Veertig gulden bij een overwinning

Bennie Muller speelde tussen 1958 en 1970 voor Ajax 426 wedstrijden. Maar de voormalige middenvelder voelt zich niet meer thuis bij zijn oude liefde.

TIJDENS DE BIJEENKOMSTEN van Lucky Ajax wordt dit seizoen meer gemopperd dan ooit. Bennie Muller (61) bezoekt de besloten sociëteit voor oud-profvoetballers nog regelmatig en dan wint de nostalgie het altijd van de affiniteit met de huidige club. Honderd jaar Ajax, dat is voor de sierlijke middenvelder van weleer mijmeren over ,,echte clubmensen van vroeger als voorzitter Marius Koolhaas, die bij Ajax als een koning op de tribune zat''. In dat rijtje van Muller staat ook trainer Jack Reynolds. ,,Een man tegen wie ik enorm opzag.'' En een oer-Ajacied als Wim Schoevaert. ,,Die zit al 70 jaar bij de club. Zij belichamen voor mij de traditie bij Ajax.''

Die traditie herkent Muller niet meer als hij de ArenA betreedt. ,,Dan heb ik niet het gevoel dat ik een voetbalwedstrijd bezoek'', zegt Muller. ,,Voor mij is Ajax Ajax niet meer sinds de club het oude stadion De Meer heeft verlaten. Bij Ajax is het voetbal tegenwoordig ondergeschikt aan de commercie en het trieste is dat veel toeschouwers ook niet meer komen voor het voetbal. Ik heb in de ArenA diverse keren in een skybox gezeten, daar wordt amper naar het voetbal gekeken. Tot ver na het laatste fluitsignaal zitten de mensen daar te eten en te drinken. Nee, mijn wereld is het niet. Echt vermaken doe ik me bij Ajax niet meer.

,,Ik ga liever naar een amateurclub als AFC. Daar is het nog gezellig. Het professionalisme in het voetbal is volledig doorgeschoten. Ik mis bij Ajax de warmte en de menselijkheid, die ik vroeger bij die club wel heb ervaren. Het is allemaal zo koel en zo zakelijk. Het is toch belachelijk dat je voor elke deur die je opent een kaart moet hebben? Ik werd onlangs bij Ajax nog tegengehouden door zo'n suppoost in een uniform. Nee, van Bennie Muller had hij nog nooit gehoord.'' Zoon Danny, prof bij Cambuur Leeuwarden: ,,Terwijl mijn vader meer dan 400 wedstrijden in het eerste elftal van Ajax heeft gespeeld. Zo gaan ze dus met oud-spelers om.''

Muller sr.: ,,Maar volgens mij voelt Ajax zich zelf ook niet thuis in de ArenA. De club had beter in het Olympisch Stadion kunnen gaan zitten. Daar was Ajax tenminste baas in eigen huis geweest. Laatst ontmoette ik in de bestuurskamer van de ArenA diverse oud-leden en ereleden. Die mensen zaten daar niet op hun gemak, ze hadden hun winterjassen nog aan. Wie gaat nog voor zijn lol naar Ajax? De lege plekken in de ArenA zeggen genoeg. Ik merk het in mijn sigarenzaak aan de kaartverkoop. Nog geen twee jaar geleden moest ik bij wijze van spreken mijn eigen clubcard nog uitlenen. Nu blijven duizenden mensen weg en moet ik aan een nietsvermoedende toerist uitleggen dat ik hem zonder pasje geen kaart kan verkopen. Maar daar trekt Ajax zich niks van aan. De supporter is niet belangrijk meer.''

Lang kan het niet meer goed gaan, veronderstelt Muller. ,,Ik ben bang dat het voetbal dezelfde kant opgaat als het wielrennen, waar de commercie al bepaalt welke renner moet winnen. Ik vind algemeen-directeur Frank Kales een prima man. Maar ruikt hij het voetbal ook? Hij blijft een vreemde eend in de bijt. Het bestuur van Ajax zou de navelstreng moeten zijn met de voetbalclub Ajax. Maar in de huidige, beursgenoteerde onderneming zijn de klassieke bestuursleden in feite overbodig geworden. Je ziet hoe het voorzitter Karel Aalbers is vergaan bij Vitesse. Zo gaat een club als Ajax met een geschiedenis van honderd jaar naar de knoppen.''

Niet alleen door de bedrijfsmatige aanpak van Ajax hangt volgens Muller een bijna macabere sfeer in de ArenA. Voor de UEFA Cup-wedstrijden tegen Hapoel Haifa uit Israel beklaagde de joodse oud-prof zich over de spreekkoren van de supporters van de F-side, die zich zo graag als `superjoden' afficheren. ,,Ik erger me daar kapot aan'', zegt Muller. ,,Ik weet dat veel mensen daarom wegblijven uit de ArenA. Maar moet ik voorzitter Van Praag daarop aanspreken? Als ik een afspraak met hem wil maken, ben ik waarschijnlijk de nummer 120 in zijn agenda. Ik vind dat geschreeuw van de F-side een gruwel. Ik ben wel eens weggelopen, omdat ik dat `joden, joden' niet meer kon aanhoren. Daar heb ik nu genoeg over gezegd, het is niet aan mij daar verandering in aan te brengen.''

De ironie wil dat Muller als voetballer een van de eerste slachtoffers was van de nieuwe zakelijkheid bij Ajax. Nadat de Amsterdammers in de Europa Cup 1-finale van 1969 een pak slaag (4-1) kregen van AC Milan besloot de toenmalige coach Rinus Michels het elftal te verjongen en nog verder te professionaliseren. Muller moest in 1970 wijken voor aanstormende talenten als Johan Neeskens en Arie Haan. Het gedwongen afscheid van zijn club stemt hem nog altijd bitter. ,,Ik heb als profvoetballer de slag gemist'', constateert hij in de keuken achter zijn Amsterdamse sigarenzaak. ,,Hoewel ik tien jaar in het Nederlands elftal heb gespeeld en dertien seizoenen bij Ajax, verdiende ik 48.000 gulden bruto per seizoen.

,,Een jaar na mijn vertrek bij Ajax kreeg een reserve als doelman Heinz Stuy al 150.000 gulden bruto, omdat Johan Cruijff zich namens de selectie sterk had gemaakt voor betere salarissen. Ik werd zonder pardon afgedankt. Michels zal wel gelijk hebben gehad, want daarna begon de grote bloeiperiode bij Ajax. Maar ik kreeg het gevoel dat ik als een zak vuil buiten de deur werd gezet. Dat noemden ze bij Ajax toen al professioneel. Het ergste vond ik dat het bestuur aan Holland Sport nog een transfersom van 100.000 gulden vroeg voor een speler, die altijd onderbetaald is geweest. Dat zal ik nooit vergeten.''

Met een vleugje sarcasme vertelt Muller dat Ajax uiteindelijk niet meer dan 15.000 gulden voor hem heeft ontvangen. ,,Het bestuur had me te laat een aanbieding gedaan. Ze stuurden nog een telegram naar Holland Sport. Dat kwam om kwart over twaalf binnen, een kwartier na het sluiten van de transfermarkt. Toen mocht Ajax nog blij zijn met die 15.000 piek. Daarvan heb ik tweeënhalf procent gekregen, dat was mijn klapper. Toch ben ik altijd Ajacied gebleven. Ik debuteerde in 1958 in het eerste elftal, toen was Ajax in feite nog een amateurclub. We kregen veertig gulden voor een overwinning, de helft voor een gelijkspel en een tientje bij een nederlaag. Voor het volgen van een training ontving ik vijf gulden. Ach, het voetbal was nog zo gemoedelijk in die tijd.''

Lachend herinnert Muller zich nog dat hij als kind een intuïtieve afkeer had van Ajax. ,,Onder dwang van mijn vader heb ik als jochie van zeven jaar oud het overschrijvingsformulier getekend'', zegt hij. ,,Ik wilde niet naar die kapsonesclub, want zo stond Ajax in die tijd bekend. Ik speelde in Duivendrecht bij een klein cluppie, we waren allemaal stinkend jaloers op de spelers van Ajax in hun mooie trainingspakken. Vergeet ook niet dat in mijn tijd bijna alleen maar Amsterdammers bij Ajax speelden. We waren zelfbewust en we weerspiegelden het karakter van de stad. Nu moet je als profvoetballer vijf talen spreken om je teamgenoten te kunnen verstaan.''

Maar Ajax stond ook voor aanvallend en creatief voetbal en somber constateert Muller dat de 100-jarige zijn identiteit dreigt te verliezen. ,,Ajax speelt tegenwoordig met twee spitsen, in de bekerwedstrijd tegen Roda JC had Wouters er maar één opgesteld. Dat was nog niet zo lang geleden vloeken in de kerk, maar het resultaat is nu belangrijker dan het keurmerk van de club. Hier gaat Ajax spijt van krijgen. Volgens mij beseffen bestuursleden als Van Praag en Henrichs ook wel dat het op deze manier fout gaat met Ajax. Maar ze zitten in een trein die de verkeerde kant oprijdt.''

BENNIE MULLER