`Handel in biotech wordt te chaotisch'

Minister Pronk gelooft in het welslagen van de onderhandelingen in Montréal over handel in biotechnologische producten.

Het is de hoogste tijd voor internationale afspraken over handel in genetisch gemanipuleerde organismen, vindt de Nederlandse minister Jan Pronk van VROM. Grensoverschrijdend verkeer van voedingsmiddelen en zaden die met behulp van biotechnologie zijn veranderd neemt snel toe, zegt Pronk, maar regeringen hebben niet genoeg mogelijkheden om de onzekere milieugevolgen binnen hun grenzen te beheersen. ,,De belangrijkste vraag is hoe een land zelf kan beslissen of het een genetisch gemanipuleerd organisme wel of niet wil toelaten'', zegt Pronk, in Montréal op de VN-conferentie over de zogeheten `biosafety'.

Vertegenwoordigers van meer dan 130 landen proberen het in Montréal eens te worden over een protocol voor handel in voedingsmiddelen en andere organismen waarvan de mens de genetische eigenschappen heeft aangepast. Zo kan nu in de internationale graanstromen ongehinderd een gemanipuleerde variant terechtkomen, zonder de gevolgen op lange termijn te kunnen beoordelen.

Landen moeten zelf kunnen beslissen of ze een bepaald genetisch gemodificeerd product toelaten, meent Pronk. Om die reden dringt de Nederlandse regering, samen met de andere EU-landen, aan op aanvaarding van het zogeheten 'voorzorgsbeginsel' – het recht om een gemanipuleerd organisme buiten de deur te houden, ongeacht of de wetenschap onomstotelijk heeft bewezen dat dat organisme schadelijk is voor het milieu.

Niet iedereen in Montréal is het daarmee eens, geeft Pronk toe. De zogeheten Miami-groep van zes graanexporterende landen, aangevoerd door de Verenigde Staten en Canada, acht de praktische bezwaren te groot. ,,Europa is een sterk voorstander van het goed kunnen traceren of iets een genetisch gemodificeerd organisme is,'' zegt hij. ,,Daarmee houdt de consument de keuzevrijheid, maar het is technisch heel moeilijk.'' Zo zou graan, dat als bulk wordt vervoerd, strikt moeten worden gescheiden, moeten er procedures komen voor vergunningen en zouden etiketten moeten vermelden om welke voedingsmiddelen het gaat.

De Miami-groep vreest dat de praktische obstakels zullen worden aangewend als handelsbarrières voor hun landbouwproducten. Toch sluit Pronk niet uit dat de Miami-groep overstag zal gaan, om tot een verdrag te komen dat duidelijkheid schept voor iedereen. ,,Een uitkomst is beter dan geen uitkomst, omdat de huidige situatie chaotische trekken dreigt te krijgen,'' zegt hij. ,,Ik geloof dat we de Amerikanen er wel van hebben weten te overtuigen dat hier geen protectionistische argumenten achter liggen.''

Pronk kan zich voorstellen dat ook de andere landen concessies doen. Zo zouden doorvoer van biotechnologische producten en medicijnen die op biotechnologie zijn gebaseerd buiten de reikwijdte van het verdrag kunnen worden gelaten. De minister hoopt echter dat het protocol niet ondergeschikt wordt gemaakt aan afspraken van de Wereldhandelsorganisatie. ,,We zeggen niet dat het WTO-verdrag belangrijker is dan een multilaterale milieuafspraak. Ook al gaat het over handel, dit is een biodiversiteitsverdrag. Ze moeten op gelijke voet staan.''

Is het haalbaar om internationale afspraken te maken waarbij milieuoverwegingen op ,,gelijke voet'' staan met handelsbelangen? ,,Ik weet het niet,'' aldus Pronk. ,,Het moet kunnen. Na het mislukken van de WTO-onderhandelingen in Seattle had dit een confrontatie kunnen zijn, en dat is het niet. Ik geloof dat men erop uit is om tot een rationele uitkomst te komen. Dit protocol heeft ook zijn consequenties voor de geloofwaardigheid van regeringen om samen internationale afspraken te maken.''