Gesel van het regenwoud

Nederlandse ondernemingen zijn belangrijke afnemers en financiers van Indonesische palmolieproducenten. Kunnen zij de Indonesiërs niet dwingen de natuur wat meer te ontzien? De palmplantages worden in eigen land verantwoordelijk gehouden voor het verdwijnen van veel regenwoud. Om het land vrij te maken voor de teelt steken de bedrijven de bossen bij voorkeur in brand.

Het natuurgebied Bukit Tigapuluh (dertig bergtoppen) ligt op het Indonesische eiland Sumatra, in de provincie Riau. Tot enkele jaren geleden bedekten de regenwouden nog 250 duizend hectaren. De laatste jaren is de helft van het nationale park echter opgeslokt door palmolieplantages. Indonesische journalisten kregen onlangs, tijdens een expeditie naar het gebied, krijgszuchtige taal te horen. De lokale bevolking wilde niet langer werkeloos toezien hoe hun bossen, waar zij voedsel en medicijnen vandaan halen, verdwijnen. Als Jakarta niet ophield met de uitbreiding van de palmolieplantages, zouden zij bij de rebellen in Atjeh wapens bestellen, om ook het centraal gezag te bevechten.

Palmolieplantages vormen een belangrijke voedingsbron van de onrust in de buitengewesten van Indonesië. Niet alleen vernielen de bedrijven er de regenwouden. Ze verpesten het milieu door pesticiden te spuiten, en afval op rivieren en rijstvelden te lozen. Verder verjagen de palmoliebedrijven lokale boeren van hun landbouwgronden.

Palmolie is nog wel zo'n mooi, veelzijdig product. Het is een belangrijke grondstof voor fabrikanten van margarine en bakolie. Daarnaast kan het spul gebruikt worden om er levensmiddelen, snoepgoed en diervoeder mee te maken. Bovendien is de olie geschikt voor toepassing in cosmetica, zeep, kaarsen, verven en plastic.

President Soeharto besloot begin jaren negentig de palmteelt in Indonesië fors uit te breiden. In de decennia daarvoor had zijn regime goed verdiend aan de export van fossiele brandstoffen, maar die inkomstenbron droogde op. Inmiddels bekleedt Indonesië de tweede plaats op de wereldranglijst van palmolieproducenten. Jakarta is echter nog niet tevreden. In 2010 wil het land de rol van internationale marktleider van haar buurland Maleisië overgenomen hebben.

Dat doet het ergste vrezen voor de regenwouden in Indonesië. De laatste jaren hebben al veel bossen moeten wijken voor de palmoliebedrijven. De Indonesische overheid zelf schat dat de telers jaarlijks zo'n twee- á driehonderdduizend hectare inlijven. Het Wereldnatuurfonds berekende in 1997 dat in totaal al zo'n tweeënhalf miljoen hectare tropische natuur opgeofferd was aan de verhoging van de palmolieproductie. Sawit (Palm) Watch, een koepelorganisatie van Indonesische milieugroepen, denkt dat inmiddels acht miljoen hectare regenwoud omgeploegd is voor de plantages.

Om het land vrij te maken voor de teelt steken de bedrijven de bossen bijvoorkeur in brand. In 1997 ging Zuidoost-Azië wekenlang gehuld in een roet- en rookwolk afkomstig van de bosbranden op de eilanden Sumatra en Kalimantan. De Indonesische autoriteiten wezen de rubber- en palmolieplantages aan als hoofdschuldigen. Sawit Watch beschouwt achteraf de palmoliebedrijven als de grootste boosdoeners. Tachtig procent van de vuurhaarden was volgens haar aangestoken om grootschalige palmteelt mogelijk te maken.

In Indonesië is de angst groot dat dit jaar weer veel regenwouden in vlammen opgaan. De overheid verwacht een hittegolf zoals tijdens El Niño in '97, toen de extreme droogte het de brandstichters erg makkelijk maakte. Enkele weken geleden waarschuwde de Indonesische staatssecretaris van milieuzaken de palmoliebedrijven dat bosbranden deze keer kunnen leiden tot een serieuze boycot van hun product in het Westen. In '97 riep de Engelse milieubeweging Friends of the Earth het publiek al op geen goederen meer te kopen waar Indonesische palmolie in verwerkt zat. De Indonesische milieu-organisatie Sawit Watch is echter tegen een boycot, omdat de zes miljoen Indonesiërs die werken op de palmplantages daarmee te veel gedupeerd worden. De organisatie pleit voor de invoering van een internationaal milieucertificaat. Alleen de palmoliebedrijven die zich niet bezondigen aan brandstichtingen, illegale houtkap, giftige afvallozingen en het gebruik van pesticiden zouden het keurmerk moeten krijgen.

Enkele maanden geleden vreesden de Indonesische palmoliebedrijven dat er toch een internationale boycot van hun product zou komen. In de Rotterdamse haven werden drie scheepsladingen palmolie uit Indonesië onderschept, die aangelengd bleken met dieselolie. De Indonesische Associatie van Palmolieproducenten sloeg groot alarm en vreesde voor het imago van Indonesische palmolie.

Nederland is een belangrijk land voor de Indonesische palmolie-industrie. Niet alleen kent Rotterdam een grote internationale handelsbeurs voor plantaardige oliën, de industrie is zelf ook een flinke afnemer van palmolie. Nederland neemt de vierde plaats in op de wereldranglijst van importeurs. Eenderde van de invoer komt uit Indonesië. Dat land zou volgens het Productschap Margarine, Vetten en Oliën, de belangenbehartiger van de bedrijven die palmolie invoeren, tien procent van haar totale export in Nederland afzetten. Eric Wakker van het consultancybureau Aid Environment schat dat zelfs de helft van de Indonesische uitvoer bij Nederlandse bedrijven terechtkomt. Hij baseert zich op de Oil World Annuals, de internationale handelsstatistieken van de Duitse uitgever ISTA die volgens Wakker toonaangevend zijn in de oliebranche.

In 1998 deed Wakker een onderzoek voor het Wereldnatuurfonds in Indonesië naar de schadelijke effecten van de palmteelt. Toen bleek hem al dat Nederlandse banken als de Rabobank en ABN Amro als kapitaalverschaffers voor de sector fungeren. Momenteel voert Wakker in opdracht van Greenpeace een vervolgstudie uit naar de relaties van financiële instellingen in Nederland met de telers in Indonesië. Jakarta heeft buitenlandse geldschieters hard nodig om Maleisië in 2010 naar de kroon te kunnen steken als de grootste producent van palmolie. Analisten schatten dat daarvoor in het totaal investeringen van tien miljard gulden nodig zijn, een bedrag dat Indonesië zelf niet kan ophoesten.

Rabobank International zegt al sinds 1994 bij de palmteelt in het land betrokken te zijn. Zij heeft momenteel voor een half miljard gulden aan kredieten uitstaan bij Indonesische producenten en exporteurs van palmolie. Naar eigen zeggen gaat de bank daarbij uiterst kieskeurig te werk. Voor plantages waarin zij geld steekt mag geen tropisch regenwoud gekapt zijn. Het is de bedrijven ook verboden pesticiden te gebruiken. De bank reageert echter onduidelijk op de vraag of zij zaken doet met bedrijven die betrokken waren bij de brandstichtingen in '97. In eerste instantie zegt de woordvoerder dat Rabobank International onmogelijk van haar partners kan weten of die zich overal in Indonesië netjes gedragen. Na contact met de vestiging in Jakarta verklaart hij dat de bank inderdaad zakenrelaties had aangetroffen op de lijst van het Indonesische ministerie van Justitie van bedrijven die achter de bosbranden zaten. ,,Wij hebben deze bedrijven te kennen gegeven dat wij niets met deze praktijken te maken willen hebben.'' De kredietverlening aan deze bedrijven zou worden afgebouwd. Naderhand deelt de woordvoerder echter schriftelijk mee dat haar zakenrelaties niet bij de branden betrokken waren. Volgens de Rabobank zijn het vooral kleine boeren die de bosbranden in Indonesië veroorzaken. De bank wil best meewerken aan de invoering van een milieukeurmerk, dolgraag zelfs, maar betwijfelt of het westerse bedrijfsleven daarmee nieuwe bosbranden kan voorkomen. Kleine boeren doen immers niet rechtstreeks zaken met buitenlandse geldschieters of afnemers, en laten zich dus veel moeilijker controleren dan de commerciële palmolieproducenten.

Van een partner van de Rabobank, het bedrijf PT. London Sumatera, staat echter wel vast dat zij zich niet stoort aan de belangen van de natuur. In 1996 annexeerde en vernietigde het bedrijf in Oost-Kalimantan bosgronden van de Dajak-stam ten behoeve van de palmteelt. Protesten van de Dajaks werden met behulp van de politie hardhandig de kop ingedrukt. Rabobank International zegt geen krediet verstrekt te hebben voor het project in Oost-Kalimantan, ondanks herhaalde verzoeken hiertoe van London Sumatera. De bank blijft echter wel andere projecten van London Sumatera in Indonesië financieren, omdat hieraan het zogenaamde plasmaprogramma is verbonden. Via dit overheidsprogramma verplichten grote plantages zich kleine boeren te helpen om ook zelf een inkomen te genereren uit de palmteelt. ,,Op die manier kunnen wij iets bijdragen aan de ontwikkeling van de lokale gemeenschappen'', zegt Van Mierlo. Rabobank controleert in Indonesië ter plekke of de plasmaprojecten waarin zij geld steekt niet ten koste gaan van regenwoud. Met die bedrijfsbezoeken gaat zij veel verder dan concurrent ABN Amro. Die bank bevestigt dat ook zij als kapitaalverschaffer fungeert voor Indonesische palmoliebedrijven. De controle op de activiteiten van haar klanten blijft echter beperkt tot het reguliere onderzoek van de boeken. De zakenpartners van ABN Amro zijn beursgenoteerde bedrijven in Indonesië. De bank gaat er automatisch vanuit dat deze ,,gerenommeerde'' ondernemingen zich netjes houden aan de nationale milieuregelgeving. ,,Wij zien momenteel geen reden om speciale onderzoeken op dit punt in te stellen'', zegt een woordvoerder.

Na de vondst van de vervuilde palmolie in Rotterdam schoot het Nederlandse Productschap voor Margarines, Vetten en Oliën de Indonesische palmoliebedrijven te hulp. Het Productschap beloofde tests uit te voeren in de Indonesische havenstad Belawan, zodat er geen vervuilde partijen meer verscheept worden naar Europa. Verder gaat het Productschap de Indonesiërs assisteren bij het ontwerpen van een kwaliteitskeurmerk voor palmolie. Kan het Productschap daarin ook niet laten vastleggen dat de olie op ecologisch verantwoorde wijze geteeld wordt? ,,Wij zouden onze arm wel erg verlengen'', reageert directeur Wermuth van het Productschap weifelend. Hij wijst erop dat kritiek van de oud-kolonisator bij Indonesiërs doorgaans slecht valt. Bovendien moet men beseffen dat niet alleen de Indonesische palmtelers van hun Nederlandse afnemers afhankelijk zijn; omgekeerd kan onze industrie ook niet meer zonder hun olie.

Wermuth zou het vervelend vinden als de palmtelers de regenwouden dit jaar weer in brand steken, maar dat zal voor het Productschap en de aangesloten bedrijven geen reden zijn om de assistentie aan deze bedrijven te staken. De directeur concludeert dat het beter is als de leden van het Productschap, de aangesloten bedrijven, zelf proberen de Indonesische partners onder druk te zetten.

Unilever is een prominent lid van het Productschap en grootgebruiker van palmolie. Toenmalig bestuursvoorzitter Tabaksblat verklaarde in '98 dat het concern op alle fronten duurzaam wil gaan produceren. De ontbossing door de palmteelt baarde de topman ook zorgen. Volgens een woordvoerder van Unilever is het voor het concern nu nog moeilijk om zijn leveranciers aan te spreken op hun milieugedrag. De herkomst van de palmolie is vaak niet eens bekend, omdat er zoveel tussenhandelaren in de branche actief zijn. Als onderdeel van haar milieubeleid, wil Unilever een systeem opzetten waarmee de producenten van zijn grondstoffen beter te achterhalen zijn.

Unilever gebruikt de palmolie voor eindproducten als zeep, margarine, koek, producten die gebruiksklaar in de winkel liggen. Nederlandse afnemers van Indonesische palmolie zijn ook ondernemingen die het spul alleen raffineren en dan als halffabrikaat doorverkopen. Het bedrijf Soctek uit Zaandam hoort tot die categorie. Woordvoerder Van der Werff zegt dat Soctek in haar inkoopbeleid geen milieucriteria kan aanleggen omdat er nauwelijks een alternatief is voor de Indonesische palmolie. Buurland Maleisië heeft de export van het product beperkt, om de binnenlandse markt van voldoende toevoer te voorzien. De olie die het land nog verlaat is vaak al geraffineerd en dus niet interessant voor Soctek. Het Zaanse bedrijf importeert wel wat biologische palmolie uit Zuid-Amerika en raffineert die voor een kleine groep ecologische bedrijven uit de alternatieve hoek. Het échte geld kan zij echter niet verdienen zonder Indonesische palmolie.