`Raad geen opvoedkundige allesweter'

De Raad voor de Kinderbescherming wil ouders `pedagogische handreikingen' geven.

Als kinderen thuis niet ontbijten, richt de overheid in achterstandswijken een `brede school' in, waar ze helemaal verzorgd worden, of een `vensterschool', waar hun ouders opvoedingscursussen kunnen krijgen. Als kinderen van huis uit niet genoeg Nederlandse woorden leren, dan vindt staatssecretaris Adelmund dat ze met twee jaar naar de crèche moeten en taallessen volgen. En gisteren werd bekend dat de Raad voor de Kinderbescherming een `pedagogische ambassadeursfunctie' nastreeft.

Werpt de Nederlandse overheid haar schroom af om te treden in wat ooit gezinsaangelegenheden waren? Ja, zegt prof.dr. J. Hermanns, opvoedkundige aan de universiteit van Amsterdam. En hij vindt dat een goede ontwikkeling, al kunnen niet alle initiatieven zijn goedkeuring wegdragen. Taallessen aan jonge kinderen, zijn volgens hem ,,bewezen niet effectief''.

De aankondiging van de Raad voor de Kinderbescherming beoordeelt Hermanns positiever. ,,Er gebeurt heel wat voordat mensen ingrijpen of melding maken. Als de Raad er ten slotte aan te pas komt, ziet hij zich voor een crisissituatie geplaatst, waar hij alleen nog maar fors kan ingrijpen. En daar komt dan weer kritiek op – soms terecht, vaak onterecht. Het zou goed zijn als de Raad kon voorkomen dat zulke situaties ontstaan.'' Maar dan wel door zijn kennis ter beschikking te stellen aan bestaande preventie-projecten, want ,,iedere willekeurige stad heeft er al tientallen''. Geen kantoor van de Raad, alsjeblieft niet.

Dat is ook niet de bedoeling, aldus coördinator beleidszaken R. de Jonge van het hoofdkantoor van de Raad. Hij wil niet als een opvoedkundige allesweter aanschuiven aan de gezinstafel, wel ouders met problemen `pedagogische handreikingen' geven. ,,De pedagogische pretentie is fundamenteel bij ons aanwezig'', zegt De Jonge. ,,De maatschappelijke discussie bepaalt hoever wij daarin mogen gaan. Wat vindt de samenleving waar onze kinderen op mogen rekenen?''

De Raad gaat op basis van analyses van zijn dossiers risicogroepen identificeren. Welke kinderen komen het meest met de Raad in aanraking? En hoe kan worden voorkomen dat het zover komt? Met die, niet op individuele kinderen terug te voeren informatie gaat de Raad instellingen adviseren die veel met kinderen in aanraking komen, zoals artsen of scholen.

De praktijk, zegt De Jonge, kan er uitzien als het volgende voorbeeld, uit een noordelijke regio van de Raad. ,,Daar kregen we veel meldingen die allemaal afkomstig bleken te zijn van leerlingen van één school. Die fungeerde als centrum van criminaliteit. Wij hebben op die school gevraagd: realiseren jullie je dat wel? Er is toen een discussie ontstaan, waarbij de politie samen met de Raad en de onderwijsgevenden sprak in de klas. `Jullie kunnen flink zijn door mee te doen met rotstreken maar je kunt ook flink zijn door nee te zeggen.' ''

Hermanns noemt het een ,,glijdende schaal van bestrijding van misbruik en mishandeling naar opvoedingsondersteuning. De Raad zou zich vooral moeten richten op risico-trajecten van kinderen. Waar begint het echt mis te gaan?'' Algemene opvoedingsondersteuning hoort volgens hem niet tot het deskundigheid van de Raad.

Ook bij de aanduiding van risicogroepen zet Hermans vraagtekens. Volgens hem blijkt uit onderzoek dat als preventie wordt gericht op risicogroepen, dat dan driekwart van de gezinnen die tot een risicocategorie worden gerekend, nooit opvoedingsproblemen kent, laat staan misbruik of mishandeling. Het aanwijzen van een risicogroep kan volgens hem onnodig stigmatiserend zijn.