Kinderschrik

,,Iedereen heeft wat. Iets moois waar hij blij mee is omdat het helemaal van hem is. Waar zelfs grote mensen van hebben af te blijven. Blijf er van af, fikken thuis, dat is nu toevallig eens helemaal alleen van mij. Ik weet wel dat moeder van mij is en dat ze zegt dat ze blij is dat ze mij heeft en dat ik haar schat ben, maar al is het mijn eigen moeder en zelfs de liefste, iedereen op de wereld heeft wel zo'n beetje een moeder.

Nee, iets hebben van jezelf waar je altijd naar hebt verlangd. Waaraan je denkt als je gaat slapen en aan kunt denken (als je dat tenminste zelf wilt) als je opstaat.

Ik heb toevallig niks. Als ik zeg wat ik wil, lacht iedereen me uit: een toverlantaarn met een echt elleboogschoorsteenpijpje, plus een waskaars binnenin en glazen toverlantaarnplaatjes. Dan kan ik hier op zolder, als ik het een beetje aan kant maak, een eigen bioscoop beginnen. Dan kan ik er steeds nieuwe plaatjes bijkopen voor een andere voorstelling.

Vanmiddag na school, liep ik langs opoe Luut. Ze woont in een onbewoonbaar verklaarde woning. Dat staat op de deur. Die is zo eng. Ze komt regelrecht uit een griezelboek van de Nutsbibliotheek. Echt waar, ik heb vaak gezien dat ze op haar kromme schouder een pikzwarte kat draagt, die als het bijna donker is, vuur in zijn ogen heeft. Een echte heksenkat. Want opoe Luut is een heks, daarom rookt bij haar 's winters en 's zomers de schoorsteen. Kromme neus. Slierten ongekamd grijs haar en natuurlijk wratten op de wangen. Zelfs als je vlug doorloopt ruik je haar. Toch kan ik het niet laten er langs te gaan. Als ik me omdraai kijkt ze me na en dan lacht ze. Eng of niet?

Kromme wandelstok. Die heeft ze zelf uit ondoordringbaar gruwelbos van een eeuwenoude eik gesneden terwijl een zwerm krassende kraaien overvloog. Ik weet er alles van, want ik heb het zelf allemaal woord voor woord in mijn geheime schrift uit dat griezelboek van Het Nut overgeschreven. Boven, op mijn eigen stuk zolder, bij het licht van een kaars, dan is het pas echt doodeng.

Deze keer had ze geen kat op haar rug. Ze stond met een oude bezem haar stoep te vegen. ,,Kom eens binnen bij opoe Luut, ik heb wat voor je mijn jongen.'' Ik er vandoor. Thuis zegt moeder: ,,Ach kind, dat is helemaal geen heks. Het is opoe Luutje, die is een beetje raar in het hoofd sinds ze haar man en enig kind aan de Spaanse griep heeft verloren. Die doet echt niemand kwaad.''

Buurvrouw weet wel beter: ,,Dat mens is een gevaar in de buurt. Het is een Kinderschrik. Die hadden ze al lang moeten opsluiten. Dat krot waarin ze zit is toch een aanfluiting voor ons soort mensen? Een wandelstok? Die loopt 's nachts met een bezem rond. Ik heb het zelf gezien dat ze bij ons voor de deur aan het rondspoken was. Er zijn hier in de buurt niet voor niks kinderen verdwenen die nooit meer zijn teruggevonden. Ra, ra, hoe kan dat?

Mijn Eppo heeft na zijn nachtdienst gekerm en gehuil van kindertjes gehoord. Hij zegt dat ze er zeep van trekt en dat aan de boeren op het Hogeland verkoopt. Als ze daar kinderen mee wassen, lopen die regelrecht naar de stad naar opoe Luut en dan gaan ze bij haar de pot in, want daarom brandt er dag en nacht turfvuur bij haar. Je mag het natuurlijk niet zeggen omdat je tegenwoordig sowieso je mond moet houden hoe je over dat soort mensen denkt, maar vroeger werden die wel mooi in het openbaar op de Grote Markt verbrand. Mooi wel. Nee, één ding staat vast, het is een echte Kinderschrik.''

,,Kom'', zegt moeder als buurvrouw de deur uit is, ,,jij naar bed. Kinderschrikken bestaan niet. De enige Kinderschrik is buurvrouw zelf. Je ziet helemaal pips om je neus. Ik breng je wel naar boven.''

Op een avond kom ik in het donker alleen van de Nutsbibliotheek. Het regent en het waait. De herfstblaren vliegen alle kanten op als ik langs het huis van opoe Luut kom. Al kletst buurvrouw uit haar nek, ik hoor duidelijk gekerm. Daar ligt opoe Luutje op haar stoep waar ze op de natte bladeren is uitgegleden.

,,Help me jongen, help me overeind. Ik ben gevallen.''

Nou, ik mooi niet. Ben je helemaal gek? Ik zeker in die pot boven het turfvuur terechtkomen en dan het platteland op. Wegwezen hier. Maar als moeder nu gelijk heeft dat er helemaal geen heksen en Kinderschrikken bestaan en dat opoe Luutje gewoon heel normaal is uitgegleden. Gewoon als mens, zeg maar als opoe, als elke andere opoe op de wereld?

,,Opoe Luutje'', zeg ik, ,,heeft u zich zeer gedaan opoe Luutje?''

Wat ben ik een held. Een held die zich lekker niks van het slappe gelul van buurvrouw aantrekt. Ik help haar op te staan. Nou, ik wil niet veel zeggen maar ze stinkt wel heel erg naar zichzelf. Gos, wat is ze licht die opoe. Met gemak draag ik haar het huis in. Bij de kachel ligt in het zwakke schijnsel van een petroleumlamp haar zwarte kater, die meteen begint te spinnen als we binnenkomen.

Opoe Luutje draait het licht wat hoger. Het gaat wel weer. Ze ziet er van dichtbij met dat petroleumlicht veel en veel griezeliger uit, maar nu ik hier eenmaal ben, is het een kwestie van even flink doorzetten, dan kom ik zo meteen met een mooi verhaal thuis.

,,Ik ken je wel. Je loopt hier toch altijd langs? Ik ken je moeder ook. Dat is een lief mens. Ga maar zitten, dan krijg je wat van opoe Luutje. Ik heb wat voor je.''

O, nee hè? Geen zelfgemaakte chocolademelk met dikke vellen of koekjes die ze al een hele tijd is kwijtgeraakt. Wat rommelt ze nu daarachter in het donker. Wat moet ik met die oude doos? Ik moet hem openmaken. Eerst een boel oude kranten en dan: kijk eens wat ik in mijn handen houd. Een echte toverlantaarn. Helemaal gaaf, met een elleboogschoorsteenpijpje. Er zit zelfs een dikke waskaars in. Een puntgave koperen lens! Dit gelooft niemand. ,,Mooi of niet? Daar keken we nu met onze jongen naar toen hij hier nog zat. Nou ja, toen we hier nog met z'n drietjs zaten. De plaatjes zijn in het begin een beetje griezelig, ze gaan over Kinderschrik. Maar dat went wel.''