Eieren en aronskelken

Na de oorlog was surrealistische kunst verdacht geworden, daarom vertrok schilder Lodewijk Bruckman naar Amerika, waar hij meteen succes had.

Werk van hem werd aangekocht door The Metropolitan Museum of Art, het Chicago Art Institute, het Brooklyn Museum, het Museum of Fine Arts in Chicago en door nog een lange reeks van Amerikaanse kunstburchten alsmede door belangrijke verzamelaars, zowel particulieren als bedrijven als Philips America en Texas Instruments.

Bedoeld wordt de in Den Haag geboren Lodewijk Bruckman (1903-1995) die al in de jaren twintig van de vorige eeuw een virtuoos magisch realisme bedreef en daar onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog in Amerika de waardering en roem mee verwierf die hier enkele jaren na hem aan onder anderen Carel Willink ten deel viel.

Als Bruckman in Nederland was gebleven zou hij als vanzelfsprekend in het rijtje Hynckes, Koch, Willink en Ket zijn terechtgekomen. Nu bleef hij als schilder ondanks zijn Amerikaanse successen in Nederland onbekend. Slechts op één speldenprik op de kaart van zijn Nederlandse vaderland zegt zijn naam iets meer, namelijk in het Oost-Groningse Bellingwolde waar hij zijn laatste jaren doorbracht. Hij schonk er de gemeente enkele tientallen werken uit de jaren zestig tot eind tachtig, die nu te zien zijn in het kleine E-7 Museum, genoemd naar de acteur Evert Zeeven die jarenlang zijn levenspartner was.

De schenking werd in 1988 onthuld in het gemeentehuis waar het publiek kon kennismaken met het werk van een door vele fantasieën bevlogen vakman in het fijnschilderen. Zijn schilderijen lijken in hun overvloed van minutieus gepenseelde voorwerpen op de proeven van bekwaamheid waarmee zeventiende-eeuwse schilders zich toegang tot de gilden verschaften. Snoeren van uitgeblazen eieren, vogelschedels, bloemen, ranken, etenswaren, veren, fruit en nog veel meer worden in steeds wisselende configuraties gerangschikt op of rondom hevig generfd hout. Ze zweven door de lucht, haken zich aan elkaar vast, verstrengelen tot boodschappen over het leven en de dood, over groeien en afsterven.

Kortom: magisch realisme maar dan meestal lichtvoetiger, optimistischer dan we van `onze' realisten gewend zijn. Vrolijke noten door Dali-achtige surrealismen, een oog in een eierschaal, een opgeprikte en geknakte speelkaart, een maskertje met echte ogen.

De tentoonstelling in het zo ver van de Randstad gelegen Bellingwolde werd door een enkele krant genoemd, maar het werk vergleed later toch weer in de vergetelheid.

Dat wordt nu wellicht gecorrigeerd: een groter en completer overzicht van Bruckmans werk in het Amsterdamse Spiegelkwartier geeft hem, zij het postuum, nu een nieuwe kans om toch de plaats in het verhaal van het Nederlandse schilderen in te nemen, die hij verdient.

In de galerie De la Tour Fine Arts in de Kerkstraat worden ongeveer dertig werken, ontstaan tussen 1921 en 1965, getoond en ook een deel van het archief-Bruckman met brieven, knipsels, fotoalbums. Behalve dat hangt er ook werk van Karel Bruckman, Lodewijks tweelingbroer. Samen volgden zij hun opleiding, na het behalen van de akte hand- en rechtlijnig tekenen, in de schilderklas van Henk Meyer, hoofddocent aan de Haagse academie. Karel ontwikkelde zich tot toneelontwerper. Hij ontwierp decors en kostuums, bemoeide zich ook met belichting en toneelinrichting.

De expositie in de Amsterdamse Kerkstraat omvat overigens slechts een selectie uit een totaal bezit rondom Lodewijk Bruckman dat Paul van der Spek en Arman Killan, die de galerie drijven, in Amerika konden verwerven. De voorgeschiedenis daarvan is een zelfs enigszins romantisch verhaal, waarin het toeval een rol van betekenis speelt en daarmee het zoveelste bewijs is van willekeur waarmee de lijnen in de kunstgeschiedenis mede bepaald worden.

In 1998 kocht Paul van der Spek op een veiling in Amerika een schilderijtje van de hem onbekende Lodewijk Bruckman. Our daily bread heette het en er stonden dan ook zwevende broden op en voorts terracotta stenen en een geruite theedoek.

Toeval

Omdat hij het een mooi schilderijtje vond hing hij het thuis op. Enige tijd later viel het hem in zijn documentatie van galerist op dat er op een veiling, ook in Amerika, weer werk van Bruckman onder de hamer zou komen.

Hij besloot van de galerie in de Kerkstraat uit telefonisch mee te gaan bieden. Op dat moment bevond er zich in de galerie één mogelijke klant, althans een belangstellende, die hem bezig hoorde en meedeelde Lodewijk Bruckman te hebben gekend. De toevallig aanwezige bezat zelfs zoiets als een Bruckman-archief en was bereid dat aan de galerie te verkopen.

Uit dat archief kwamen de namen van twee verzamelaars tevoorschijn, die van een staalmagnaat Jack Harris en de naam van een zekere Jacob Javits, die in de staat Massachusetts senator was. De Amsterdamse firmanten zetten een relatie in Boston aan het werk, die ging onderzoeken of de verzamelaars tot verkoop bereid waren.

Bij Harris was dat aanbod precies op tijd. De Bruckman-schilderijen in zijn collectie waren aangeschaft door zijn vrouw die een bijzondere voorliefde voor deze kunstenaar had. Na haar dood werd de verdrietige echtgenoot door dat werk al te veel aan zijn vrouw herinnerd. In zijn rouwproces wilde hij daarom van de verzameling af en verkocht ongeveer 150 werken op papier en doek aan de Amsterdammers.

Ook senator Javits bleek bereid zijn dertig schilderijen en gouaches af te staan, zodat er in één grote groep een belangrijke Bruckman-collectie naar Nederland kon komen, waarin vooral het vroegere werk is opgenomen. Overigens is uit fotomateriaal af te leiden dat er zich ergens in waarschijnlijk de Verenigde Staten nog een omvangrijke Bruckman-collectie moet bevinden. Het is Killan tot dusver niet gelukt die verzameling te lokaliseren.

Uit het archief en uit een in 1994 door Lodewijk Bruckman in eigen beheer uitgegeven boek stelde de kunsthistorica Margreet Vermeulen een uitvoerig essay over de schilder samen dat bij de tentoonstelling in de Kerkstraat aande bezoekers verstrekt wordt. Aan dit geschrift is hier een aantal gegevens ontleend.

Waarom ging Bruckman al in 1948 naar Amerika?

Zijn belevenissen in de oorlog blijken bij die beslissingen een rol van betekenis te hebben gespeeld. Bruckman was betrokken bij het verzet, vooral via zijn toenmalige partner, de fotograaf Alexander (Lex) van den Berg, die lid was van de ondergrondse Oranjegarde, in 1941 al werd gearresteerd en 1943 op de Waalsdorpervlakte werd gefusilleerd. Bruckman kreeg daarna een koffer toegestuurd met daarin de kleren en schoenen van zijn vriend Lex. De spullen inspireerden Lodewijk Bruckman in zijn diepe verdriet tot het paneel In Memoriam, waarop de spijkerbeslagen zolen van de schoenen tevoorschijn komen uit een door twee aronskelken beheerste pol groen.

Het schilderij, dat door de kunstenaar als zijn beste werd beschouwd, is in de Kerkstraat te zien.

Kultuurkamer

Het is al te dramatisch, maar deze melodramatiek wordt met de kennis van de achtergrond toch overheerst door de ontroering die het oproept.

Na de oorlog bleek het magisch realisme politiek verdacht te zijn geworden omdat de Duitsers het zo mooi hadden gevonden als tegenhanger van de ontwaarde abstraherende en vervormende kunsten. Bovendien was Bruckman uiterst teleurgesteld door de houding in de oorlog van zijn min of meer directe collega's: Koch was domweg fout geweest, Hynckes had al in 1940 Seyss-Inquart, de Duitse stadhouder hier, op zijn atelier ontvangen en zelfs Willink werd niet zuiver op de graat bevonden omdat hij (aldus Margreet Vermeulen) in 1942 het doek `Prediker' aan het nazi-Departement van Volksvoorlichting en Kunsten had verkocht. Allemaal waren ze toegetreden tot de Kultuurkamer. Bruckman (die zijn naam oorspronkelijk met een ü en dubbel n moest spellen maar dit liet corrigeren) kon het kunstklimaat hier niet langer verdragen.

Een zuster van zijn gefusilleerde vriend Lex was in New York ballerina en kon hem in Amerika in artistieke kringen introduceren. Voor zijn definitieve vertrek in 1948 werd er in de Haagse kunstzaal Bennewitz een afscheidstentoonstelling georganiseerd van het werk dat sinds 1940 was ontstaan. Min of meer illegaal vervaardigd werk dus want van exposeren laat staan verkopen kon in de oorlog voor een niet bij de Kultuurkamer aangesloten kunstenaar geen sprake zijn. Ook op de afscheidstentoonstelling overigens waren de schilderijen niet te koop. Hij nam ze mee naar Amerika, samen met de veertig dollar waarover hij en zijn meereizende partner Evert Zeeven beschikten.

In Amerika sloeg het succes onmiddellijk toe doordat de toen gezaghebbende criticus Martin Birnbaum enthousiast was en hem een eerste expositie bezorgde.

Daarna volgden prachtige jaren van tentoonstellingen, prestigieuze prijzen en van veel rondreizen, waarbij hij onderweg steeds nieuwe indrukken opdeed. Evert Zeeven trad op als zijn manager zodat Lodewijk ongehinderd door kon bouwen aan zijn indrukwekkende oeuvre.

Ze gingen in Mexico wonen maar het werk bleef op de Amerikaanse kunstmarkt. De fotoalbums uit die tijd laten veel gelukkige kiekjes zien. De kunstenaar is er een knappe, slanke man, een `mooie jongen' zoals dat hier uitgedrukt zou worden.

Bruckman was inmiddels Amerikaan geworden maar zijn reislust - wellicht ook vanwege enig heimwee - begon zich ook weer tot zijn vaderland uit te strekken. Eind jaren zestig gaan Evert en Lodewijk terug en vestigen zich in een molen in het Zeeuwse Wemeldinge. Ze blijven er een paar jaar jaar wonen. Om ook in Nederland wat sporen achter te laten biedt hij de gemeente Goes een collectie van schilderijen aan, werken die mede door de Zeeuwse atmosfeer waren geïnspireerd. Overigens zou de overdracht pas in 1980 plaatsvinden.

De twee gaan weer terug naar Amerika, blijven in de jaren die volgen wat heen en weer reizen en vestigen zich tenslotte (ze zijn inmiddels oude mannen geworden) in Groningen waar Evert Zeeven vandaan kwam, in Bellingwolde, waar aan de gemeente 21 schilderijen worden overgedragen, bijna allemaal na zijn tachtigste vervaardigd.

Eieren

Uiteindelijk komt het vriendenpaar in 1989 in het Antonie Gasthuis in Leeuwarden terecht. Lodewijk schildert dan niet meer maar is wel met kleurpotlood bezig. In 1995 sterft hij in Leeuwarden.

Alles overziende is er in ons land toch wel af en toe getracht belangstelling voor Bruckman te wekken. Exposities in Goes en Bellingwolde, zelfs een televisiefilm werd over hem gemaakt. Maar het heeft allemaal geen Nederlandse erkenning mogen veroorzaken, de magisch realistische kaarten in ons land waren al geschud, de handboeken al geschreven en herdrukt. Lodewijk Bruckman was te laat, zijn plaats was bezet.

Ondanks dat alles is er nu toch een vrij volledig uitsnede uit zijn oeuvre in Nederland. Voldoende voor een overzicht dat begint met zijn wat symbolistische tekeningen uit de jaren twintig maar al spoedig oprukt naar het vrijwel volmaakte, door alles om hem heen geïnspireerde, vakmanschap van later.

De schilder lijkt voortdurend bezig zijn kunnen te demonstreren en verder te brengen. Het ei, de eieren blijven hem boeien, een ei heeft in de natuur zo ongeveer de mooiste vorm, maar is door de specifieke schaduwschakeringen erop voor een schilder heel moeilijk te benaderen. Bruckman blijft het met succes volhouden. Zijn kleuren zijn helder, soms hard waardoor geen detail verdoezeld kan worden en de schilderijen een moderne variant van de oude vanitasgedachte worden.

De uitnodiging aan de beschouwer om zich het vergankelijke van alles te realiseren wordt bij Bruckman altijd verzacht door de optimistische overtuiging dat uit alles wat vergaat weer iets nieuws en moois tevoorschijn komt.

Lodewijk Bruckman, schilderijen, werken op papier en archiefstukken, tot 18 maart bij De la Tour Fine Arts BV, Kerkstraat 149, Amsterdam. Ma t/m za 13-18u