De publieke zaak

In het kleurenmagazine van het Algemeen Dagblad stond onlangs een ontluisterend verhaal. Onder de kop `Het laatste wat je doet' werd verslag gedaan van de zoektocht naar een baan door de grote groep Tweede-Kamerleden die na de verkiezingen van mei 1998 het Binnenhof moesten verlaten. Van de 54 ex-parlementariërs hadden er maar zeven regulier werk weten te vinden.

Dat de arbeidsmarkt voor oud-Kamerleden, niet echt willig is, was al langer bekend. Wat het verhaal echt schokkend maakte was het onverholen dédain waarmee de buitenwereld sprak over gewezen politici. De opgedane ervaring als Tweede-Kamerlid bleek in veel gevallen eerder tegen hen te werken dan dat het als een prae werd gezien. Gerrit de Jong, voordat hij in 1989 voor het CDA in de Tweede Kamer kwam onderdirecteur van het Instituut voor Onderzoek naar Overheidsuitgaven en vervolgens enkele jaren secretaris van de Sociaal Economische Raad kreeg het letterlijk te horen. ,,Zulke zakkenvullers hoeven we hier niet te hebben'', luidde het oordeel van het bestuur van een organisatie waar hij had gesolliciteerd.

Ongetwijfeld zitten er in de Tweede Kamer de nodige `non-valeurs'. Het is per slot van rekening een volksvertegenwoordiging. Dat het politieke bedrijf niet in een hoog aanzien staat is ook `all in the game'. Iemand die de politiek in gaat weet dat hij of zij over een behoorlijke dosis masochisme moet beschikken. Het volk moet zich nu eenmaal kunnen afreageren. Maar verontrustender wordt het als mensen die beter zouden moeten weten, zoals de beslissers in het bedrijfsleven, politici collectief afschrijven.

Het is heel gemakkelijk om op `de politiek' of op `Den Haag' af te geven. Sterker nog, vaak is het nog terecht ook. Maar er is wel een verschil tussen intelligente en domme kritiek. In de reportage in het Algemeen Dagblad brengt headhunter Wim Ravesloot van bureau Holtrop, Ravesloot en Partners de domme kritiek van zijn opdrachtgevers treffend onder woorden: ,,Het beeld is dat Kamerleden niet weten hoe het in de maatschappij toegaat. Ze zijn verbaal misschien wel goed, maar hebben geen operationele expertise. Er wordt in de politiek maar gepraat en gepraat. De besluitvorming kenmerkt zich door stroperigheid en de afwegingen vinden niet plaats op grond van economische motieven.''

Het is de taal van de mensen die doorgaans ook graag spreken over de BV Nederland en daarmee aangeven het totaal niet te hebben begrepen. Nederland is geen BV, maar een parlementaire democratie met alle daarbij behorende inefficiëntie als gevolg van tegengestelde belangen. Een land kan niet als een bedrijf worden gerund zoals het ook beter is voor een bedrijf als het niet als een land wordt bestuurd.

Politiek en bedrijfsleven vormen twee gescheiden werelden. Wederzijds begrip is prima, maar daar moet het ook maar bij blijven. De aloude klacht luidt dat `de' politiek zo weinig kennis heeft van het bedrijfsleven, maar hoe staat het eigenlijk andersom? Niets werkt zo heilzaam als mensen uit het bedrijfsleven die een kijkje gaan nemen in het politieke bedrijf. Enkele jaren geleden liep een bestuurder van IBM-Nederland enige tijd stage bij de PvdA-fractie. Vol ontzag keerde hij terug naar zijn bedrijf.

Hij had kunnen zien in welk spanningsveld politici moeten opereren. Politiek betekent praten, praten en nog eens praten met als resultaat een waterig compromis. En dat alles in een sfeer van onderlinge competitie en openbaarheid. Het leidt ertoe dat maar weinigen, en zeker mensen uit de `doe-cultuur' van het bedrijfsleven zich tot de politiek aangetrokken voelen.

Niet voor niets is ook het aantal Kamerleden met een uitgesproken bedrijfsleven-achtergrond bij een ondernemersvriendelijke partij als de VVD gering. Wat uiteindelijk namens de liberalen in de Tweede Kamer terechtkomt is veelal gerecruteerd uit de categorie plaatselijke middenstand. Politiek vraagt nu eenmaal om een bepaalde instelling die – los van politieke overtuiging – maar weinigen is gegeven.

Elke poging om beide culturen te vermengen is tot mislukken gedoemd. Zodra het begrip `de publieke zaak' al te letterlijk wordt genomen gaat het mis. Dan gaan in de beoordeling van het optreden van politici oneigenlijke elementen een rol spelen zoals de Amsterdamse wethouder Harry Groen heeft ervaren, en minister Peper nog steeds ervaart. Zij zijn beide in aanraking gekomen met iets nondescripts als de moraal.

In de Volkskrant van twee weken geleden hekelt de Rotterdamse politicoloog Van Schendelen de sfeer die rondom Peper is ontstaan. Volgens hem dreigt de voormalige burgemeester van Rotterdam het slachtoffer te worden van `domme fatsoensrakkerij'. Van Schendelen: ,,Een verstandig mens zorgt dat hij niet in opspraak komt. Maar een verstandig mens kan de slechtste burgemeester of bedrijfsleider zijn als hij risico's gaat mijden.''

Hieruit trekt Van Schendelen de conclusie dat een fatsoenlijke overheid de `rampzaligste' is die je kan hebben. Om daar vervolgens aan toe te voegen dat een overheid zijn kreukbaarheid altijd moet kunnen verantwoorden.

Van Schendelen heeft hiermee het grootste gelijk, maar tegelijk geeft hij wel het cruciale probleem aan. Want over die kreukbaarheid ontstaat nu juist een publiek debat waarbij een ieder zijn eigen normen hanteert. De hetzerige sfeer die de laatste weken is ontstaan rondom de declaraties van openbare bestuurders is daarvan een goede illustratie.

De publieke zaak vraagt om publieke verantwoording. Maar zolang de jury als gevolg van ieders eigen morele oordeel verdeeld is, en bovendien in het gros van de media ook nog eens rellerigheid de toon zet, is de strijd bij voorbaat een ongelijke. Maar de verliezer is uiteindelijk altijd de publieke zaak. Want daar zullen nog minder goede mensen voor te vinden zijn.