Componeren is naar buiten kijken

Het Koninklijk Concertgebouworkest speelt volgende week voor de tiende maal Otto Kettings `Eerste symfonie'. ,,Een gevaarlijk stuk om te schrijven als je zo jong bent.''

,,Ik had me eigenlijk voorgenomen om me te beheersen, maar...'' In zijn stille Haagse studeerkamer bladert Otto Ketting (64) door een stapeltje vergeelde kritieken naar aanleiding van de première van zijn Eerste symfonie. ,,Hier, uit Het Parool: `Ketting tracht dramatisch te doen met gegevens die van huis uit ludiek zijn'. Lu-diek, nota bene! Als ik zoiets herlees overvalt me weer de oude walging. De oubolligheid van het Nederlands muziekleven in de jaren vijftig – afschuwlijk. De Volkskrant noemde Schönbergs muziek `mofse rimram', en Alban Berg was decadent. En zij waren mijn eerste helden, dus mijn muziek werd ook niet gepruimd.''

Tweeëntwintig was Otto Ketting toen hij de laatste hand legde aan zijn destijds omstreden Eerste symfonie. Hij wijst de datum met gedistantieerde vertedering aan in de originele schetsen op kringlooppapier: ,,Maart 1958 ja. Ik heb een zwak voor dit stuk, nog steeds. Niet uit jeugdsentiment, maar omdat het goed is. Ik ben er trots op, en dat geldt maar voor misschien twintig van de ruim honderddertig werken die ik heb geschreven. De lef en onbezonnenheid om iets in die tijd zò op te schrijven!''

Echo's uit die tijd zijn opgenomen in de monografie Time Machine, verschenen bij Donemus in het kader van het Festival in de Branding dat in 1997 aan Kettings muziek en muziekkeuze was gewijd. In oude artikelen ageert hij fel tegen het truttige, Nederlandse muziekleven en blaast vervolgens met hetzelfde elan de loftrompet voor componisten als Ives, Copland, Webern en Berg. Daarnaast zijn er de onvermijdelijke verhalen over Kettings jeugd. Zijn wrange kindertijd als zoon van componist Piet Ketting en een veeleisende moeder, zijn jaren aan het Barlaeus gymnasium in Amsterdam, voetballen bij AFC, de trompetstudie in Den Haag, gevolgd door veel drank en lol in amusementsorkesten en leerzame jaren in het Residentie Orkest.

Het was in de tijd bij het Residentie Orkest dat Ketting zijn Eerste symfonie schreef. Tot dan toe componeerde hij op eigen kracht, sporadisch geholpen door een gouden tip van zijn vader. Nu werd het tijd voor lessen in München, waar Ketting de door hem zeer bewonderde componist Karl Amadeus Hartmann benaderde. Hartmann bekeek de partituur van de Eerste symfonie, begreep – en weigerde. `Ik heb je niks meer te leren', vond hij. In plaats van lessen, hebben ze toen maar een jaar over muziek gepraat met veel koffie en cognac.

,,Hoe het kwam dat ik alles al kon? Het meeste heb ik geleerd in de praktijk, maar componeren is ook een kwestie van aangeboren vakmanschap. Luister maar naar de Eerste symfonie, daar klinkt toch een soort kundigheid uit. Het is eigenlijk meer als de Zesde symfonie van iemand anders – een gevaarlijk stuk om te schrijven als je zo jong bent. Ik ben er ook vreselijk in vastgelopen. Mijn hang naar het serialisme ontstond uit nieuwsgierigheid naar de muziek die ik 's nachts op de radio hoorde, maar die hier nooit werd gespeeld. Maar een paar jaar na deze symfonie en het nog veel extremer seriële Due Canzoni was het serialisme voor mij een gepasseerd station. Alleen: wat ik dan wel moest wist ik ook niet.''

Onderscheid

In plaats van nietsdoen ging Ketting balletmuziek schrijven. Een blik in een beduimeld en duimdik boekje dat als handgeschreven oeuvrelijst dienst doet, vermeldt tientallen werken in deze jaren van creatieve impasse. Ketting maakt een onderscheid tussen zijn vele ballet- of filmmuziek en zijn `vrije', niet aan beeld gebonden werk. Maar het onderscheid is formeel, niet normatief. Muziek is muziek, vindt hij.

Ketting spreekt niet graag van de aard van wat hij noemt `dat ene liedje', zijn idioom, zijn muzikale taal. (,,Je eigen muziek onder woorden brengen, nee hoor! Kijk maar naar de noten.'') Het is immers altijd hetzelfde liedje en de aard ervan moet maar blijken uit de gewaden waarin Ketting het verpakt: zijn composities. Een afspiegeling van Kettings muziekopvatting zijn de componisten voor wie hij als publicist en soms ook als dirigent een lans brak. Hartmann, Varèse, Stravinsky, Berg, Weill, Webern. In Nederland: Rudolf Escher. En Matthijs Vermeulen, wiens `grootse en baanbrekende' muziek hem in de melodievorming van zijn Eerste symfonie eigenlijk nog meer heeft beïnvloed dan Berg.

,,De muziek die ik bewonder is altijd muziek waarin het emotievolle wordt gekoppeld aan iets rationeels'', legt Ketting uit. ,,Daarmee voelde ik mij verwant. Hartmann had zijn werkkamer volhangen met schema's om de emotie in zijn muziek binnen meetbare vormen te houden. Ik herken dat, maar ga er op een andere manier mee om. Het componeren lijkt bij mij dan wel spontaan te gaan, maar tegelijkertijd is dat rationele een soort automatisme. Een componist moet elke noot ook kunnen verantwoorden, vind ik. Anders deugt een stuk niet. De vorm is de basis, en die moet vervolgens worden opengebroken met spontane, idioomvreemde elementen. Vergelijk het met een fuga van Bach: daar is de vorm ook open, en tegelijkertijd de basis. Maar een fuga van Telemann of een symfonie van Carl Ditters von Dittersdorf – daar is de vorm dood. Alles klopt, maar het klinkt gortdroog.

,,Balans tussen nuchterheid en expressie – dat zit in alle stukken waar ik tevreden over ben, de stukken waarvan ik, ongeacht de plaats in mijn `ontwikkeling' denk: ik heb nooit beter gekund. Toen ik begon was Nederland zo léég. Weinig afleiding, alleen maar wederopbouw, Eddie Christiani, kauwgumplaatjes. Voor iemand die die leegte vulde, was alle aandacht. Maar nu speelt het creatieve in het muziekleven nauwelijks nog een rol. Toen ik begon als componist, maakten goede nieuwe werken een kans meteen door de grote orkesten te worden gespeeld. Elk Nederlands orkest had een Nederlandse dirigent, en de meesten van hen hadden aandacht voor wat er speelde. Nu zijn er rondvliegende grootheden als Gergjev en Svetlanov die totaal niet betrokken zijn bij het Nederlands muziekleven, laat staan dat ze zich serieus bemoeien met het werk van jonge componisten. Dat is toch diep treurig?'' Hij lacht een grimmig lachje, en schudt even het hoofd.

Kluizenaarschap

Een serieus verhaal met kwinkslagen doorbroken; zoals zijn muziek, zo is ook Otto Ketting zelf. Een componist moet een mens zijn, in het leven staan. Voor Ketting geen blijvend kluizenaarschap. Hij acht het goed `het hoofd af en toe even uit het raam te steken' en hekelt componisten die maar schaven en sleutelen aan peuterigheden die bij een uitvoering `op rij tien al niet meer te horen zijn'. Componeren op die manier, zo in jezelf gekeerd, dat is onzin. ,,Verzet jezelf toch eens naar de rol van luisteraar, denk ik dan. Componeren mag geen autistische bezigheid zijn. Ik ben in mijn muziek bewust altijd een beetje muzikant gebleven. In de tijd dat ik me inliet met het serialisme, schreef ik óók een Poulenc-achtig `speelstuk' als het Concertino voor twee trompetten. Ik ben nu eenmaal geen dogmaticus. Nee, anti-autoritair – dat is het woord. En wel tot op het bot.''

Luister naar de meesterlijke orkestrale expressiviteit en dramatiek in de Eerste symfonie. Naar de lyrische theatraliteit van de liedcyclus The Light of The Sun. Naar de berustend melancholieke hobosolo aan het begin van Bert Haanstra's Dokter Pulder zaait papavers (1975). Wat klinkt zijn op het eerste gehoor drie totaal verschillende muzikale universa. Op het tweede gehoor blijken de overeenkomsten. De ligging van een akkoord, een muzikale beweging. ,,Het gaat mij om de grote lijn'', zegt Ketting. ,,Muziek moet verband hebben, anders hoeft het van mij niet. Of het nu een filmpartituur is of een symfonie.

,,Natuurlijk, in een `vrij' stuk zit ik niet aan beelden vast, en dat maakt de aard van die verbanden anders. Maar dat betekent totaal niet dat ik in mijn vrije stukken een diepere betekenis aan mijn muziek wil toedichten. Als ik een nieuw stuk ga maken, ben ik uitsluitend met de noten bezig. Dan kán ik niet denken aan politiek of filosofie. Muziek gaat altijd alleen over muziek.''

Er is natuurlijk wel een verband tussen de componist, zijn leven en zijn muziek, erkent Ketting. In Time Machine zegt hij: `Ik denk dat je er als componist niet komt zonder diep te zinken, veel wijven, geldzorgen en een drankprobleem.' Hij knikt. ,,Je ziet gewoon dat vele belangrijke componisten hele stoute mannen waren. Stravinsky bleef als hoogbejaarde de whisky trouw en reisde toen hij wat jonger was rond met twee vrouwen. Benjamin Britten had zijn jongenssopranen. Alban Berg had een buitenechtelijke geliefde, voor wie hij zowel Lulu als de Lyrische Suite schreef. En Aaron Copland deed het met Leonard Bernstein. Ik bedoel maar. Als kunstenaar moet je leven, maar dat is niet waar je muziek over gáát.

,,Muziek komt pas tot leven bij een uitvoering. Het vreemde van bijna al mijn latere stukken is dat ze alleen maar goed of slecht kunnen worden gespeeld. Er is geen tussenweg. Maar de Eerste symfonie geeft veel ruimte tot interpretatie, en klinkt elke keer weer heel anders. Het is een oude liefde die toch mooi is gebleven. Dat is toch prachtig?''

De Eerste symfonie van Otto Ketting door het Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Gerd Albrecht, 9 en 10/3 Concertgebouw, Amsterdam. Res.: 020-6718345.