1965-1980

Na het dieptepunt van 1965, toen Ajax bijna degradeerde, volgde de meest succesvolle periode uit de geschiedenis van de club, eerst nationaal, later ook internationaal. Van 1966 tot en met 1973 werd Ajax zesmaal landskampioen en tweemaal tweede. In het seizoen 1966-1967 vestigde het elftal een record door in de competitie 122 doelpunten te maken. Op Europees niveau speelde Ajax legendarische wedstrijden. Internationaal aanzien verwierf de club eigenlijk voor het eerst eind 1966, toen het veel sterker geachte Liverpool FC in de achtste finale van de Europa Cup 1 met 5-1 werd verslagen. Een wedstrijd die ook in het geheugen staat gegrift, omdat hij zich in dichte mist afspeelde. In 1969 haalde de Amsterdamse club voor het eerst de finale van de Europa Cup 1 (en verloor met 4-1 van AC Milan). Nadat het Rotterdamse Feyenoord Ajax in 1970 was voorgegaan, won Ajax daarna driemaal op rij de meest begeerde voetbalbokaal van Europa. Het waren de gloriejaren van trainer Rinus Michels en diens opvolger, de Roemeen Stefán Kovács. Zij profiteerden van een unieke samenbundeling van grote talenten: Cruijff, Keizer, Neeskens en de anderen. In 1973 won Ajax de Wereldbeker door het Argentijnse Independiente te verslaan.

Onvermijdelijk kwam de terugval. De beste spelers vertrokken naar het buitenland of stopten. Aan het einde van de jaren zeventig volgde een opleving op nationaal niveau. Ajax zocht het talent behalve in de eigen opleiding toen ook in met name Denemarken, hetgeen tot de doorbraak leidde van spelers als Arnesen, Lerby en Olsen. Dat leverde wel landstitels op, maar op internationaal niveau bleven successen uit.