`Ik identificeerde me met Bram Vingerling'

Telefonisch had Harry Mulisch me al gewaarschuwd. ``Ik heb in Voer voor psychologen al eens geschreven over het boek dat een beslissende invloed op mijn leven heeft gehad. Heeft het wel zin het in de krant nog eens dunnetjes over te doen?' Inderdaad, Voer voor psychologen bevat een verhaal met de titel `Zelfportret met tulband', met daarin de volgende alinea: `Voor de honderdste keer ga ik de eerste hoofdstukken van De wonderlijke verdwijning van Bram Vingerling lezen. Vorige week heb ik het boek gekregen. In de droge, uitlogende warmte, die de zon op zondag achter glas heeft, word ik opgenomen in de onvergetelijk dichte beschrijving van Vingerlings opus. Ik lees het nog eens en nog eens, ik kan er niet genoeg van krijgen. Het huis waarin hij woont. De bel die gaat. Zijn hond. Dat is een leven, dat van Bram Vingerling. Scherp, helder, als een klap op de tafel. Wat is daarmee vergeleken het mijne?'

``Ik moet De ongelofelijke avonturen van Bram Vingerling ongeveer in 1939 gelezen hebben', zegt de schrijver van het nu al omstreden boekenweekgeschenk 2000, ``ik was toen twaalf jaar. Mijn ouders waren gescheiden. Mijn moeder woonde in Amsterdam, ik in Heemstede. Iedere woensdagmiddag rond twaalf uur leende ik een boek uit de bibliotheek in Amsterdam en als ik rond vier, vijf uur weer wegging, had ik het uit. Maar dit was vast geen bibliotheekboek. Ik denk dat Alice, mijn moeder, het mij voor mijn verjaardag had gegeven. Het was vooral het begin dat me boeide. Die jongen die op de markt een oud boekje vindt, met een geheim recept tot onzichtbaar worden. En die tekeningen! Op een gegeven moment maakt Bram Vingerling zichzelf onzichtbaar en beleeft hij allerlei avonturen. Die zeiden me niet zoveel. Ik denk dat de meeste jongens het boek juist daarom lazen, maar bij mij was dat niet zo. Het ging mij om dat boek dat ik aan het lezen was, het boek zelf.'

Met zichtbaar genoegen bladert Mulisch door de eerste druk, die ik enkele dagen daarvoor in een Amsterdams antiquariaat heb gevonden. ``Mooi, die eerste druk. Jongens van een jaar of twaalf moeten allemaal Bram Vingerling lezen. Kijk, dat soort plaatjes', zegt hij en wijst naar een tekening waarop Bram Vingerling over de boekenmarkt slentert. ``Ik wilde ook scheikundeproeven gaan doen, maar dan moest ik eerst zo'n oud boekje met recepten hebben. Dus ging ik naar de markt om er één te zoeken. Natuurlijk vond ik niets. Ik heb ze later zelf allemaal moeten schrijven, de boekjes die ik toen zocht.'

Bram Vingerling volgt de instructies van de `Ars magica, De geheyme ofte swarte conste' uit zijn boekje en mengt boven een kaars, in een wit porseleinen potje, zwavel, salpeter, natrium, petroleum en nog veel meer andere vloeistoffen, tot er blauwe vonken uitschieten. ``Ik wilde als twaalfjarige scheikundige worden. Ik wilde de Nobelprijs voor chemie krijgen', zegt Mulisch, ``ik identificeerde me met Bram Vingerling, met de grote geleerde die ik worden wou. Op de deur van mijn zolderkamer stond `Laboratorium prof. dr.mr.ir. H.K.V. Mulisch Esq.', precies zoals ik in Voer voor psychologen beschrijf. Toen ik er een tijdje niet was geweest, was alles overdekt met muggen, een vreselijke plaag. Het was oorlog, uit strategische overwegingen hadden ze half Noord-Holland onder water gezet. Ik heb de muggen met zwavel en salpeter vergast.' Van Mulisch' wens scheikundige te worden kwam niets terecht. ``Ik werd van school getrapt, het werd oorlog. Toen ben ik gaan schrijven. Dat zat op de één of andere manier al in dit jongensboek besloten.'

In Voer voor psychologen beschrijft Mulisch hoe zijn interesse voor chemie leidde tot zijn schrijverschap. Van scheikunde tot literatuur. ``Wat mij interesseerde was helemaal niet de chemie, maar de alchemie. In de alchemie zoekt men naar de steen der wijzen. Dat is ook een soort elixer om onzichtbaar te worden. Het is allemaal hetzelfde. De alchemist is iemand die probeert lood te veranderen in goud. Maar in feite gaat het hem daar niet om. Het gaat hem erom zijn ziel in goud te veranderen. De alchemisten die, in de Middeleeuwen en aan het begin van de Renaissance, zeiden dat ze goud konden maken, waren oplichters. Een echte alchemist doet dat niet. Die hele structuur van iemand die daar op tafel iets doet, terwijl hij in werkelijkheid aan zijn ziel werkt, aan zichzelf, dat vond ik een mooi beeld voor het schrijven – überhaupt voor het maken van ieder kunstwerk.'

Voer voor psychologen bevat ook een `Schets ener inleiding tot de grondlegging van een onderzoek naar de hermetische oorsprongen van Bram Vingerling'. Wie was Bram Vingerling?, vraagt Mulisch zich daar af, om vervolgens zelf het antwoord te geven: `Ik wil het openbaren: Hermes Trismegistus.' ``Dat is een mythische figuur', zegt Mulisch, ``een van oorsprong Egyptische priester, van wie werd gezegd dat hij de uitvinder van het schrift was. Hij was als het ware de volwassen opvolger van Bram Vingerling. Dat is mijn hoogstpersoonlijke mythologie. Andere mensen gebruiken hem weer heel ergens anders voor. Het is natuurlijk ook een spel, een literair spel. Kijk, de kunstenaar is iemand die speelt met woorden, met verf, met noten. Daarin lijkt hij niet op een volwassene die speelt, die een potje weet ik wat doet, maar op een kind. Een volwassene heeft de reflectie dat hij aan het spelen is, voor een kind is zijn spel totale ernst. Ik denk dat het voor Bram Vingerling ook heel serieus was. Zijn vader gaat ervan uit dat hij boven lekker zit te spelen met zijn scheikundedoos, maar hij is met iets heel anders bezig. Hij werkt aan een elixer waarmee hij onzichtbaar kan worden, macht kan uitoefenen. En dat lukt hem.'

De hoofdpersoon uit Mulisch' laatst gepubliceerde roman, De procedure, probeert uit bepaalde stoffen een levend wezen te maken en ook dat lukt. ``Victor Werker, de hoofdpersoon uit die roman doet alles wat ik wou, maar niet heb gedaan. Ik ben iemand die scheikundige wilde worden, maar schrijver werd. Hij wilde schrijver worden, maar werd geleerde. Het is een soort spiegelfiguur van mijzelf. Geleerden zijn mensen die lekker aan het spelen zijn in hun laboratorium. Dat vinden ze leuk, ook al vinden ze de atoombom uit. Iedereen denkt altijd dat bèta-mensen heel anders zijn dan alfa-mensen, maar dat is helemaal niet zo. Het gaat geleerden ook om de schoonheid, om de esthetische categorie van een formule, van een werktuig of van een kettingreactie, die ze mooi beheerst kunnen laten verlopen. Het draait allemaal om de esthetica. Dat geldt voor iedereen die iets maakt.'

``Voer voor psychologen gaat over kinderen, mythes, alchemie, scheppingsprocessen. Ja, dat kun je niet helder krijgen. Dat moet ook niet. Het is alsof je een grote, gotische kerk binnengaat, vol wierookvaten, het is er wazig, je ziet haast niets. Je kunt zeggen, daar houd ik niet van. Je wordt protestant en kalkt een grote ruimte wit. Maar dan is het mysterie weg. In Russisch-orthodoxe kerken is het nog donkerder, dat is helemaal schitterend. Veel kaarsen. Dat is theater. Daar houd ik van. Mijn laatste boekje, Het theater, de brief en de waarheid, gaat ook weer over theater. Je bent dood of je bent levend, maar in dit boekje gebeurt het alletwee. Dat leek me interessant om te doen op die manier. Het heeft ook niets met Jules Croiset te maken, want die leeft. En zijn vrouw ook. Het is een spel, hoog spel. Dat merken we nu.'

Leonard Roggeveen: De ongelofelijke avonturen van Bram Vingerling.

Uitg. G.B. van Goor.

Met platen van O. Kerssen.