Het bestaan van de nieuwe economie is nog niet bewezen

Als gevolg van informatisering en globalisering is de structuur van de Westerse economieën sterk aan het veranderen. Volgens sommigen betekent dit dat oude economische verbanden plaatsmaken voor nieuwe regels en dat schaarste in grote delen van de economie tot het verleden behoort. Die visie noodt tot kritiek, vindt Armijn Eikelboom.

Het uit de Verenigde Staten overgewaaide begrip `nieuwe economie' is ook in Nederland aardig ingeburgerd. Daaronder wordt een economie verstaan met een langdurige combinatie van hoge economische groei en een gematigde inflatie. In de `oude' economie geldt dat zo'n combinatie slechts enkele jaren houdbaar is. Door een aanhoudend sterke groei loopt de productiecapaciteit immers vol en daalt de werkloosheid. De spanningen die dit met zich mee brengt uiten zich vroeg of laat in een oplopende inflatie. Om dat gevaar in te dammen verhogen centrale banken de officiële rente, wat de bestedingen afremt en de economische groei afzwakt.

De Amerikaanse economie bevindt zich nu in de langste periode van hoogconjunctuur uit haar geschiedenis: ruim acht jaar. Omdat dit volgens sommigen niet met de bestaande theorieën is te verklaren, zoeken economen naar een alternatieve uitleg voor dit wonderlijke fenomeen. De nieuwe economen wijzen daarbij op globalisering en informatisering.

De eerstgenoemde trend betekent dat grotere internationale concurrentie (globalisering) bedrijven heeft gedwongen hun kosten te verlagen, waardoor de inflatie is gedrukt. De investeringen in ICT (informatie- en communicatietechnologie) hebben de globalisering sterk opgevoerd. Daarnaast zorgden de uit de ICT voortvloeiende arbeidsbesparing en de steeds lagere prijzen van ICT-producten voor inflatiedemping.

De tweede trend die de nieuwe economen als verklaring gebruiken voor de situatie in de VS is het toenemende belang van de immateriële goederen. Te denken valt daarbij aan computerprogramma's en kennis. Het kenmerk van deze goederen is, in tegenstelling tot dat van materiële goederen, dat ze oneindig vaak reproduceerbaar (kopieerbaar) zijn zonder dat dit tot noemenswaardige meerkosten leidt. Dezelfde kennis of informatie kan aan honderd, maar tegen vrijwel dezelfde kosten ook aan duizend mensen worden doorgegeven. Extra groei leidt in dit verband niet tot een acceleratie van de inflatie. Omdat de immateriële goederen in belang toenemen zal in de nieuwe economie het verband tussen hoge groei en oplopende inflatie minder sterk zijn.

Het is niet te ontkennen dat de vergaande globalisering en de toenemende concurrentie de inflatie hebben gedrukt. Dit is een trend die al is ingezet in de jaren tachtig. Ook is het aantal immateriële goederen gegroeid en heeft de informatisering de laatste jaren sterk aan belang gewonnen. De groei van de Amerikaanse economie wordt momenteel voor zo'n dertig procent bepaald door de ICT-sector. Zonder twijfel is de structuur van de economie de laatste jaren dus sterk aan het veranderen. Maar daarmee is het bestaan van de nieuwe economie niet bewezen.

Voor het feit dat de Amerikaanse economie de langste bloeiperiode uit haar geschiedenis kent, zijn ook andere oorzaken te geven die weinig van doen hebben met globalisering en informatisering. Zo leidde de financiële crisis in Azië tot een groeivertraging van de wereldeconomie, waardoor de uitvoer van de VS stagneerde en de invoer juist sterk toenam. Dit beperkte de inflatierisico's. Daarnaast hebben overheidsmaatregelen in de jaren tachtig de weg al vrijgemaakt voor een flexibelere arbeidsmarkt. Mede daardoor is het natuurlijke niveau van de werkloosheid lager komen te liggen, komen knelpunten minder snel in zicht en duurt het derhalve langer voordat een dalende werkloosheid tot stijgende lonen leidt.

Critici van de nieuwe economie merken verder vaak op dat de sterke stijging van de productiviteit (een belangrijk verschijnsel van de nieuwe economie) slechts gedragen wordt door de (nog) kleine ICT-sector. In de rest van de economie zou de productiviteit slechts mondjesmaat toenemen.

Een fundamenteel punt blijft dat door de opkomst van meer immateriële goederen, de grenzen van de productiecapaciteit niet verdwijnen. Zo is het Internet `slechts' een distributiekanaal waarlangs producten worden verkocht. De vergelijkbaarheid tussen producten wordt weliswaar vergroot en de prijzen verlaagd, maar achter het Internet-front moet in de back office nog steeds door mensen worden geproduceerd. Daarnaast zal de arbeidsmarkt een capaciteitsgrens houden. Een werkloosheidspercentage kleiner dan nul is immers onmogelijk. Bovendien heerst op (delen van) de Amerikaanse arbeidsmarkt grote schaarste. Een afnemende werkloosheid zal daarom vroeg of laat met inflatiedreiging gepaard blijven gaan. De oplopende looneisen in Europa tonen dat aan.

Een verband tussen economische groei, werkloosheid en inflatie blijft dus realiteit, zij het op een ander niveau. Tot voor kort ging men er vanuit dat de houdbare groei (groeitempo waarbij de inflatie niet toeneemt) in de VS rond 2,5 procent lag. Inmiddels wordt er, mede wegens de globalisering en informatisering, vanuit gegaan dat de maximumsnelheid waarmee het bruto binnenlands product toeneemt op zeker 3,0 procent per jaar ligt. Wanneer de feitelijke groei daarboven komt, blijft er inflatiegevaar en zal de centrale bank naar het rentewapen blijven grijpen. De praktijk bevestigt dat: de Amerikaanse centrale bank (de Fed) heeft de afgelopen acht maanden vier maal de rente verhoogd om de economie voor oververhitting te behoeden. Dat is de meest agressieve reeks rentestappen sinds vijf jaar. Fed-voorzitter Greenspan heeft onlangs aangegeven dat er nog meer stappen volgen. En iedere keer als er op de rem wordt getrapt, zal de ware profeet van de nieuwe economie even moeten slikken. Volgens president Wellink van De Nederlandsche Bank is het nog te vroeg om van een nieuwe economie te spreken, hoewel hij erkent dat de ICT-sector een grote invloed heeft op het economische wonder in de VS. Ondanks het feit dat Nederland economisch gezien wel de 51ste staat van de VS wordt genoemd, blijft de invloed van de ICT in Nederland nog achter bij die in Amerika. Het computergebruik is hier beduidend lager dan in de VS. Daarnaast is er op Europees niveau nog gebrek aan arbeidsmarktdynamiek en is het overheidsbeleid minder flexibel dan in de VS.

Dit leidt tot de volgende conclusies:

1. Informatisering heeft een sterke invloed op de Amerikaanse economie: het heeft de groei opgestuwd en meegeholpen de inflatie laag te houden. Maar ook `oud'-economische en traditionele factoren hebben bijgedragen.

2. Ook de globalisering droeg bij aan inflatiebeperking. Aangezien de mondiale concurrentiestrijd de winstmarge van bedrijven zal schaden, kan dit proces niet blijven voortduren.

3. Gezien de vaak leidende rol van de VS, zijn de positieve effecten van globalisering en informatisering ook in Europa steeds meer te verwachten. Rigiditeiten op de arbeidsmarkt en op productmarkten kunnen deze invloed overigens wel belemmeren.

4. Hoewel de huidige economische ontwikkelingen sterk worden beïnvloed door nieuwe elementen, zijn oude economische verbanden nog springlevend. Capaciteitsgrenzen verschuiven wel, maar verdwijnen niet. Voor monetair beleid betekent dit dat renteverhogingen niet tot het verleden behoren, maar mogelijk minder agressief zijn en/of later worden doorgevoerd. Van een nieuwe economie in de zin van het `einde van schaarste' en de `dood van inflatie' is daarom geen sprake.

Armijn Eikelboom is als economisch onderzoeker werkzaam bij het Economisch Bureau van de ING.