Postume eer voor swingend duo

Het Imperial War Museum in Londen besteedt aandacht aan Johnny and Jones, een populair Nederlandse zangduo dat de oorlog niet overleefde. Theo Loevendie en Carel Alphenaar maken een opera over het swingende tweetal.

Het Nederlandse zangduo Johnny and Jones, dat eind jaren dertig succes boekte met liedjes als Mijnheer Dinges weet niet wat swing is, wordt herdacht in een nieuwe permanente holocaust-tentoonstelling in het Imperial War Museum in Londen. De expositie, die op 6 juni wordt geopend door de Britse koningin, omvat een uitstalling over de drie doorgangskampen Theresienstadt, Drancy (bij Parijs) en Westerbork, waar Johnny and Jones tijdens de oorlog terechtkwamen. Met een tekstbord, foto`s, bladmuziek, een grammofoonplaat en het geluid van hun Westerbork Serenade wordt aandacht aan het duo besteed.

Max Kannewasser en Nol van Wezel waren ex-Bijenkorf-employés die vanaf 1938 furore maakten als two kids and a guitar. Hun repertoire was Nederlandstalig, maar ze zongen met een Amerikaans accent en een swingend ritme. Johnny and Jones traden vrijwel wekelijks op voor de radio en maakten circa vijftien platen, waaronder ook moedgevende mobilisatieliedjes als We hoeven niet te hamsteren en Het regiment marcheert niet meer, ze loopen nu te swingen.

Na de Duitse inval waren ze echter al spoedig aangewezen op de Hollandsche Schouwburg, waar uitsluitend joden mochten optreden. In september 1943 werden ze vastgezet in Westerbork, waar ze in de vliegtuigsloperij moesten werken, maar af en toe ook nog optraden. Een jaar later belandden ze via Theresienstadt en Auschwitz in het kamp Bergen-Belsen, waar ze in het voorjaar van 1945 zijn gestorven.

Nog in de zomer van 1944 waren Johnny and Jones korte tijd terug in Amsterdam, waarschijnlijk om neergestorte vliegtuigonderdelen op te halen. Ze slaagden er toen in enkele liedjes uit het kamp in een opnamestudio in de P.C. Hooftstraat op een clandestien vervaardigde plaat te zetten. Eén daarvan was het lieflijke ,,Ik zing mijn Westerbork-serenade / langs het spoorwegbaantje / schijnt het zilvermaantje / op de heide...'' Ze weigerden onder te duiken, uit vrees voor represailles tegen hun vrouwen die nog in Westerbork zaten.

,,De reden om dit tweetal extra te belichten,'' zegt Allison Mercher van het Imperial War Museum, ,,is gelegen in het contrast tussen hun vooroorlogse bekendheid en de manier waarop ze aan hun einde zijn gekomen. Ze waren populair en toch hebben ze de jodenvervolging niet overleefd.'' Het museum kan beschikken over enkele bruiklenen van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork, zoals een in 1944 door de gevangen kunstenaar Leo Kok vervaardigde tekening waarop Kannewasser en Van Wezel in overalls aan het werk zijn in de vliegtuigsloperij van het kamp.

Het lot van Johnny and Jones is ook het onderwerp van een opera die componist Theo Loevendie en librettist Carel Alphenaar schrijven voor het Holland Festival van volgend jaar. ,,Ik kende het verhaal al jaren,'' zegt Loevendie, ,,maar werd er weer aan herinnerd door een artikel over die episode in 1944 in Amsterdam, toen er druk op hen werd uitgeoefend om onder te duiken. Daar zit ook alles in wat ook in mijn leven belangrijk is geweest: oorlog en vervolging en het feit dat die jongens jazzy angehaucht waren. Ik ben er helemaal van bezeten.''

Loevendie zal geen gebruik maken van de oorspronkelijke liedjes: ,,Het blijft een opera en dus fictie, het wordt geen documentaire. Maar ik schrijf wel dingen in hun trant. Daar komt mijn eigen jazz-verleden weer om de hoek kijken; met die lichte toets voel ik me als een vis in het water. Ik ben nu ijverig aan het componeren.''