Kinderen met risico's identificeren

De Raad voor de Kinderbescherming gaat risicogroepen identificeren. Op basis van bestaande dossiers zal de Raad een analyse maken van kinderen die het meest met opvoedingsproblemen, mishandeling of misbruik in aanraking komen.

De Raad wil met die kennis een `pedagogische ambassadeursfunctie' gaan vervullen: voorlichting geven aan onder meer scholen en artsen. Het landelijk management van deze justitiële instelling heeft gisteren besloten dat preventie het `tweede hoofdproces' wordt, naast de traditionele, repressieve taak. Nu is de Raad afhankelijk van meldingen van opvoedingsproblemen, misbruik of mishandeling van kinderen. Dan kan hij onderzoek doen en, door inschakeling van de rechter, kinderen onder toezicht laten stellen. Een gezinsvoogd ziet dan toe of de gewenste veranderingen optreden. In de afgelopen jaren schommelt het aantal kinderen dat betrokken is bij beschermingszaken tussen de tien- en de elfduizend.

De Raad zal proberen te verhinderen dat kinderen in een situatie terechtkomen waar ze alleen met repressieve middelen uit te halen zijn. Volgens Coördinator beleidszaken R. de Jonge van de Raad raken nu kinderen in de problemen zonder dat de Raad daar iets aan kan doen. ,,Hoe komt het bijvoorbeeld dat wij nooit jonge kinderen zien die in de prostitutie zitten, terwijl we weten dat ze er zijn?''

Als voorbeeld van ,,pro-actief zijn'', noemt De Jonge de manier waarop de Raad nu al partner is bij echtscheidingsbemiddeling. Kinderen van gescheiden ouders kunnen een risicogroep vormen, zegt De Jonge. Net als kinderen van drugsverslaafden en kinderen van buitenlanders die illegaal in Nederland verblijven. Of de harde kern van spijbelaars.

De Jonge ziet de Raad in de toekomst ,,pedagogische handreikingen aan ouders'' geven en vergelijkt die praktijk met de consultatiebureaus. ,,Die geven vooral informatie over de lichamelijke ontwikkeling van het kind. Maar waar zitten de knelpunten? Niet alleen daar, maar ook in de pedagogiek.''

De Raad voor de Kinderbescherming moet geen `profeet of zedenmeester' worden, zo heeft gisteren het landelijk management benadrukt. Maar, zegt De Jonge, ,,de pedagogische pretentie is fundamenteel bij ons aanwezig. De maatschappelijke discussie bepaalt hoever wij daarin mogen gaan.'' In Nederland is volgens hem de afstand tussen overheid en gezin groot en wordt het personen- en familierecht gedefinieerd door de rechten en plichten van ouders. De Jonge: ,,Wij willen meer uitgaan van de ontwikkelingskant van het kind. Wat vindt de samenleving waar onze kinderen op mogen rekenen? We moeten kinderen de kans geven zich te ontwikkelen tot een door zichzelf gerespecteerd en geaccepteerd staatsburger.''