De ene moedervlek is beter dan de andere

Jurgen Bey is gefascineerd door de evolutie. Zoals de natuur het meest functionele laat overleven, zo wil hij ontwerpen.

Over een haveloze trap van een uitgewoonde woning in een Rotterdamse volksbuurt gaat Jurgen Bey naar zijn werkplaats. Ook daar blijken de dingen in de laatste fase van hun bestaan te verkeren. Ik zie verstofte rekken, volgetast met kitscherige lampen en kunststofmaterialen, afgeleefde houten stoelen, onooglijke tafels, een afgebeulde kokosmat en merk dat mijn verwachtingspatroon totaal is verstoord.

Ik had een zorgvuldig vormgegeven wereld verwacht.

Jurgen Bey (1965) is produktvormgever. Zijn naam ontbreekt in geen enkel boek over de successstory van het jonge Nederlandse design, al staat hij daar meestal nog vermeld onder de naam Konings & Bey, een verwijzing naar Bey's inmiddels beëindigde samenwerking met collega Jan Konings. Het duo presenteerde zich begin jaren negentig, na een studie aan de Akademie voor Industriële Vormgeving in Eindhoven, met klerenkasten van stof en boekenkasten van sigarenkistjeshout, produkten die binnen het vakgebied onmiddellijk de aandacht trokken door de vrijgevochten mentaliteit die er uit sprak.

Die mentaliteit werd kort daarna door Droog Design, een particuliere stichting voor de promotie van nieuwe Nederlandse vormgeving, ook bij andere jonge Nederlandse ontwerpers gesignaleerd, ondersteund en met groot succes geïntroduceerd op de internationale markt. Het Nederlandse design werd daarmee een richting die misschien het beste valt te omschrijven als ideematig en toch aards, nuchter maar met gevoel voor het absurde en (mede dankzij het Nederlandse subsidiesysteem) bovenal ongebonden.

Bey's voorwerpen zijn goed te gebruiken, maar je bent je er altijd van bewust dat er iets ongewoons aan is, dat er een manier van denken achter steekt die niet om functionaliteit draait, maar om een bepaalde beleving van het voorwerp. In die zin verschilt het zitmeubel dat Bey voor bezoekers van de nieuwe Rietveld-vleugel in het Centraal Museum in Utrecht heeft ontworpen niet van de met felkleurig pvc ingerichte toiletten die kunstenaar Joep van Lieshout voor datzelfde museum heeft gemaakt. Het is een vorm van design kortom die je net zo goed kunst zou kunnen noemen.

Ons gesprek komt vrijwel direct op dit zitmeubel, een hybridisch soort bank die bestaat uit verschillende houten café-stoelen. Er is een lichtgrijze kunststof omheen gespannen die als een taai vel de boel samenbindt. De rugleuningen, armsteunen, zittingen en poten van de stoelen duwen vreemde, bonkige vormen in de kauwgumachtige substantie. Bey vertelt hoe het idee hiervoor is voortgekomen uit zijn intense belangstelling voor de natuur, in het bijzonder voor het idee van evolutie.

Mismaaktheid

Bey: ,,De natuur is een beproefd medium met een systeem waardoor dingen een bepaalde kant op groeien. Dat intrigeert me enorm. In het boek Darwins hofvijver van Lex Goldsmith, over het Victoria-meer, komt een oervis voor die onder invloed van het zoeken naar voedsel van gedaante veranderde en een scheve kop kreeg. Met die door aanpassing ontstane mismaaktheid bleek hij de beste overlevingskansen te hebben. De methodiek van de natuur maakt dat de veranderingen die optreden functioneel zijn, terwijl ze niet vantevoren zijn bedacht.''

Bij design is dat wel zo.

,,Ja, maar ik vraag me af of het mogelijk is middelen te vinden waarmee je binnen het ontwerpen die methodiek kunt benaderen.''

Voor Bey komt dit erop neer dat ieder ontwerp vooraf wordt gegaan door een lange reeks van associaties rondom een bepaald onderwerp. Ze worden beknopt vastgelegd in kleine boekjes met bij elkaar gevonden plaatjes, citaten en persoonlijke overpeinzingen. Het boekje dat het ontstaan van het zitmeubel schetst begint met het woord `cocon'.

Bey: ,,Ik kreeg het idee doordat ik over het begrip cocon zat na te denken en me realiseerde dat dat een huid is en dat de huid het vermogen heeft om allerlei uiteenlopende dingen te omvatten en vorm te geven. De huid bindt elementen waardoor je een ding dat uit allerlei verschillende delen bestaat, zoals een staart, een oor, een neus, als één geheel gaat zien: een aap. Dat vind ik mooi. Ik heb dat heel rationeel na proberen te doen door een stoel en een tafel, of een stoel en een lamp met een huid van kunststof tot één ding te smeden.''

Eerlijk gezegd kreeg ik in het Centraal Museum niet de aanvechting om op de bank te gaan zitten. Misschien omdat ik mij niet kon voorstellen dat dat comfortabel zou zijn.

,,Er zit veel rek in het materiaal. Als je een tijdje zit, zakt het uit en voegt het zich naar je, wat een aangenaam gevoel kan geven. Maar de gedachte erachter was niet om een zitmeubel te maken met maximaal comfort. Per slot van rekening zit je in een museum altijd maar even. Het is meer een soort ruimtelijk behang waarin zitsituaties zijn gemaakt.''

Waarom niet optimaal zitten, al is het maar kort?

,,Dat wat ontbreekt geeft aan het ding eigenschappen of aspecten die heel specifiek zijn. Je kunt dat in de natuur zien bij een vis. Die heeft een vaste maat, maar zodra er iets verandert, bijvoorbeeld doordat de bek groter wordt, moet iets anders kleiner worden. Het een voedt het ander, zou je kunnen zeggen. Bij het menselijk karakter is het precies zo. Negatieve trekken voeden de positieve, waardoor jij heel speciaal wordt. Wat ik telkens weer probeer is om die speciale kwaliteit van iets naar voren te halen.''

Het komt er in de praktijk op neer dat het niet om het comfort van de gebruiker gaat, maar om zijn inzet. Hij moet zélf iets doen. In de kunst bestaat die opvatting al lang. Daar spreekt men van `zelfwerkzaamheid'.

,,Ik ga daarin mee zo lang het maar niet betekent dat iedereen het maar zo'n beetje zelf uit moet zoeken. Dat zie ik niet zitten. Zoals een kapper goed moet kunnen knippen, zo moet een ontwerper zijn projecten goed uitvoeren.''

Hoe sta jij tegenover de droom van de technologische woonmachine? Het huis dat zich volledig voegt naar jouw behoeftes en wensen?

,,Ik zou er, denk ik, iets aan toevoegen dat net niet doet wat jij wilt.''

Zie je wel.

,,Ik geloof niet in slaafsheid, niet van mensen en niet van dingen. Dingen hebben voor mij een eigen karakter, een eigen wil.''

Betekent dat dat je aan dingen een ziel toeschrijft?

,,Nee, daar ben ik te veel rationalist voor. Maar ik denk graag vanuit de dingen. Ik kan mij er bijvoorbeeld over verbazen dat er moedervlekken zijn die precies de juiste plek weten te vinden, vlak boven de mond bijvoorbeeld. Daar wordt hij als mooi en zelfs als een verrijking ervaren, terwijl andere moedervlekken hopeloos verdwalen en als storend worden gezien. Wanneer je zo naar de wereld van de niet-levenden, de wereld van de dingen kijkt, zie je een wereld die te wild is voor woorden, zó mooi dat je haren overeind gaan staan.''

De oude emaillen pot waaruit hij thee schenkt, heeft een schoteltje als deksel. Ik vraag wat de dingen die hier staan voor hem betekenen.

Bey: ,,Ze staan voor gedachtes van waaruit ik ontwerp.''

Hij toont me een bijeengeraapt theeservies van ongelijksoortige kopjes en schoteltjes, soms zonder oor of met een stukje eraf. Het is volledig verzilverd. ,,Er zijn al mooie serviezen. Die hoef ik dus niet te ontwerpen. Ik zoek naar de bijzonderheid van de dingen en daarbij doet het er niet toe of iets kapot is of heel. Als iemand geweldig hard kan lopen maar doof is, moet je hem niet gehandicapt noemen. Je verwijt een timmerman toch ook niet dat hij niet kan koken. Door een melkkannetje zonder oor te verzilveren ontdek je er nieuwe aspecten van.''

Zijn hand streelt even een lelijk rond salontafeltje waarbij een rechte stoelleuning dwars door het blad heen steekt. ,,Toen ik de leuning erop zette dacht ik: hé, zo krijg je een stoel voor een hele dikke dame. Eindelijk iets waarop je lekker breed kan gaan zitten! Magere mensen hebben geen tafel meer nodig als ze hun koffie naast zich neer willen zetten. De boombank die ik voor Slot Oranienbaum heb gemaakt, berust op hetzelfde idee. In de bossen van het landgoed liggen veel omgehakte bomen. Daar heb ik in brons gegoten rugleuningen op gezet van stoelen uit de vorige eeuw. Zo'n omgehakte boom wordt een heel leefmilieu voor torren en paddestoelen en daar zit je dan bovenop. Wanneer je nu door die bossen loopt, zie je hier en daar ineens van die hele rechte rugleuningen schitteren, alsof het groepjes mensen zijn.''

Een vormgever is nauw betrokken bij sociale processen en economische ontwikkelingen. Denk jij over de toekomstige wereld na?

,,Het is geen item. Ik zie het meer als een kruiswoordraadsel: kan ik bepaalde oplossingen aandragen? Ik ben er niet zeker van dat dat dan ook meteen de meest functionele zijn. Ik ben nu eenmaal geen ontwerper die een stoel kan maken die goed zit, goed stapelbaar en goed verkoopbaar is. Dat moeten anderen doen, want ik ben er domweg niet toe in staat. Mijn kracht ligt in het bezien van de wereld vanuit een ongewoon perspectief. Vergelijk het met Koot en Bie toen ze de ruis van de zee vergeleken met de ruis van de snelweg. Het ene geluid heet mooi en het andere verschrikkelijk. Toch zouden metingen wel eens uit kunnen wijzen dat het twee precies dezelfde dingen zijn. Misschien ligt daar een mogelijkheid om iets te vinden waardoor mensen het wonen langs de snelweg niet meer als een probleem ervaren.''

Zo redenerend kun je alles een gunstige draai geven: Schiphol, de totale asfaltering van Nederland, beschouw ze als puur psychologische kwesties en de problemen worden een stuk minder ernstig. Zijn er eigenlijk dingen waar je tégen bent?

,,Vrijheidberoving, ongelijkheid, gebrek aan respect om wie je bent en wat je doet. Maar als het om het soort maatschappelijke kwesties gaat dat jij nu noemt, dan laveer ik overal tussen door. Ik denk oprecht dat in dat middengebied de gaten zitten waar oplossingen gevonden kunnen worden, niet bij de geharde standpunten.''

Je denkt niet: met mijn vormgeving maak ik een betere wereld?

,,Dat is te hoog gegrepen. Ik probeer zo te ontwerpen dat mijn dingen begrijpbaar zijn voor iedereen, wat iets anders is dan ontwerpen voor iedereen. Ik vind de alles-opener het slechtste voorwerp dat er is, iets wat altijd voor iedereen functioneert, maar tegelijkertijd absoluut niet aanwezig is. Het probleem is aardig opgelost, maar via de grijze middenweg. Die ontwikkeling zie je in de hele maatschappij. Dat komt omdat niet gezocht is naar de de kracht van een ding, naar iets wat het specifiek maakt.''

Voor een project voor een verzorgingstehuis voor blinden dat hij samen met ontwerpster Hella Jongerius uitvoert, denkt hij over de dingen na vanuit een niet-visueel perspectief. Wat betekent het voor blinden om door een gang te lopen? En hoe kun je uit een gang zonder ramen dezelfde kwaliteit halen als uit een gang mét ramen? Dat soort vragen maakt, zegt hij, dat je je onder meer verdiept in het specifieke van een raam en van bepaalde handelingen en gebeurtenissen.

Het lijkt me dat in zo'n geval de functionele aspecten heel belangrijk zijn.

,,Dat betwijfel ik, tenminste als je onder functionaliteit de snelste of eenvoudigste oplossing verstaat. In de omweg kan een ongelooflijke kwaliteit zitten. Er zijn orchideeën die, om de insecten te laten doen wat nodig is, in hun binnenste ware architectonische hoogstandjes hebben ontwikkeld: een plas water waarin het insect moet zwemmen, een steigertje waarop hij kan drogen, een smal gangetje waarbij de stuifmeelpollen op zijn rug blijven plakken, en zo meer. Je ziet daarbij hoe uit een chaotische oer-toestand een systeem kan groeien dat absurd en buitengewoon ingenieus tegelijk is. Dat vind ik zo mooi, daarin schuilt voor mij de ware verbeelding: binnen de grenzen die gesteld zijn tot nieuwe inzichten komen.''

`Ik kan geen stoel maken die goed zit, goed stapelbaar en goed verkoopbaar is'`De alles-opener is het slechtste voorwerp dat er is, iets wat altijd voor iedereen functioneert'