Zaak heeft vele juridische en politieke staartjes 1

Pinochet gaat toch terug naar Chili op medische indicatie. Maar dat gebeurde pas na een unieke juridische strijd om zijn medisch dossier die tot het laatst de spanning erin heeft gehouden. Dat is tekenend voor deze hele uitleveringszaak, die werd aangezwengeld door een eigenzinnige Spaanse onderzoeksrechter, Garzón, gevolgd door collega's uit België, Frankrijk en Zwitserland. Nog niet eerder is een voormalig staatshoofd zo aangepakt.

Daarom is het van belang nog even stil te staan bij dat medisch rapport over Pinochet. Dit behoort tot de sfeer van de privacy (persoonlijke levenssfeer), een internationaal beschermd grondrecht. Medische gegevens gelden als een ,,gevoelige'' categorie die extra juridische bescherming verdient. Typisch een reden om de deuren te sluiten in een rechtszaak. En het ging hier niet om een gewone strafrechtsprocedure, waarin de procederende partijen in beginsel gelijkwaardig zijn, maar om een uitleveringszaak. Daarin staat de beslissing van de aangezochte regering centraal (en niet de rechter) en gaat het niet louter om rechtsvragen maar ook om staatsbelang.

Toch hadden de voorstanders van uitlevering een punt. Een grondregel van een eerlijke procedure is dat geen beslissing kan worden genomen op grond van informatie die slechts bekend is aan een enkele partij.

Dat betekent dus dat de verdediging die zich - zoals in het geval van Pinochet - beroept op medische bezwaren deze moet bekendmaken aan de tegenpartij (in dit geval de Spaanse onderzoeksrechter Garzón en zijn collega's) of er anders van moet afzien. De rechter kan wel verbieden dat de informatie naar buiten komt. Er bestaat met andere woorden een verschil tussen de interne openbaarheid van een proces (tussen de partijen) en de externe openbaarheid naar het brede publiek.

In het geval van een uitleveringsverzoek komt daar een complicatie bij, het diplomatieke aspect van de procedure. In het diplomatiek verkeer geldt het vereiste van interne openbaarheid niet. Laat staan externe openbaarheid. Het internationale verdrag tegen folter waarop de verzoeken van de vier landen tot uitlevering van Pinochet zijn gebaseerd, verplicht de aangesloten staten elkaar naar vermogen bij te staan. Maar dat slaat vooral op het overleggen van eventueel bewijsmateriaal tegen folteraars. Dit betekent nog niet dat de Britse regering verplicht was Spanje c.s. inspraak te geven bij haar beslissing om al dan niet uit te leveren.

De grote moeilijkheid is dat het begrip ,,medische indicatie'' de nodige ruimte laat. Dat wordt geïllustreerd door de discussies over een wettelijke regeling van de abortus, waar strikt medische elementen vrijwel niet te isoleren blijken van sociale indicaties.

Dat geldt mutatis mutandis ook voor de geschiktheid van een verdachte terecht te staan. En juist in uitleveringsprocedures ligt de beleidsruimte – de zogeheten hardheidsclausule – niet bij de rechter maar bij de minister die uiteindelijk moet beslissen. Er is natuurlijk parlementaire controle. Maar ook daarin is het niet gebruikelijk in het openbaar medische dossiers van individuele personen te bespreken.

Straw is – aangespoord door de Britse rechter – eigenlijk dus al ver gegaan in zijn openheid. Er stond dan ook heel wat op het spel. Na de Britse beslissing is de kans dat Pinochet in zijn vaderland terecht zal staan vrijwel tot nul gereduceerd. Als het zijn gezondheidstoestand niet is dan is het wel zijn immuniteit als senator voor het leven. Dat is onbevredigend, maar de juridische winst van de Britse episode dient niet te worden onderschat. Er is een naar het zich laat aanzien defintieve bres geslagen in de internationale immuniteit van ex-staatshoofden. Deze is nauw verbonden met de volkenrechtelijke beginselen van nationale soevereiniteit en niet-inmenging van staten in elkaars aangelegenheden.

Dat deze hoge beginselen geen dekmantel mogen zijn voor marteling en verdwijningen lijkt nogal vanzelfsprekend. Toch vormt het soevereiniteitsbeginsel historisch gezien de hoeksteen van het internationale recht. Dit beginsel geldt echter alleen voorzover het zich verdraagt met de internationale rechtsorde, betoogde de nieuwe directeur van het centrum en de onderzoeksschool voor de rechten van de mens aan de Universiteit Utrecht, prof. Cees Flinterman, onlangs in zijn intreerede. Anderen zeggen dat het ooit zo absolute soevereiniteisbeginsel tegenwoordig slechts ,,een stippellijn'' is.

De zogeheten ,,staatspraktijk'' ligt naar valt te vrezen iets ingewikkelder, ook al hebben de internationale rechten van de mens na de Tweede Wereldoorlog een tot dan toe ongekende vorm gekregen. Het valt inmiddels nauwelijks te betwisten dat ernstige schending van dit soort rechten geen puur interne aangelegenheid is. Aan krachtige verklaringen geen gebrek, maar er ontbreekt het nodige aan een politie en een rechter. Praktisch gesproken komt men daarvoor telkens toch weer terecht bij de soevereine staten, die ook de leden leveren van de internationale ,,wetgevende macht'' die de traktaten voor de rechten van de mens opstelt.

De relatie tussen soevereiniteit en de internationale rechtsorde is, in de typering van de Britse rechtsgeleerde Shaw, ,,een bijzonder hybride plant''. Dit gewas heeft nog steeds een stevige wortel in het oude beginsel par in parem non habet imperium (gelijken hebben niets over elkaar te zeggen).

Dit beginsel heeft sinds de Vrede van Munster, die niet voor niets onlangs plechtig werd herdacht, een niet te verwaarlozen vredebewarende functie. Deze functie behoort óók tot de internationale rechtsorde.

Tekenend is dat lange tijd slechts enkele delicten – zoals kaapvaart en valsemunterij – waren aan te wijzen waar de belangen van de staten zo parallel liepen dat hier geen enkele onderlinge voorrangsregel voor berechting gold. Iedere staat kon zijn gang gaan. Daar is sinds de oorlog een lange rij internationale misdrijven bij gekomen, maar vooralsnog overwegend op papier.

De betekenis van de zaak-Pinochet is dat de geest van de universele jurisdictie nu echt uit de fles is, zoals een jurist van Amnesty International opmerkte.

De afloop doet daaraan weinig af, al was het alleen omdat het doorzetten van de berechting ook niet veel anders dan een symbolische betekenis zou hebben gehad: too little, too late. Als Pinochet wel naar Spanje zou zijn uitgewezen dan is het onwaarschijnlijk dat, alleen al wegens de afstand in tijd en plaats, zijn aandeel in de Chileense terreur in volle omvang zou kunnen worden blootgelegd en beoordeeld.

En zelfs dan nog: zou de inmiddels nóg meer afgetakelde ex-dictator een eventuele straf geheel hebben moeten uitzitten?