1940-1965

In de Tweede Wereldoorlog werd er in Nederland gewoon doorgevoetbald tot aan de hongerwinter van 1944. Met, om voor de hand liggende redenen, soms gehavende elftallen. Zo zag Ajax de spelers Hordijk en Stroker naar Duitsland verdwijnen waar zij te werk werden gesteld, terwijl de Britse trainer Jack Reynolds in een Duits kamp werd geïnterneerd; hij keerde in 1945 in Amsterdam terug. Ajax werd niet bovenmatig door de oorlog getroffen; in tegenstelling tot het imago is het geen joodse club. Bij Ajax speelden relatief niet meer joodse voetballers dan bij andere Amsterdamse clubs.

Na de oorlog verdwenen veel Nederlandse voetballers naar het buitenland om hun talenten te gelde te maken; het gevolg was dat ook in Nederland, in 1954, het betaald voetbal werd ingevoerd. Ajax werd in 1957 voor de negende maal landskampioen; voor het eerst als (semi-)profclub. Het seizoen daarop speelden de Amsterdammers voor het eerst in de Europa Cup 1; ze sneuvelden in de tweede ronde tegen Vasas Boedapest. Op 21 mei 1956 maakte `mister Ajax', Sjaak Swart, op 18-jarige leeftijd zijn debuut. Een jaar later werd een tienjarig jochie uit Betondorp lid, van wie nog veel zou worden vernomen: Johan Cruijff. Maar daar ging eerst het voor Ajax sportieve dieptepunt uit de naoorlogse periode aan vooraf. In 1965 eindigde de club in de eredivisie op de dertiende plaats en ontsnapte maar ternauwernood aan degradatie. De trainer die tussentijds in dat voetbalseizoen werd binnengehaald, bleek een reddende engel. Zijn naam was Rinus Michels.