Koeterwaals

Hoe meer we met ons allen op elkaar gaan lijken, hoe krampachtiger de pogingen om zichzelf te onderscheiden. De homogeniserende krachten in Nederland zijn groter dan ooit. Van Delfzijl tot Terneuzen lopen mensen door dezelfde winkelstraten, lezen dezelfde bestsellers, kijken naar Spoorloos, vullen dezelfde formulieren in en bestuderen dezelfde foldertjes in de wachtkamer van de huisarts. Zelfs de allochtonen, van wie gezegd wordt dat ze een `andere cultuur' hebben, vind ik altijd een opvallend Nederlandse indruk maken, als ik ze hoor praten. Als ze eenmaal Nederlands spreken, dan worden meteen die typisch hedendaagse zinswendingen perfect uitgeserveerd: `dan heb ik iets van', de verkleinwoordjes en het wij-gevoel (uitgedrukt in de je-vorm). In spreekstijl niet te onderscheiden van een huisvrouw uit Sassenheim. Qua inhoud is er trouwens ook geen verschil. De meeste allochtonen willen helemaal geen hoofddoekjes voor de politie en ze willen zelf ook niet bij de politie werken, precies als de meeste autochtonen.

Taal is de krachtigste homogeniserende invloed die er bestaat. Veel sterker dan huidkleur, sekse of godsdienst of wat je nog meer aan onderscheidende kenmerken kunt verzinnen. Het aardige van taal is verder dat de ene de andere niet uitsluit. Het is onmogelijk om tegelijk christen en moslim te zijn, maar je kunt heel goed zowel Nederlands als Turks spreken. Juist het inclusieve aspect van taal, dat je er eentje hebt en er nog andere bij kunt leren, pleit voor handhaving van één standaardtaal binnen een maatschappij. Homogeniteit in een cultuur geeft minder problemen dan heterogeniteit. Op de meeste menselijke hoedanigheden die met diversiteit te maken hebben, valt geen invloed uit te oefenen. We hebben vrijheid van godsdienst, vrijheid van expressie en de vrijheid om in je eigen tijd je eigen koeterwaals te spreken. Maar taal is wel het enige element dat in het openbare leven iets kan overkoepelen.

Het is onbegrijpelijk dat er enerzijds stemmen opgaan om allochtonen te dwingen thuis met hun kinderen Nederlands te spreken, terwijl aan de andere kant hele gebieden in het toch al minuscule Nederland met succes hun plaatselijke lingo tot erkende streektaal weten te promoveren. De ellende is begonnen met de erkenning van het Fries. Daarna volgde het Neder-Saksisch, het Limburgs, en nu ook, schuchter, het Zeeuws. Niet dat zo'n erkenning veel om het lijf heeft, maar je krijgt wel de stompzinnige dubbele straatnaambordjes, het zwelgen in folklore en het met kunst en vliegwerk onder één noemer brengen van vijftig verschillende dialecten. Alle standaardtalen zijn kunstmatig, omdat ooit eens een commissie de afpraken heeft geboekstaafd en knopen doorgehakt. Dus ook het Fries is een compromis tussen het Dokkums en het IJlsts en de rest.

Dit gepunnik met grammatica en woordenlijstjes is misschien een onschuldig tijdverdrijf voor hobbyisten, kwalijker wordt het als mensen die er niets mee te maken hebben, bijvoorbeeld immigranten uit de Randstad, buitengesloten worden, omdat ze de taal niet spreken. Op school is Fries een extra en verplicht vak. Wie wil er van buiten in Friesland komen werken? Niemand natuurlijk, want niemand is gemotiveerd om een taal met zo'n minimaal bereik te leren. En als ze werkelijk grote literatuur hadden in Friesland, zou die wel vertaald zijn.

In andere delen van het land loopt men minder hard van stapel met de streektaal, maar ook daar heerst sentimentalisme, pretentie en, het ergst van alles, provincialisme. Je probeert jezelf te onderscheiden als iets heel bijzonders met je streektaal, maar je slaagt er alleen maar in jezelf te isoleren. Wie is er nu geïnteresseerd in formalisering van de streektaal, behalve een paar filologen en lokale cultuurconserveerders? Ook de streektaalsprekers zelf (behalve de Friezen) beseffen heel goed dat de standaardtaal hun poort naar sociale mobiliteit en maatschappelijk succes is.

Een overheid kan nooit iemand verbieden z'n moedertaal te spreken. Maar ze hoeft al die moedertalen niet te erkennen. Geen Turkse, Marokkaanse, Friese of Neder-Saksische folders. We wonen hier in Nederland.