Moment

,,'t Is het moment dat blijft, de eeuwigheid is wat vergaat.'' Deze schijnbaar paradoxale versregel van Jan Eykelboom, die een grote waarheid bevat, en die de onlangs overleden Rob Nieuwenhuys als motto koos voor het laatste deel van zijn drie prachtige fotoboeken Tempo Doeloe, zou kunnen slaan op het fotografische geheugen dat mij dikwijls wordt toegeschreven.

Zelf zou ik dit geheugen kunnen vergelijken met een album waarin ik zowel de belangrijke als de ogenschijnlijk onbelangrijke gebeurtenissen bewaar die ik onbewust met een denkbeeldig fototoestel heb opgenomen. Ik kan er, om zo te zeggen, naar willekeur in bladeren en terugvinden wat ik gedurende mijn lange leven voor vergetelheid heb behoed. Vooral de beelden uit mijn vroegste kinderjaren keren als heldere close-ups op de meest onverwachte momenten terug — momenten die er niets mee te maken hebben, althans voorzover ik kan nagaan.

Zoals dat beeld van mijzelf als ongeveer vierjarige. Ik weet dat ik zo oud was aan de hand van een foto die destijds van mijn vader en moeder en mij door een strandfotograaf is gemaakt tijdens ons veertiendaags verblijf in Scheveningen. Mijn ouders, die variétéartiesten waren, werkten daar een paar weken in een theater of cabaret en logeerden in een zogenaamd artiestenpension — verreweg de goedkoopste manier als ze buiten hun woonplaats Rotterdam een paar keer per dag en avond moesten optreden.

Het pension moet in een zonloze en hellende straat hebben gelegen, want als we naar het strand gingen was het er kil en de weg liep vrij steil omhoog naar de boulevard. Niet het strand of de zee, die nieuw voor mij moeten zijn geweest omdat we nog nooit met vakantie waren gegaan, maar die ene bewuste avond in dat pension heeft een vreemde, onuitwisbare herinnering bij mij achtergelaten. Wanneer ik eraan terugdenk, lig ik in een kinderbed, met mijn gezicht naar een raam gekeerd, en word plotseling wakker. Voor mij, bij het voeteneind, staat tegen de nog lichte achtergrond van de zomeravond een oude man met een lange, grijze baard en een soort kalotje of mutsje op zijn hoofd over mij heen gebogen. Waarschijnlijk, maar het kan net zo goed iemand anders zijn geweest, was het de eigenaar van het pension, aan wie mijn ouders, naar ik aanneem, hadden gevraagd tijdens hun afwezigheid af en toe naar mij te gaan kijken. Waarom ik opeens wakker werd zal ik nooit weten, en ook niet waarom ik die schrik voelde waarmee het gepaard ging, en die ik nog steeds voel wanneer het beeld zich aan mij voordoet. Was hij inderdaad op verzoek van mijn ouders alleen maar naar mij komen kijken, of had hij misschien een losgewoelde deken over mij heen gelegd — of had hij mij, zoals ik me veel later heb afgevraagd, aangeraakt, waardoor ik wakker was geschrokken?

Ik ben nooit op de gedachte gekomen het aan mijn ouders te vertellen; ik heb er trouwens niet bij stilgestaan, omdat ik het niet belangrijk vond. Pas veel later, toen zij er niet meer waren om hun te vragen of ze zich in die tijd van ons verblijf in Scheveningen een oude man met een baard en een mutsje op zijn hoofd herinnerden, heb ik mij beziggehouden met de vraag waarom dat beeld zo'n indruk op me heeft gemaakt en waarom dit moment me tachtig jaar lang is bijgebleven.

Een geluidscassette waarop dit verhaal (en drie andere) door de auteur wordt voorgelezen, is verkrijgbaar bij de VPRO-radio. Te bestellen door storting van ƒ12,50, giro 444600 t.n.v. VPRO, Hilversum o.v.v. Tonny van der Horst.