Verjaring speelt rol bij kwestie-Malevitsj

De erven van de Russische avant-gardekunstenaar Kasimir Malevitsj hebben een brief geschreven aan het Stedelijk Museum. Zij vechten de aankoop van de collectie-Malevitsj in 1957 aan.

Als de erven menen dat de aankoop niet legitiem was, moeten ze maar naar de rechter gaan. Dat was vorig jaar de laconieke reactie van directeur Rudi Fuchs van het Stedelijke Museum Amsterdam toen vragen opdoken over een belangrijk ensemble van werken van Kasimir Malevitsj in het bezit van zijn museum. De Russische modernist had de collectie voor de oorlog in Duitsland overhaast moeten achterlaten. De architect Häring bij wie de werken terecht kwamen, heeft ze in de jaren vijftig verkocht aan het Amsterdamse museum.

Het is deze transactie die nu wordt aangevochten. Er zijn inderdaad vraagtekens bij te plaatsen. Was Häring wel gerechtigd tot volledige verkoop over te gaan, kon hij wel beschikken over de eigendom? De manier waarop hij in het bezit is gekomen van de werken duidt op een vorm van bewaarneming. Daarbij treedt iemand niet in de plaats van de eigenaar, maar neemt hij juist de plicht op zich om voor de eigenaar zorg te dragen voor bepaalde objecten.

De Duitser heeft zich niet met een Jantje van Leiden afgemaakt van zijn zorgplicht. Tijdens de oorlog heeft hij het werk verborgen. Pas toen hij zijn einde voelde naderen, kwam overdracht aan het Stedelijk Museum aan de orde. Daar was een goede reden voor: voorkomen dat het ensemble uiteen zou vallen. Toch stuurde Häring eerst nog aan op het in bruikleen geven tegen vergoeding. Dat past meer bij iemand die zichzelf beschouwt als bewaarder dan iemand die zich volwaardig eigenaar voelt. Het kwam vooral op aandringen van het Stedelijk Museum tot een complete verkoop.

Wat de partijen over de streep trok was een `deskundigenrapport' dat in juni 1956 werd opgesteld door Härings zwager Böhme, een Rechtsanwalt in Braunschweig. Deze stelt dat Malevitsj de stukken in 1927 weliswaar in bewaring had gegeven maar daarbij had gezegd dat de collectie zou overgaan op Häring als hij niets meer van zich zou laten horen. Malevitsj stierf in 1935 in Rusland zonder dat de Duitser iets van hem had gehoord. De vraag is of dat in die beroerde periode had gekund.

Een probleem met schenking is bovendien dat zij alleen geldig is indien zij wordt gedaan bij akte. Daarvan was geen sprake. Maar Böhme vond dat dit vormgebrek werd ondervangen door de daadwerkelijke gift van de kunstwerken door Malevitsj aan Häring. Er ontbreekt echter niet alleen een akte, maar ook ieder direct bewijs dat er sprake was van een voorwaardelijke schenking. Böhme baseert zich volledig op een verklaring van Häring die hij een maand voor zijn rapport notarieel had vastgelegd, dus bijna dertig jaar na dato.

Deze verklaring betitelt de jurist zonder nadere adstructie als ,,geloofwaardig en voorzover mij bekend door niemand bestreden''. Een tijdgenoot van Häring als Naum Gabo, die zich actief heeft ingezet voor het onderbrengen van de collectie in een behoorlijk museum, lijkt er echter in zijn correspondentie wel degelijk steeds van te zijn uitgegaan dat de eigendom berustte bij de erven-Malevitsj en dat er dus geen sprake was geweest van een voorwaardelijke schenking. De verklaring van Häring valt ook moeilijk te rijmen met aanwijzingen van tijdgenoten dat hij het ensemble niet rechtstreeks van de kunstenaar in ontvangst heeft genomen.

Böhme legde nog een tweede juridisch ijzer in het vuur. Als Häring al niet door schenking bij de dood eigenaar was geworden, dan zou hij dat in elk geval in 1945 zijn geworden door verkrijgende verjaring. Dit veronderstelt naar Duits recht goede trouw – en die mist een bewaarnemer per definitie. Nederland heeft het vereiste van de goede trouw in 1992 overigens laten vallen. Al met al komt de juridische grondslag voor de verkoop van de collectie-Malevitsj nogal gekunsteld over.

Toch was de laconieke reactie van Fuchs vorig jaar niet zo vreemd. Hij heeft een machtige juridische bondgenoot: de tijd. Behalve bij verkrijgende verjaring speelt tijdsverloop ook een rol bij de zogeheten bevrijdende verjaring, het verval van een rechtsvordering na zekere tijd. Dit betekent dat de erven weliswaar eigenaar kunnen zijn, maar dat zij hun aanspraak niet meer geldend kunnen maken tegen de nieuwe bezitter bij de rechter.

Hoeveel kans maken de erfgenamen bij de rechter? Dit hangt af van welke rechter eventueel bij de zaak wordt betrokken, de Amerikaanse of de Nederlandse. Dit laatste ligt in de lijn. Het gaat per slot van rekening om een Nederlands museum. De erven hebben echter ook een advocaat uit New York in de arm genomen. Deze zou kunnen proberen de zaak aan te spannen in zijn thuishaven.

Daarvoor moet dan wel een juridisch aanknopingspunt zijn. Te denken valt aan de stelling dat enkele stukken uit de in Duitsland achtergelaten verzameling van Malevitsj als bruikleen naar Amerika zijn gegaan en dat daarover nu een schikking is bereikt met de erven. Of mogelijk heeft een lid van de familie zijn verblijfplaats in de VS. De rechter in New York staat erom bekend dat hij gauw zijn bevoegdheid aanneemt, zo ondervond Amsterdam reeds aan den lijve in de zaak-Goldreyder over de omstreden restauratie van het vernielde werk Who's Afriad of Red, Yellow and Blue van Barnett Newmann in het Stedelijk Museum.

Juist op het gebied van de verjaring bestaan er belangrijke verschillen tussen de Nederlandse (continentaal-Europeese) en Amerikaanse (Angelsaksische) rechtstradities. In Nederland werkt verjaring als een ,,valbijl'', tekende de Groningse emeritus-hoogleraar C.J.H.Brunner vijf jaar geleden aan bij een uitspraak van de Hoge Raad. Deze betrof het geval van een vrouw die door een operatiefout kinderloos was geworden maar dat pas veel later had ontdekt. En toen was haar aanspraak op schadevergoeding verjaard want die begint te lopen op het moment van het ongeluk.

Is het niet onbillijk dat een vordering kan verjaren voordat de benadeelde zelfs maar wist wat er aan de hand was? De Hoge Raad erkende dat dit uit het oogpunt van individuele gerechtigheid moeilijk valt te accepteren. De doorslag gaf echter dat ,,de rechtszekerheid een vaste termijn eist''. Het loslaten daarvan kan volgens de Hoge Raad eveneens tot onbillijkheden leiden (voor de tegenpartij). Geheel in deze lijn gaf mr. H. A. G. Fikkers van de Erasmusunversiteit onlangs in het Juristenblad de erven-Malevitsj weinig kans.

In de VS kijkt de rechtspraak anders aan tegen het beginpunt van de verjaring, zo bleek vorig jaar in de Naftzger-zaak in Californië. De vraag was of het recht van een museum of verzamelaar om gestolen goed terug te vorderen van een onschuldige koper niet vervalt, als de eigenaar de diefstal niet eens heeft gemeld. De rechter weigerde dit uit te spreken wegens het risico dat eigenaars laten zien hoe kwetsbaar ze zijn en daardoor andere dieven aantrekken. Ook speelde mee dat aangifte het helingscircuit alleen maar verder ondergronds drijft waardoor de kans op recuperatie wordt verkleind.

Zo vreemd is het dus niet wanneer de erven-Malevitsj zouden mikken op de Amerikaanse rechter. Buitenlandse vonnissen hebben echter geen rechtskracht in Nederland (om ze hier ten uitvoer te leggen is verlof nodig van de Nederlandse rechter die zal weigeren als ze strijdig zijn met de Nederlandse rechtsopvatting). Maar de nuisance value is onmiskenbaar: een ongunstig vonnis kan de toegang van een internationaal georiënteerd museum als het Stedelijk – en zijn medewerkers – tot een belangrijk kunstcentrum als New York ernstig bemoeilijken. De zaak-Goldreyder werd tenslotte door Amsterdam geschikt ook al liet de eis tot genoegdoening van de Amerikaanse restaurateur ernstige vragen open.

Transacties uit het verleden liggen toch al gevoelig in de Verenigde Staten, die zich sterk maken voor teruggave van geroofde kunstwerken uit de Tweede Wereldoorlog. De Nederlandse regering is beducht voor onze reputatie in het buitenland. Dat is waarschijnlijk niet vreemd aan de relativering van de verjaring van aanspraken op roofkunst waarop de laatste tijd in Nederland wordt aangedrongen. Hoewel, het gerechtshof in Den Haag verklaarde nog onlangs in de zaak-Goudstikker dat de tijdslimieten die zijn gesteld voor claims op rechtsherstel aanvaardbaar zijn en niet indruisen tegen het internationale recht.

Een beroep op verjaring is echter geen verplichting. Amsterdam kan er in het geval van de collectie-Malevitsj van afzien zodat de vraagtekens bij de oorspronkelijke transactie ruim baan krijgen. Dat zal het Rijk niet onwelkom zijn. De vraag is alleen of het Rijk dan ook voor de – aanzienlijke – kosten van een schikking wil opdraaien.