Haider als demonstratie

Rechts- en links-radicalisme zijn normale verschijnselen. Het is niet de vraag of ze moeten worden `uitgebannen', maar hoe sterk ze zijn, of er groei in zit, waarom dat zo is, en in welke gedaante ze zich ontwikkelen. Het links- radicalisme in West-Europa is numeriek zwak. Als het groeit kan dat twee oorzaken hebben. Of de partij is voortdurend in de oppositie en voelt zich daardoor vrijer om radicale kritiek uit te oefenen, die de deelgenoten in een coalitie van het midden – belast door politieke vriendschappen – niet voor hun rekening willen nemen – in Nederland de SP. Of zo'n partij beweegt zich, verlangend naar regeringsverantwoordelijkheid, geleidelijk verder naar het midden, zoals de Groenen. In beide gevallen is het democratisch in orde.

Evenmin als links-radicalisme is dat van rechts per definitie ondemocratisch, al denkt men daar bij voorkeur aan een strenge rangorde die autoritair gehandhaafd moet worden. De rechtervleugel van menige conservatieve partij heeft markante vertegenwoordigers van dit type, die er niet aan denken, de regels van de democratie opzij te zetten. Het probleem begint pas, als twee andere dingen gebeuren. Of de aanvoerders betuigen als radicalen respect aan de regels van de democratie en zien binnen deze beperkingen hun macht groeien. Of de partijleiding beroept zich op een antiparlementaire traditie, zelfs op voorgangers die buiten deze kring als misdadigers worden beschouwd, en desondanks (of ook daardoor?) stromen de kiezers toe.

Bij de FPÖ is het niet een òf òf, maar een èn èn. Dat is het door Haider zichtbaar geworden probleem. Zijn Karinthische aanhang heeft redenen gehad om hem als de verdediger van haar belangen te beschouwen, maar daarbij is zijn geclausuleerde nazi-sympathie geen beletsel geweest. Dat hij is afgetreden als partijleider, maakt geen verschil. Zijn provincie blijft zijn solide basis. En van een afstand zijn nationale en internationale avonturen bekijkend, zou men kunnen vermoeden dat hij, eerst in zijn rol van slachtoffer, en nu van held die zich voor het land opoffert, er niet zwakker op wordt.

Alle Europese landen hebben hun rechts-radicalen. In Frankrijk heeft een paar jaar geleden de liberaal-conservatieve UDF de partij van Le Pen buiten de deur weten te houden. Zelfs dit voornemen tot samengaan heeft de UDF zware schade bezorgd. Het is op het ogenblik ondenkbaar dat uit het rechts-radicalisme in België, Duitsland of Nederland een dergelijke partij zoveel succes zou hebben dat ze daarmee tot de status van de FPÖ zou worden bevorderd. Het betrekkelijk geringe verlies van de CDU in Sleeswijk-Holstein, bij een opkomst van 70 procent, geeft aan dat in ieder geval de rabiate rechts-radicalen buiten het bestel van de grote partijen niet van het Kohl-schandaal profiteren.

In de marge van de wetenschap verschijnen van tijd tot tijd historici – David Irving, Roger Garaudy – die willen bewijzen dat de Duitse concentratiekampen niet hebben bestaan. Ze krijgen geen voet aan de grond, hun boeken worden weggehoond. Er zijn winkeltjes en handelaars op Internet die zich specialiseren in nazi-parafernalia, lectuur, enz. Ze houden zich staande door een beperkte klantenkring van gerichte liefhebbers. Ook daar dreigt in politiek opzicht geen serieus gevaar.

Maar door deze marginaliteit van rechts-radicaal in de rest van Europa aan te voeren, wordt de FPÖ niet genormaliseerd, noch gebagatelliseerd. Door zijn meningen over Hitler en de SS openbaar te maken, heeft Haider het zijn tegenstanders tegelijkertijd gemakkelijker en moeilijker gemaakt. Gemakkelijker omdat hij daarmee de beste, meest voor de hand liggende reden geeft om hem af te wijzen. En moeilijker omdat men bij deze afwijzing geneigd is, zich niet af te vragen waaraan hij zijn succes nog meer te danken kan hebben. En juist dat laatste is belangrijk, omdat toch niet te geloven valt dat Karinthië na 55 jaar het laatste bolwerk van de nazi's is. Anders gezegd: een Haider zonder uitdrukkelijke referenties aan het nazisme zou voor de machtsverhoudingen van vandaag in wezen geen andere politicus zijn. Door Hitler te noemen heeft hij eerder afbreuk gedaan aan het effect van zijn demagogie en zijn programma. Zonder deze faux pas had hij het er misschien nog beter afgebracht, en had zijn partij nu in de coalitie gezeten zonder dat Europese opschudding was ontstaan.

Rechts-radicalisme wordt het snelst herkend als het verschijnt in de vertrouwde gedaante van het nostalgisch nazisme. Dan heeft het geen kans op enige groei. Haider is een halve stap verder. Hij heeft ultrarechts ten dele gemoderniseerd. Hij is gegroeid uit de stagnatie in zijn eigen land, hij heeft het onbehagen over de immigratie uitgebuit, en na zijn succes heeft hij voor eigen publiek met demagogische slagvaardigheid het buitenlands geschut weten te keren. Hij maakt, ondanks zijn aftreden als partijleider, niet de indruk dat hij vlug het veld zal ruimen. Wat eerder dan verwacht steken in zijn partij de ruzies op, die in dergelijke verenigingen blijkbaar onvermijdelijk zijn. Dat is het enige hoopvolle aan zijn verschijning.

Rabiaat rechts in de rest van Europa heeft geen behoefte aan een leider met moderne allure. Een nieuwe vorm van ultrarechts heeft dat wel. De enige vraag die er in dit verband toe doet is, wat een nog verborgen nieuw rechts waard zou zijn, onder minder gunstige omstandigheden dan die waarin Europa nu verkeert. Het kost niet zoveel moeite om zich zulke omstandigheden voor te stellen. Een actuele aanleiding in Nederland is het hernieuwd nationaal debat over de multiculturele samenleving. Dat leidt voorlopig tot twee conclusies: de grote meerderheid van de deelnemers is het er over eens dat het probleem niet is opgelost; en de toonzetting is overwegend ethisch.

Eén aspect blijft onbesproken: wat de politieke gevolgen zijn als hier een onderklasse wortel schiet die zich met geen van de bestaande partijen kan vereenzelvigen. En wat daarvan het voortgezette gevolg is, als bij een economische teruggang andere groepen kiezers ervaren dat ze niet onkwetsbaar zijn. Tenslotte, tot welke nachtmerrie van tegenstellingen dit kan leiden. Dat is een klassiek gegeven: een middenklasse, voor een groot deel in het gedrang geraakt, tegen een onderklasse die in een vroegere periode het lompenproletariaat werd genoemd.

Zo'n nachtmerrie is voor een politicus van het type Haider, maar dan verder gevorderd, een droom. Dat we nu van zo iemand hier niets moeten hebben, is vanzelfsprekend. De verdienste van zijn verschijning is dat hij een glimp laat zien van wat mogelijk is.