Een fnuikende vlucht naar voren

Ajax bindt jongetjes en mannen, arbeiders en intellectuelen. Maar nu de club een slecht presterende onderneming is, raken supporters het spoor bijster.

SINDS ANDERHALF JAAR noemt Andrej Lipovenko mij `oom Choebert'. De reden is simpel. Andrej is drijvende kracht achter en het enige lid van zijn eigen Ajax-fanclub in Rusland. Andrej woont in Ljoebertsi, het Purmerend van Moskou. Hij is dertien jaar en weet nagenoeg alles van Ajax én het Nederlandse voetbal. Zijn oudere broer Anton, die zich meer bekommert om het wel en wee van de rockgroep Alisa uit St. Petersburg, pest hem daar graag mee.

Toen Ajax in maart 1998 tweemaal kansloos was tegen Spartak Moskou, liep het uit de hand. Andrej wist niet voor welke ploeg hij moest juichen. Voor Anton was dat `de gelukkigste dag uit zijn leven'. Andrej huilde. Dat Spartak van het grote Ajax won, stemde trots. Maar waarom verloor Ajax uitgerekend van Spartak?

Andrej heeft Ajax via de televisie leren kennen, in het seizoen 1994/95 toen Louis van Gaal de scepter zwaaide en beker op beker werd veroverd. Andrej werd bolelsjtsjik, het Russische woord voor `supporter' dat via de stam bol is afgeleid van `ziekte' en `pijn'. Tot zover is er niets aan de hand. In 1966 werd ik zelf ziek van Ajax. Johan Cruijff, Piet Keizer, Henk Groot en Co Prins voetbalden er. In de maand dat Ajax met Velibor Vasovic in 1969 de Europa Cup-finale van AC Milan verloor, was ik net zo oud als Andrej nu. Zelfs vijf jaar geleden nog gedroeg ik me, hoewel bijna veertig, op menig woensdagavond niet normaal.

Het is welhaast een wet. Voor het jongetje is identificatie met een club een middel om zich een heroïsch perspectief op het veld voor te houden. Voor de man is het een even rozig retrospectief naar de verstoorde droom dat de trainer in de rust juist tegen jou op de tribune roept `omkleden'.

Toch is er in drie decennia iets gebeurd. Dat merkte ik toen Andrej in de zomer van 1998 een weekje in Amsterdam was. Zondag 16 augustus zou Ajax om de Johan Cruijff-schaal tegen PSV spelen. Het lukte ons aanvankelijk niet om kaartjes te bemachtigen. Zelfs voor een wedstrijd om de baard van de keizer moesten we `persoonsgebonden clubkaarten' hebben. Daar viel geen mouw aan te passen. Ajax verwees naar de KNVB, de KNVB verwees ons naar het systeem en het systeem gaf geen gehoor.

Via via zijn we toch binnengekomen. Ajax verloor. Andrej genoot. Een paar uur na de wedstrijd was hij nog in touw met de Russisch sprekende spelers van Ajax en PSV (Arveladze, Kinkladze, Nikiforov en Chochlov) en het verzamelen van handtekeningen. Mijn Ajax-ziekte daarentegen begon pijnlijke trekjes te krijgen. Dat is geen drama. Op een bepaalde leeftijd verliest een mens nu eenmaal het idee `right or wrong, my club'.

Als er slecht wordt gespeeld of successen uitblijven, blijkt dat de blinde trouw, die eens onwankelbaar leek, concurrentie krijgt van andere loyaliteiten en verplichtingen. Speelt Ajax over vijf jaar weer in de halve finale van de Champions League, dan zit het kwartet schooljongens uit 1969 weer voor de buis, ongeacht wat de baas ervan vindt, elkaar de loef afstekend wie de wedstrijd het best `leest'.

Maar met Ajax is meer aan de hand. Zoveel is duidelijk sinds het begin van het seizoen 1996/97 wanneer Ajax naar de ArenA verhuist, een stadion dat anders dan De Meer niet in handen is van de club. Bij de openingsfestiviteiten blijkt al dat de fysieke omgeving cruciaal is veranderd. De zalm, de telefooncellen, de toiletten, de plastic geldkaarten, de speaker en vooral de suppoosten: alles doet zijn best om de nostalgie, de kern van het clubgevoel, de das om te doen. De creatie van Kees Prins in Jiskefet legt dat vanuit de skybox treffend bloot: het stadion is een verzamelplaats voor lekkere meiden geworden, een soort disco waar frikadel en bolknak een achterhoedegevecht voeren.

De grasmat blijkt de hilarische metafoor voor de noodlottige verhuizing. Tot op de dag van vandaag is de ArenA niet meer dan een `verzilverde soepterrine', zoals publicist en voormalig Blauw Witter professor Kees Fens het stadion noemt. In zo'n omgeving worden de traditionele blaaspoepers en dansmariekes in de rust belachelijk.

Ajax kan niet meer terug en kiest voor de vlucht naar voren. In het voorjaar van 1998 gaat de vereniging AFC Ajax als naamloze vennootschap naar de beurs. De bestuursstructuur moet gelijke tred houden. De club wordt een bedrijf, zoals bij Bayern München en Manchester United al langer het geval is, met Frank Kales als Chief Executive Officer en Jan Wouters als lijnmanager van de werkmaatschappij Eerste Elftal. Voorzitter Michael van Praag legt er in 1998 de nadruk op dat de effecten bij de AEX vooral `emotie-aandelen' zijn. Het aldus aangetrokken kapitaal zal worden gebruikt voor de jeugdopleiding van De Toekomst.

Dat mag zo zijn, maar Ajax krijgt door de beursgang wel een andere kleur. Wie kiest voor het rationele vocabulaire van het Damrak, krijgt daarvoor een ander publiek terug. Het familiebedrijf heeft klanten. Die strijken nog over hun hart als er niet naar wens wordt geleverd.

De zakelijke onderneming daarentegen heeft louter consumenten die, zoals bekend, veel minder mededogen kennen. De (semi-)intellectuelen met een seizoenkaart uiten dat door niet meer elke zondag te komen. De F-side kiest voor een variant die meer weg heeft van proletarisch winkelen. Maar het verschil tussen beide reacties is minder groot dan de ME wekelijks aan den lijve ondervindt.

De eerlijkheid gebiedt te erkennen dat er weinig alternatieven zijn. Als het Europese Hof in 1995 de Belgische voetballer Bosman in het gelijk stelt en daarmee een einde maakt aan de horigheid van de beroepsvoetballer, betreedt volkssport nummer 1 een nieuw tijdperk. De andere Europese richtlijnen doen de rest. De grenzen gaan open en de clubs mondialiseren, alle pleidooien van Johan Cruijff over straatvoetbal en andere aspecten van het spel ten spijt.

Voetbal is nu een zakelijke kwestie. De clubs, al dan niet beursgenoteerd, moeten kortlopend investeren om snel succes te hebben, dienen onmiddellijk succes te boeken om direct geld te genereren, enzovoort enzoverder.

De consequenties raken het resterende Ajax-gevoel. In principe biedt de tribune plaats aan tienduizenden journalisten. Nergens wordt het nieuws zo accuraat bijgehouden als daar. De verwerking daarvan is niet altijd even fijnzinnig, maar wel steeds alert geweest. Toen de meeste burgers begin jaren tachtig nog rustig sliepen, voerde de F-side al een spandoek met de tekst `Feyenoord, erger dan de Aids'. De opmerking van gastspeaker Freek de Jonge tijdens de wedstrijd tegen Austria Wien – `Herr Waldheim soll Herr Wiesenthal anrufen' – was evenmin aan dovemansoren gericht. De consequenties van de daarop volgende ijzeren staaf waren bijna rampzalig. Maar ze inspireerden ook tot wat de Duitsers klammheimliche Freude noemen.

Anders gezegd: winst en verlies hoorden toen bij elkaar. De dominantie van PSV was vervelend maar tijdelijk. Een kampioenschap voor Feyenoord was eveneens onderdeel van het gemoed. Ajax was immers van een andere orde. Los van deze eigendunk, Ajax was hoe dan ook geen regionaal bolwerk (PSV) noch volksclub (Feyenoord). Ajax was zelfs geen uiting van lokaal patriottisme (DWS of, in Amsterdam-Oost, Zeeburgia). De club verenigde alle sociale lagen – van arbeidersklasse via middenstand tot elite – met één ding gemeen: een brandend verlangen naar zelfvertrouwen. Dat bleek vorig jaar treffend tijdens de afscheidswedstrijd rond Johan Cruijff. Drie tot vier generaties bevolkten toen het stadion – opa's lieten zich door hun kleinkinderen de tribune op slepen – en hadden kinderlijk plezier.

Op alle andere dagen is een nederlaag echter aanleiding geworden voor van alle poëzie gespeende reacties. De tribunes willen `value for money'. Krijgen ze geen waar voor hun geld, dan helpen grimmige grollen niet. Daarom klinkt de yell `Kales, rot op' nu veel luider dan de roep om `Johan'.

Daar spreekt machteloosheid uit. Wie ontevreden is over KPN Telecom heeft geen boodschap aan Wim Dik, de Kales van de geprivatiseerde PTT, maar loopt naar een winkel van Libertel. De consumenten van Ajax hebben die uitweg niet. Ze zijn gevangenen van zichzelf geworden. Ze zijn gehospitaliseerd in een ziekenhuis waar geen dokters en verpleegkundigen meer rondlopen maar alleen managers en hooguit enkele functionarissen van de klachtencommissie.

Geen misverstand: ooit zal het wel weer ten goede keren. Eén keer kampioen, één keer overwinteren in Europa, meer is niet nodig. Maar de vraag rijst of Ajax ooit nog de club kan worden die het was. De honderdjarige is, anders dan Feyenoord, altijd een vereniging van artistiekelingen én chagrijnen geweest. Een zege noopte tot brallerige hoogmoed, een nederlaag tot navenant sarcasme.

In een commerciële omgeving is voor deze traditionele humeurigheid, hét symptoom van de Ajax-ziekte, geen plaats. Iedereen moet continu cheese mompelen: voor het plaatje. De NV AFC Ajax trekt een onvoorspelbare wissel op de harde kern van het Ajax-gevoel, op de twee kruinen op dat ene hoofd: mopperen én juichen. Op kankerpitten kun je geen merchandising-budget bouwen.