Salvador Dalí als illustrator

De Franse schrijver Isidore Ducasse (1846-1870) schreef tijdens zijn korte leven twee boeken: Poésies (1870) en het prozagedicht Les Chants de Maldoror, dat hij in 1869 publiceerde onder het pseudoniem Comte de Lautréamont. Ducasse moest naar Brussel uitwijken om er een uitgever voor te vinden. Het boek werd één keer herdrukt en kreeg weinig bekendheid.

Vijftig jaar later introduceerde schrijver André Breton Les Chants echter bij de surrealisten, die het tot hun lijfwerk uitriepen, en Ducasse tot hun held. Voor hen was hij een `surrealist' pur sang, die het onderbewuste als leidraad nam en zo de verbeelding vrij spel gaf. Sleutelzin uit Les Chants was de vergelijking `... mooi, als een toevallige ontmoeting van een naaimachine en een paraplu op een ontleedtafel'. Ducasse verbond begrippen aan elkaar die niets met elkaar te maken hadden, en creëerde zo de `poëtische vonk' die alle goede kunst diende te bevatten. Man Ray maakte in 1920 L'Enigme d'Isidore Ducasse, waarvan een kopie in Boijmans te zien is: een in paardendeken en touw verpakt metalen object, dat aan een naaimachine doet denken.

In 1932 droeg Pablo Picasso zijn jonge, ambitieuze landgenoot Salvador Dalì bij uitgever Albert Skira voor als illustrator van een nieuwe uitgave van Les Chants. Dalì was in 1929 in Parijs aangekomen en daar bevriend geraakt met de surrealisten. Boijmans verwierf vorig jaar een exemplaar van het boek, met een losse serie van 42 etsen. Les Chants gaan over anti-held Maldoror, die begint als goed en gelukkig mens maar vervolgens `boosaardig' wordt. Een echt verhaal heeft het gedicht niet; het is een aaneenschakeling van taalgrappen, vreemde en vieze vergelijkingen, boze uitroepen. De voornaamste ingrediënten zijn seks, woede en sadisme. Een citaat op de muur van het museum: `Het meest verzachtende drankje dat ik aanraad, is een schaal gevuld met druipetter, waarin men van tevoren heeft opgelost een eierstokgezwel, een sjanker, een ontstoken voorhuid...'

Dit sluit allemaal goed aan bij het universum van Dalì, die er echter voor paste om een `illustrator' in de nauwe zin des woords te worden. ,,Het is overduidelijk dat de `daad van illustratie' op geen enkele wijze het verloop van mijn delirische ideeën dient te beperken'', zei hij hier zelf over. De woorden van Ducasse riepen bij hem taferelen op van menselijke lichamen die zichzelf kapot maken, en van reeksen botten, vorken en lepels.

Om de presentatie van de etsen de allure van een echte tentoonstelling te geven, is er ook ander werk van Dalì uit de collectie van het museum. Dat is een prima idee: het publiek doe je een groot plezier met oude bekenden als Couple aux têtes pleines de nuages (1936), of Dalì's grote portret van Shirley Temple als sfinx (1939). Bovendien komen zo de verschillen tussen etsen en schilderijen aan het licht. Vergeleken met die laatste zijn de etsen aarzelender, bescheidener van opzet. De ets van een naakte vrouw met in haar hand een lepel, vork en wat donkere smurrie is zelfs vriendelijk en zacht. In plaats van felle kleuren zijn er hier fijne streepjes. De taferelen zijn nog `open': je kunt er langer naar kijken, en je eigen fantasie erop loslaten. In de begeleidende tekstkaartjes wordt ook wanhopig gezocht naar inhoudelijke overeenkomsten tussen de teksten van Ducasse, de schilderijen en Dalì's `paranoïde illustraties', zoals hij ze zelf noemde. Dat is een vergissing. Als er al een verband tussen tekst en beelden bestaat, leent zich dat er niet voor om op een rationele manier te worden ontleed.

Tentoonstelling: `Mooi als... nieuwe aanwinsten Dalì'. In: Museum Boijmans Van Beuningen, Museumpark, Rotterdam. T/m 21/5. Open di-za 10-17u, zo en feestdagen 11-17u. Tel. (010) 4419400/470.