Het nieuws van 28 januari 2000

Schönberg Kwartet speelt spannende Webern

`Ik ben zo gelukkig, werkelijk niet te geloven, ik ben mijn baan kwijt.' En al even juichend vervolgde Arnold Schönberg Ich gehe nicht wieder ins Büro, ich werde Musiker! Familieberaad moest verhinderen dat een degelijke burger zou veranderen in een losgeslagen bohemien. Tevergeefs natuurlijk en het was Alexander von Zemlinsky (1872-1942), Schönbergs enige leraar en latere zwager, die zijn naam bekendheid gaf door Schönbergs Eerste Strijkkwartet in D uit 1897 erdoor te drukken bij de Weense toonkunstenaarsvereniging. Het Schönberg Kwartet dat in 1999 alle tien de werken voor strijkers van Schönberg uitvoerde, vervolgt in dit seizoen zijn retrospectief van de tweede Weense school met alle strijkersmuziek van Zemlinsky, Webern en Berg. Op het eerste concert van een nieuwe reeks die ook nog gaat in het Amsterdamse Concertgebouw en in de Haagse Nieuwe Kerk, prijkte allereerst Zemlinsky's vierdelig Eerste Strijkkwartet in A ietsje eerder gecomponeerd als die eersteling van Schönberg. Het is sterk wisselend van niveau, naïef in de hoekdelen, maar met een tweede deel dat vooral markant is, het opeens snellere middendeel met zijn opzwepende zestienden zoals ook een breed en krachtig derde deel serieus is te nemen. Het zou ook door Schönberg geschreven kunnen zijn al was Zemlinsky toen `verder', Schönberg hield het op Brahms en Dvorak, maar Zemlinsky schonk ook aandacht aan de chromatiek van Wagner. Een Introductie en Adagio opus posth. uit 1927 verduidelijkt dat Zemlinsky zich in deze niet onaardige pastiche over een guitig volksliedje niet verder ontwikkelde, laat staan Schönberg bijhield die adviezen kreeg zoals voortaan `svp geen notenpapier meer vervuilen'.