Een leeg huis

Waarin zijn andere landen van de Europese Gemeenschap beter dan Nederland? Dat was kortgeleden een onderwerp in het weekblad Elsevier.

Nog voor ik het artikel had gelezen wist ik dat er een land bij zou zijn dat vergeleken met Nederland opgehemeld zou worden vanwege de kindvriendelijkheid. Het is immers een bekend cliché: in ons land zijn de voorzieningen voor gezinnen met kinderen onder de maat.

Het bleek Finland te zijn, waar ,,veel draait om het gezin en de kinderen.'' Een gratis pakket met luiers, babykleertjes en speelgoed, ouderschapsverlof van tien maanden en op elke verdieping van de warenhuizen een plek om je kind te verschonen. Een medewerkster van de Nederlandse ambassade in Helsinki was zeer uitgesproken in haar vergelijking: ,,Als je hier komt vanuit Nederland lijkt het wel of je zo uit de Middeleeuwen bent gestapt.''

Nu weet ik een heel klein beetje van de situatie van gezinnen en kinderen in Finland. Dat komt doordat ik in de loop der tijd de Finse psychologe Lea Pulkkinen daarover heb horen vertellen, zowel in voordrachten als in persoonlijke gesprekken. Zij is internationaal bekend door haar onderzoek naar het verband tussen gezinsklimaat en probleemkinderen, met name agressieve kinderen, en door het ontwikkelen van interventieprogramma's.

Van haar weet ik dat de Finse economie al heel lang zodanig in elkaar steekt dat de meeste ouders beiden fulltime moeten werken. Je kunt dat natuurlijk ook fraaier formuleren, zoals de door Elsevier geciteerde Finse ombudsman: ,,Gelijkheid kan worden bereikt als de samenleving gelijke waarde hecht aan werk, ervaring, kennis en vaardigheden van zowel mannen als vrouwen.'' In feite gaat het om financiële noodzaak voor levensonderhoud. Niet, zoals de krant deze week berichtte over sommige Nederlandse paren, om de hoge hypotheek voor een veel te duur huis te kunnen betalen, aangeschaft toen men nog geen kinderen had.

Eén van de gevolgen van het fulltime werken door beide ouders was tot voor enkele jaren dat veel leerlingen na schooltijd in een leeg huis kwamen dan wel op straat rondhingen. Volgens Lea Pulkkinen één van de oorzaken van problemen onder Finse kinderen en jongeren. Toch lukte het lange tijd niet naschoolse opvang op de politieke agenda te krijgen. Pas toen zij de steun kreeg van de vrouw van de nieuw aantredende president Ahtisaari kwam daarin verandering. Vorig jaar vertelden zowel Eeva Ahtisaari als Lea Pulkkinen hoe intensief zij getweeën hadden moeten lobbyen. Wel met succes, want nu wordt de naschoolse opvang steeds beter en algemener georganiseerd.

Maar dus uit de nood geboren, omdat ouders niet thuis kunnen zijn. Niet omdat kinderen dat zelf de mooiste oplossing van de wereld vinden. Ik denk dat die het liefst na school naar huis gaan – mits dat huis niet leeg is – naar hun eigen speelgoed, spullen, spelletjes, bed en boeken. Al dan niet met een vriendje of vriendinnetje. Kinderen hebben een hang naar nestgeur.

Vroeger had je sleutelkinderen. ,,Wees maar blij dat je geen sleutelkind bent en bel maar lekker aan, ik ben toch gewoon thuis'', zei mijn moeder als ik weer eens bedelde om een sleutel aan een touwtje om mijn nek. Dan hoefde ik niet te bellen als ik buiten speelde en naar binnen moest voor een plas of om iets te halen. Het leek me stoer en ik vond sleutelkinderen helemaal niet zielig. Dat bij hen niemand thuis was, kwam niet in me op. Waarschijnlijk was het pure projectie dat jaren later mijn zoon van acht voor Sinterklaas een sleutel aan een touwtje kreeg. Met een gedicht erbij dat nu hij groot genoeg was om alleen naar school te gaan, hij ook zelf binnen mocht komen. Hij vond het wel grappig, maar vroeg: Waarom heb ik die nou? Jij kan toch gewoon open doen? De sleutel slingerde dan voortaan ook vrij nutteloos rond tussen zijn rommeltjes. Pas toen hij naar de middelbare school ging had hij vast een sleutel op zak, vanwege de onregelmatige uren. Maar af en toe belde hij toch ook nog wel aan. Al maakte hij het niet zo bont als een klasgenoot die ondanks zijn sleutel altíjd aanbelde. Toen zijn moeder daarover eens mopperde, zei hij: ,,Ik vind het gewoon veel leuker als jij opendoet.''

Eigenlijk denk ik dat wat dat betreft weinig is veranderd. Net zoals opvang voor jonge kinderen er is ten bate van de ouders en niet voor de kinderen zelf, geldt dat voor naschoolse opvang.

In Nederland wordt nu veel gesproken over de zogeheten brede school en de overheid wil daar veel geld in investeren. Het idee is dat allerlei op kinderen gerichte voorzieningen, gezondheidszorg, sport, creatieve clubs, hulpverlening geïntegreerd zouden moeten worden gegroepeerd rond de school als spil. Niet dat de leraren dit, als de zoveelste taak erbij, zouden moeten organiseren. Het gaat om de school als verzamelpunt waar alle kinderen te vinden zijn en vandaaruit voor welke voorziening dan ook zijn te bereiken. Daarvoor zullen in de school nieuwe functionarissen als coördinator nodig zijn.

Uit de teksten van de desbetreffende beleidsstukken zou de indruk kunnen ontstaan dat de brede school er als wijkvoorziening geheel in het belang van kinderen moet komen. Bijna alsof kinderen er recht op hebben. In één stuk staat zelfs dat de brede school er moet komen om ,,kinderen een goede dagindeling te kunnen bieden.'' Maar zo is het natuurlijk niet. Hooguit zou dat in risicowijken kunnen gelden. Kinderen met grote leer- en sociale achterstanden zouden na schooltijd van speciale programma's kunnen profiteren. Ze zouden onttrokken worden aan een criminele buurtsfeer. Kinderen die van huis geen enkele culturele bagage meekrijgen zouden in de wereld van bibliotheek, muziek en hobbies kunnen worden binnengeleid.

Maar voor doorsnee Nederlandse kinderen gaat dit niet op.

Op zichzelf is er niets op tegen dat de brede school voor alle kinderen open zal staan, zodat ze als ze dat willen aan allerlei naschoolse activiteiten kunnen meedoen. Maar dat je móet, niet af en toe of voor een uurtje, maar dagelijks tot zes uur. En voordat je het weet is het zo ver: een voorziening die er is, gaat worden gebruikt. Meer ouders zullen beiden fulltime gaan werken. Niet zoals in Finland uit noodzaak, maar omdat het kan.