Bedolven onder de boeken

De twee verhalen die de ronde doen over de dood van Gerard Vossius zijn beide even tekenend. Volgens het ene zou de vermaarde geleerde op 12 maart 1649 in een boekwinkel een zekere Reiter tegen het lijf gelopen zijn. De ontmoeting liep uit op een intellectueel twistgesprek waarbij de 71-jarige Vossius zich dermate opwond, dat hij na thuiskomst op bed moest gaan liggen om na vijf dagen van helse pijnen aan een windroosinfectie te bezwijken.

Volgens het tweede verhaal liep Vossius die infectie op na een ongeluk in zijn bibliotheek. Toen hij een paar boeken van een hoge plank wilde pakken, begaf zijn trappetje het, waarna hij onder enkele van zijn zwaarste boeken werd bedolven. Doordat hij al jaren aan nefritis leed, had Vossius in elk geval een hoge bloeddruk en was hij extra vatbaar voor infectieziekten. Bovendien was zijn gestel door verdriet behoorlijk aangetast: hij had in de voorgaande jaren zeven van zijn acht kinderen verloren.

C.S.M. Rademaker kan in zijn biografie Leven en werk van Gerardus Joannes Vossius (1577-1649) ook geen uitsluitsel geven over de precieze toedracht, daarvoor zijn er te weing bronnen bewaard gebleven. Hij benadrukt dat in beide anekdoten boeken voorkomen, maar de stervensverhalen symboliseren ook twee andere kenmerken van Vossius die al eerder in het boek naar voren zijn gekomen. De Vossius die zich kwaad maakt in de boekwinkel is de rechtlijnige wetenschapper die altijd zijn rug recht hield in theologische disputen. De andere Vossius is een tragischer figuur; de man die sneuvelt onder het gewicht van wat er vóór hem aan boeken werd geschreven is weliswaar een wijze geleerde die door wetenschappers en studenten van heinde en verre om advies wordt gevraagd, een man die alles wist wat er te weten viel en wiens bibliotheek uitgroeide tot de belangrijkste en meest gebruikte in zeventiende-eeuws Amsterdam. Maar hij is óók een ouderwets encyclopedische geleerde, de `hekkensluiter' van de oude humanisten, een van de laatste grote geesten voordat de geschiedenis de wending nam die door Huizinga is beschreven als `die van het omzien naar het vooruitzien'. Al snel na zijn dood raakte `omkijker' Vossius in de vergetelheid. Dat is nooit meer echt goedgekomen.

Dat ligt niet aan biograaf Cor Rademaker, die al veertig jaar zijn uiterste best doet om Vossius onder de aandacht van moderne lezers te brengen en hem met dit boek de eenentwintigste eeuw heeft binnengeleid. Sinds Rademaker als student een opstelwedstrijd won met een essay over Vossius is hij zich steeds met de Vossiusvorsing blijven bezighouden. Hij promoveerde in 1967 op Vossius en publiceerde in 1981 een lijvige Engelstalige studie. Daarvan is de nu verschenen biografie een geactualiseerde Nederlandse versie, inclusief register, bibliografie en een overzicht van de bewaarplaatsen van Vossius' manuscripten. Pas de laatste jaren, zo schrijft Rademaker in zijn inleiding, lijkt de aandacht voor Vossius en zijn tijdgenoten een beetje aan te trekken.

Predikantenzoon

De biografie houdt zich strikt aan de chronologische lijn. Die begint bij de geboorte in maart of april 1577 van de predikantenzoon Gerardus Joannes Vossius in Heidelberg en loopt via een school- en studietijd in respectieveljk Dordrecht en Leiden en een wetenschappelijke loopbaan langs dezelfde route. Hij kreeg de leiding over achtereenvolgens de Dordtse Latijnse School en het Leidse Statencollege: precies de instellingen waar hijzelf zijn opleiding had genoten. Uiteindelijk zou Vossius echter vooral in de stadsgeschiedenis van Amsterdam een belangrijke rol spelen. Daar stichtte hij met zijn vriend en tegenpool, de dichter en latinist Barlaeus in 1632 het Athenaeum Illustre, de voorloper van de Universiteit van Amsterdam.

Amsterdam was een bevrijding voor Vossius, want in zijn Leidse en Dordrechtse jaren had hij wel grote en internationale faam verworven, maar hij had er ook net een akelige periode achter de rug. In Leiden stond hij middenin de ruzies tussen remonstranten en contraremonstranten die elkaar te vuur en te zwaard bestreden over Calvijns predestinatieleer. Vossius heeft zich nooit van harte in de strijd gemengd, zegt Rademaker. Hij was bang voor een kerkscheuring en hechtte sterk aan de vrijheid die hij in zijn theologische publicaties voor zichzelf opeiste. Hoewel hij een verklaard contraremonstrant was, weigerde hij passages die eerder remonstrants leken, uit zijn werk te weren. Dan toonde zich de onvermurwbare Vossius, de man die zich in de boekwinkel zo kon opwinden, overigens stevig gesteund door de encyclopedische kennis van de Vossius van het bibliotheekongeluk.

Uiteindelijk werd Vossius ontslagen als regent van het Leidse Statencollege omdat de autoriteiten meenden dat zijn denkbeelden geen goede invloed hadden op de jonge theologen die daar werden opgeleid. Hij werd benoemd tot hoogleraar retorica en later aangezocht een leerboek Latijn voor de Latijnse scholen te maken. Dat boek zou nog eeuwen gebruikt worden. Vooral in de beschrijving van Vossius' leven als hoogleraar in Amsterdam komt duidelijk naar voren hoe groot de faam van de wetenschapper destijds was. 's Ochtends tussen tien en elf uur gaf hij college en 's middags ontving hij bezoekers of vergaderde hij met stedelijke hoogwaardigheidsbekleders, zodat hij vaak pas laat in de avond kon werken aan zijn publicaties en briefwisselingen.

Plichtsbesef

Dat is de werkweek van een man met een groot plichtsbesef, en die toewijding spreekt uit de hele biografie. Als kind al repeteerde Vossius voor het slapengaan alle kennis die hij in de loop van de dag had opgedaan. Al haalde hij zich door dat plichtsbesef ook weleens het verwijt van weekhartigheid op de hals. In het dagelijks leven was hij minder onvermurwbaar dan in filosofische zaken.

Dat Vossius doorgaans wel vriendelijk was, maar nooit echt frivool, kan ook te maken hebben met de ellende die hem in zijn privé-leven overkwam. Vossius werd in de loop der jaren door een ook voor die tijd ongekende hoeveelheid rampspoed getroffen: op zijn zevende stierf zijn moeder en hertrouwde zijn vader. Een jaar later stierf de vader en krap tien jaar daarna overleden zijn stiefmoeder en zijn zusje Maria. Vossius' eigen gezin ging het nauwelijks beter. Zijn eerste vrouw Elisabeth van den Corput overleed kort na de geboorte van het derde kind. De eerste twee kinderen waren toen al dood. Zijn tweede echtgenote Elisabeth Junius (een toegewijde maar soms wat lastige echtgenote, volgens de biograaf) zou langer leven dan Vossius zelf, maar het paar moest toezien hoe van de acht kinderen die niet in hun eerste levensjaren stierven, er slechts één, zoon Isaac, zijn ouders overleefde. De meesten overleden aan verschillende ziekten, dochter Cornelia zakte tijdens een reis per slee naar Leiden door het ijs en overleed. In dezelfde periode verdronk zijn collega, vriend en buurman Barlaeus in een waterput.

Die tragiek weet Rademaker met behulp van enkele effectieve citaten mooi voor het voetlicht te brengen, zoals hij ook duidelijk weet te maken – vooral door aan te geven hoezeer Vossius door zijn tijdgenoten werd bewonderd – dat de hoofdpersoon van zijn verhaal beter verdient dan de vrijwel vergeten toestand waarin zijn nagedachtenis nu verkeert. Nog steeds liggen grote delen van zijn nalatenschap op onderzoekers te wachten.

In de verwerking van de grote hoeveelheid in het Latijn geschreven materiaal over Vossius ligt een van de grootste verdiensten van Rademaker als biograaf. Bovendien weet hij ondanks het weinige beschikbare materiaal een beeld van zijn persoonlijkheid te schetsen: rekkelijk in praktische zaken, precies in het theologisch dispuut. Toch lijdt het boek enigszins aan de kwalen waaraan ook het werk van Vossius voor latere generaties leed: de biografie is erg encyclopedisch en weinig virtuoos. In de stijl, maar ook in de wijze waarop de biograaf zijn onderwerp tegemoet treedt. Waar het gaat om de belangrijke beslissingen in Vossius' leven geeft hij wel adequaat aan wat Vossius er zelf over te berde bracht en wat anderen er zoal over meenden, maar hij waagt zich niet aan hypothesen. Was Vossius vooral begaan met de kerkvrede of wilde hij in de eerste plaats met rust gelaten worden? Werd hij eerder gedreven door plichtsbesef of door ambitie? Stond zijn werk als onderwijzer voorop of dat als onderzoeker?

Als Rademaker zich bij dergelijke vragen wat minder terughoudend had opgesteld, dan had hij de herinnering van Vossius echt een vliegende start in de eenentwintigste eeuw kunnen geven.

C.S.M. Rademaker ss.cc.: Leven en werk van Gerardus Joannes Vossius (1577-1649), Verloren, 384 blz. ƒ60,-