Bladeren

Foreign Affairs

In tegenstelling tot wat de doemdenkers een generatie geleden voorspelden is er de komende tijd geen tekort aan olie maar zal er, ook op langere termijn, zo'n groot overschot aan olie zijn dat de olieproducerende landen van de Perzische Golf tot Rusland er last van dreigen te ondervinden in de vorm van voortgaande sociaal-economische en politieke destabilisatie.

De voorspellingen van de vroegere ongeluksprofeten blijken gewoon niet te kloppen. Amy Myers Jaffe, verbonden aan Rice University, en Robert A. Manning, verbonden aan de Amerikaanse Raad voor Buitenlandse Betrekkingen, herinneren er in Foreign Affairs aan, dat de Club van Rome in 1972 voorzag dat de olievoorraad van 550 miljard vaten in 1990 uitgeput zou zijn.

Maar de feitelijke consumptie tussen 1970 en 1990 kwam uit op 600 miljard vaten, terwijl er daarna een voorraad resteerde van meer dan een biljoen vaten. Onder voorraad verstaan de auteurs de olie die exploiteerbaar is onder de huidige omstandigheden en bij het huidige prijspeil. Het Internationale Energie Agentschap gaat zelfs uit van een voorraad van 2,3 miljard vaten. Geen wonder dus dat de olie momenteel geen honderd dollar per vat kost, zoals de Club van Rome indertijd voorspelde, maar schommelt tussen vijfentwintig en vijfendertig dollar.

Onjuiste voorspellingen van schaarste aan olie zijn zo oud als de geschiedenis van de olie-exploratie. Dat begon al in 1885 toen de Amerikaanse Geological Survey voorzag dat er weinig of geen kans was op oliewinning in Californië. En het ging verder met de voorspelling van het Amerikaanse Mijnbureau in 1914 dat de Amerikaanse olievoorraad binnen tien jaar zou zijn uitgeput.

Waarom de prijzen dan maar zo weinig gestegen zijn sinds de Club van Rome? Een van de redenen daarvoor is volgens de auteurs dat de wereldhandel in olie veel opener is geworden. De handel is niet meer, zoals voordien, het prerogatief van een handvol producenten en handelaren die elkaar de bal toespelen, maar is ook toegankelijk geworden voor vele anderen, inclusief bijvoorbeeld grote financiële instellingen zonder directe belangen in de olie-industrie.

Transportkosten zijn daarbij een stuk belangrijker geworden dan politieke verhoudingen. Dat betekent onder andere dat Amerika de komende tijd steeds afhankelijker zal worden van de olie die gewonnen wordt op het westelijk halfrond en in het Atlantisch gebied. Het is Oost-Azië dat steeds meer afhankelijk wordt van de olie in het Midden-Oosten.

Een andere reden waarom de prijsstijging voor olie beperkt is gebleven, is de technologische vooruitgang die het mogelijk heeft gemaakt de kosten voor het vinden en winnen van olie en gas drastisch te beperken, van vijftien dollar per vat in 1980 tot vijf dollar in 1998. De productie van olie in landen die niet bij de OPEC horen steeg vijftien procent. Nieuwe voorraden in de Golf van Mexico, Zuid-Amerika, Oost-Canada, West-Afrika en in het Arctische gebied komen spoedig beschikbaar. Daar komt bij dat de technologie het energieverbruik efficiënter heeft gemaakt.

Om alle olie die geproduceerd wordt te consumeren, zou de vraag met drie procent moeten groeien in plaats van de jaarlijkse groei van 1,8 procent tussen 1980 en 1995. Dat betekent dat de prijzen lager zullen blijven dan goed is voor de stabiliteit in het Euraziatische gebied dat zich uitstrekt van de Balkan via de Kaukasus naar Centraal Azië. Lage olieprijzen hebben de Russische financiële crisis verergerd en versneld, en zullen de overgangssituatie in het land blijven bemoeilijken. De complexe problemen in het Kaspische gebied zouden zonder stabiele olieprijzen gemakkelijk kunnen uitlopen op een situatie die de Balkanoorlog doet verbleken tot een simpele warming-up. Maar ook voor de Golflanden geldt: hoe langer de olieprijzen dalen hoe groter de kans op politieke onrust.

De auteurs bevelen aan om de hulp aan olieproducerende landen niet te beperken tot militaire bijstand maar die te koppelen aan het opbouwen van politieke en sociale instellingen. Dat is beter voor de olievoorziening en voor de burgers in de betrokken landen.

The Economist

Drie Afrikaanse leeuwen en een tijger uit Azië zullen dit jaar de snelst groeiende economieën zijn. Mozambique staat bovenaan met een groei van tien procent, en word gevolgd door Botswana met negen procent, Singapore met 8,2 en Angola met acht procent. Die topposities komen niet uit de lucht vallen, meent The Economist op gezag van de World Outlook 2000, want Mozambique en Botswana horen al vier jaar bij de top.

Daaruit blijkt maar weer eens dat een beetje politieke stabiliteit, een verstandig financieel beleid, en enkele hervormingen terwille van het bedrijfsleven, wonderen kunnen doen, ook in Afrika. Zelfs Angola, nog steeds geplaagd door een langdurige burgeroorlog, heeft zich opgewerkt tot de top vijf van snelst groeiende economieën. Al is dat vooral te danken aan de verwachting dat het land dit jaar meer olie gaat produceren.

Al even verrassend is het gegeven dat de Sub-Sahara dit jaar bovenaan het lijstje staat van de regio's met de snelst groeiende economie. De economie in de landen van de Sub-Sahara groeit gemiddeld met 3,9 procent, meer dus dan de 3,4 procent die voorzien is voor Latijns Amerika, de 2,9 procent voor Noord-Amerika, en de 2,7 procent voor Azië, waar Japan een blok aan het been van de groeiers is en blijft.

Daar staat tegenover dat de bevolking in Afrika sneller groeit dan waar ook ter wereld, zodat het bruto binnenlandse product per hoofd van de bevolking maar anderhalf procent groeit.

Waren Ecuador, Venezuela en Joegoslavië vorig jaar de grootste achterblijvers, dit jaar zullen Jamaica en Moldavië die positie overnemen.

www.economist.com