de avondschemering zo voorbij zou lopen als je het adres niet kende. Maar hij kent het adres en het adres kent hem, zo blijkt bij binnenkomst. Een warme wanorde van tafels en stoelen, geen een hetzelfde, kaartende en drinkende schimmen, die groeten en zwaaien en het gegons van verhalen, geen een hetzelfde. Dit is niet de plek waar hij schrijft, dit is de plek waarover hij heeft geschreven, onaanzienlijk, door wie het adres niet kent veronachtzaamd en daarom door Magris met bijna teder respect en zonder ironie bejegend. ,,Joseph Roth'', zegt hij, ,,zou het hier zijn Heimat noemen. Het is mijn microkosmos.''