Veel kunst in Britse musea `verdacht'

Britse musea bezitten honderden kunstwerken van mogelijk joodse eigenaren die door plunderingen van de nazi's tijdens de Tweede Wereldoorlog in museaal bezit zijn gekomen. Tachtig daarvan zullen in mei tentoongesteld worden in de Tate Modern, een nieuw Londens museum dat 12 mei open gaat.

Gisteren presenteerden de 23 betrokken musea hun eerste onderzoeksresultaten. Hun onderzoek richt zich op kunstwerken, verworven tussen 1933 en 1945, waarvan de herkomst onduidelijk is. Op een voorlopige lijst komen 350 stukken voor, schilderijen van onder anderen Picasso, Matisse, Cézanne, Degas, Klee, Gris en Braque. Ze vertegenwoordigen een waarde van vele tientallen miljoenen guldens. Ook het bekende doek Christus aan het kruis van Eugène Delacroix uit het British Museum is `verdacht'.

Circa honderd werken uit de National Gallery en tachtig uit de Tate Gallery staan op de lijst. Het British Museum voert 43 tekeningen op. Andere betrokken musea zijn onder meer het Victoria & Albert Museum, het Imperial War Museum en de National Portrait Gallery, alle in Londen, en musea in Wales en Schotland. Uit een speciale website (www.nationalmuseums.org.uk) met rapportages van alle 23 musea blijkt dat het onderzoek van de meeste deelcollecties nog niet is afgerond.

Volgens Nicholas Serota, directeur van de Tate Gallery en voorzitter van de museumcommissie, hoeft een onduidelijke herkomst niet direct verband te houden met nazi-roof. Het onderzoek wordt vervolgd en een nog samen te stellen Britse commissie van historici, filosofen en advocaten - het Spoliation Advisory Panel - zal zich gaan buigen over teruggave aan de rechtmatige eigenaren. Tot nu toe is er één schilderij opgeëist, View of Hampton Court Palace, geschilderd door de onbekende Jan Griffier en in bezit van de Tate Gallery.

Anne Webber, voorzitter van de Commission for Looted Art in Europe, zegt in The Independent van vandaag dat zich in Groot-Brittannië vermoedelijk achtduizend kunstwerken van verdachte herkomst bevinden. Ze betreurt het dat Britse kunsthandelaren geen inzage willen geven in hun archieven. Hoewel de Britse wetgeving voorschrijft dat musea met openbare collecties geen afstand mogen doen van de door hen beheerde staatseigendommen, bepleit Webber medewerking van de regering om deze `laatste krijgsgevangenen van de oorlog' te restitueren. Bij haar commissie zijn wèl vele claims ingediend, vertelde ze.

,,Geen enkel Brits museum'', aldus Serota gisteren tegenover de BBC, ,,dat zichzelf met gestolen kunstwerken geconfronteerd ziet, zou die kunst in bezit moeten willen houden.'' De Britse minister voor kunstzaken Alan Howarth onderstreepte vooral het probleem van de bewijsvoering: ,,Het zou fout zijn om schilderijen weg te halen uit nationale collecties zonder dat daar een deugdelijke basis voor aanwezig is.''

Vorig jaar maart maakte het maandblad The Art Newspaper al bekend dat de National Gallery in Londen tenminste acht schilderijen van duistere herkomst bezit, waaronder landschappen van Claude Monet, een zeegezicht van Willem van de Velde en een kruisiging van Eugène Delacroix. Mogelijk werden ze verworven via Parijse kunsthandelaren, die nu van collaboratie met de nazi's worden beticht.

Toen al waarschuwde Neil MacGregor, directeur van de National Gallery, dat, mochten deze werken van joden gestolen zijn, teruggave door wetgeving wordt geblokkeerd. Hij achtte het toen trouwens onwaarschijnlijk dat er van joodse bezittingen sprake was.