Trou moet blijcken

Mijn moeder is mijn naam vergeten...

Mijn moeder is mijn naam vergeten,

mijn kind weet nog niet hoe ik heet.

hoe moet ik mij geborgen weten?

Noem mij, bevestig mijn bestaan,

laat mijn naam zijn als een keten.

Noem mij, noem mij, spreek mij aan,

o, noem mij bij mijn diepste naam.

Voor wie ik liefheb, wil ik heten.

Neeltje Maria Min (geb. 1944)

Ook dit gedicht behoort tot de onlangs gekozen `favoriete gedichten van Nederland'. Het staat zelfs bij de eerste tien, samen met Herinnering aan Holland, De moeder de vrouw (`Ik ging naar Bommel om de brug te zien'), De tuinman en de dood en Bloems Dapperstraat. Je zou het dus beter een legendarisch gedicht kunnen noemen. `Voor wie ik liefheb, wil ik zweten', hoor je wel eens, en `voor wie ik liefheb, laat ik scheten, en `van wie ik sief heb, wil ik niet weten' allemaal hoogst ordinaire verbasteringen, die intussen veelzeggend zijn voor de populariteit van het vers.

Het verscheen in 1966 in een bundel met de titel Voor wie ik liefheb wil ik heten (zonder komma) en die bundel was onmiddellijk een succes. Niemand herinnerde zich ooit een poëziebundel op de bestsellerlijst te hebben meegemaakt en nu was het zover. Herdruk op herdruk volgde. Neeltje Maria Min was op ieders lip.

Een tijdlang leek het of de dichteres onder het succes was bezweken. Als je als wonderkind bent binnengehaald wordt het moeilijk jezelf nog eens te bewijzen, kun je jezelf niet eens meer bewijzen. Toch schreef Neeltje Maria Min naderhand nog een paar mooie gedichten. Spaarzaam en zorgvuldig word je van zo'n aanvankelijk succes wel, dat viel te verwachten.

Waarom sprak dit openingsgedicht van de bundel zo aan? Misschien door het dwingende karakter. Het is kort, het bevat geen typisch dichterlijke woorden (en maar één bijvoeglijk naamwoord), het is bezwerend en het is voor een groot deel gesteld in de gebiedende wijs. Een soort toverspreuk. Je kunt het scanderen als een liedje om iemand in slaap te wiegen, maar tegelijk komt het uit een bron van louter radeloosheid en opstandigheid. Een stampvoetend wiegenlied.

Technisch is het doorzichtig genoeg. Niet meer dan twee rijmwoorden, de herhalingen van mijn, mij en noem, de zwijgende eenlettergrepige meerderheid, een kind kan de was doen. Op die manier moet je stampvoeten, op die manier moet je dwingen. Maar het gedicht zit ook verder heel gezwaluwstaart in elkaar. In de eerste strofe hebben we die naamloze als schakel tussen moeder en kind, in de tweede strofe komt het verlangen naar een naam `als een keten' terug. In de eerste strofe ontdekt de dichteres het probleem van de geborgenheid, in de tweede strofe is er de wil tot geborgenheid. Haar diepste naam is haar verborgen naam, we horen hier de echo van geborgen. De eerste strofe eindigt met een vraagteken, de tweede met een uitroepteken want zo mogen we de o! aan het begin van de regel toch wel noemen.

Die gebiedende wijs is waarschijnlijk de hoofdoorzaak van de populariteit van het gedicht. Poëzielezers hebben iets met de gebiedende wijs. De dichter als iemand die compromisloos is

Zeven maal om de aarde te gaan,

als het zou moeten op handen en voeten

en

Kom vanavond met verhalen

hoe de oorlog is verdwenen,

en herhaal ze honderd malen

om maar twee voorbeelden te noemen, van Ida Gerhardt en Leo Vroman, uit de gedichten die eveneens in de toptien figureren. De dichter incanteert, de dichter wekt schimmen op uit het dodenrijk.

In Mijn moeder is mijn naam vergeten... wekt een dichteres zichzelf tot leven. Het was een tweeëntwintigjarige die dit gedicht publiceerde. Ze is nog een kind, zegt ons de eerste regel. Ze is al een jonge moeder, luidt het in de tweede. Kortom, de schreeuw van iemand die naakt en verloren is, op zoek naar houvast, herkenning, erkenning. Op zoek naar een beeld dat haar weerkaatst. Ze is een hopeloze anonieme flodder die naar een warme plek verlangt in de eeuwige wisseling der dingen, ze is betekenisloos en wil een zinvolle schakel worden tussen de geslachten. Hier zien we iemand, zoals we het nu zouden noemen, op zoek naar haar identiteit.

Dat is nog geen excuus voor poëzielezers om zich daar zelf meteen in te herkennen. Op zoek naar identiteit zijn we allemaal, keizer, koning, admiraal. Wat de lezer gevloerd zal hebben moet het absolute karakter van haar identiteitsverlangen zijn geweest. Ze zoekt niet, ze eist.

Verscheur mijn beeld, vergeet mijn naam

al even gebiedend eindigt Tollens, uitgerekend Tollens, in de negentiende eeuw een albumversje. Ook voor hem waren naam en liefde identiek.

Het lijkt allemaal duidelijk. Maar in de poëzie overleeft niets als het om wegwerpduidelijkheid gaat. Mijn moeder is mijn naam vergeten... laat ons ook met een intrigerende vraag achter. Heeft de dichteres het in de slotregel over een minnaar of minnares, over de Ene die vooralsnog als Grote Onbekende in de coulissen staat? Is ze in afwachting van het moment waarop de ik en de voor wie ik liefheb elkaar zullen verlossen? Erotische tinteling, hoopvolle verwachting? 't Is wat je een tweeëntwintigjarig meisje graag zou toedichten. Maar de regels zouden evengoed van begin tot eind tot haar moeder en haar kind gericht kunnen zijn. Ze wenst haar demente moeder opnieuw de gave van de herkenning toe, ze verlangt naar het allereerste woord van haar kind. `Moeder'. Moeder en kind zijn de enigsten op aarde voor wie ze wil bestaan. Ze wil zelf alleen bestaan als moeder en kind.

Is de slotregel verruimend of juist beperkend?

Er moet iets te raden overblijven. Pas dan valt een gedicht nooit plat.

In Nederlandse literatuur 1960-1988 heeft Jaap Goedegebuure het terloops over `het wonder- en zondagskind Neeltje Maria Min, die in 1966 een onverbiddelijke bestseller had met Voor wie ik liefheb wil ik heten.' Ook in Aan de mond van al die rivieren. Een geschiedenis van de Nederlandse poëzie sinds 1945 van Redbad Fokkema wordt ze zuinigjes één keer genoemd, en dan nog in verband met een ander. Toch schreef ze dit legendarische gedicht.

Soms vraag je je af wat ze in de literatuurgeschiedenis bedoelen met geschiedenissen. Staat daarin wat er geschied is, of wat de auteurs denken dat er geschied had moeten zijn? Eén keer raden is in dit geval genoeg.