Taalliefhebber

Frits Vos, de vierde hoogleraar Japans aan Universiteit Leiden en de eerste die tevens Koreaanse taal- en letterkunde in zijn leeropdracht had, is dinsdag 25 januari in familiekring gecremeerd. Hij overleed vorige week woensdag 19 januari.

Frits Vos was een geleerde met brede intellectuele interesses, maar hij ging zijn maatschappelijke verantwoordelijkheden niet uit de weg.

Vos behoorde tot de oprichters van de European Association for Japanese Studies (1973), en was de eerste voorzitter van de Association for Korean Studies in Europe (1977). Vooral in de ontwikkeling van de Europese Koreanistiek heeft hij een cruciale rol gespeeld, niet alleen door de buitenlandse studenten die hij trok maar ook door de buitenlandse promoties die hij begeleidde. In zijn onderwijs en publicaties heeft hij altijd getracht om geen van beide landen tekort te doen.

Wat hem dreef, was in eerste instantie pure leergierigheid. Hij had een grote belangstelling voor talen. Nauwelijks klaar met zijn studie Chinees en Japans, leerde hij tijdens de oorlogsjaren zijn eerste Koreaans van een Duitse missionaris die door de oorlog in Leiden was gestrand. Op latere leeftijd heeft hij klassiek en modern Mongools geleerd, en in de laatste jaren voor zijn emeritaat stortte hij zich op het Ainu, als één van de drie mensen in Europa die zich met deze taal bezighielden.

Als wat men doet een goede aanwijzing is voor wat men is, dan lag Vos' eigenlijke belangstelling bij de klassieke en moderne literatuur, en de Geistesgeschichte van Japan en Korea. Zijn belangrijkste publicaties, zoals zijn dissertatie, A Study of the Ise Monogatari (1957), en zijn standaardwerk Die Religionen Koreas (1977) liggen op deze gebieden. Ook maakte hij literaire vertalingen, zoals Liefde rond, liefde vierkant, Zeven eeuwen Koreaanse poëzie (1978), Een nieuwe vijver en Gedichten van de excentrieke Zen-priester Rykan (1759-1831) (1996), die zowel door de kritiek als door het publiek goed ontvangen werden.

Zijn afscheidscollege heette `Met de Neus op de Rand' – de rand van de put, wel te verstaan, waarin volgens een Oost-Aziatisch gezegde de kikkers zitten die hun put voor de wereld houden. Als iemand zich niet behoefde te verwijten altijd in de Leidse put gezeten te hebben, was het Vos wel. Hij was als kapitein speciale diensten verbonden aan het Nederlandse bataljon dat meevocht in de Koreaanse oorlog. Hij nam deel aan de eerste Nederlandse handelsmissie die in 1965 onder leiding van minister Den Uyl van Economische Zaken naar Japan ging, en hij was ook nauw betrokken bij alle andere naoorlogse pogingen om de relaties tussen Nederland en Japan te verbeteren, zoals de oprichting van het Japan-Nederland Instituut in Tokio in 1975. Toen de Franse ambassade in Den Haag door Japanse links-radicalen werd bezet (1974), werd Vos door premier Den Uyl gevraagd om als adviseur het crisisteam ter zijde te staan, en onderhielden hij en zijn vrouw Miyako de contacten met de bezetters.

In Japan en Korea genoot hij volop de erkenning, maatschappelijk en academisch, die hij verdiende, zoals bleek uit de toekenning van diverse ridderordes, onderscheidingen en prijzen.

W.J. Boot is hoogleraar Japanse en Koreaanse taal- en letterkunde aan de Universiteit Leiden.