Animo van groene spaarders neemt af

Groene beleggingen blijven ook in 2001 belastingvrij. Maar het fiscale voordeel van groenfondsen wordt kleiner. Het animo onder de spaarders neemt daardoor af. Die ontwikkeling staat haaks op de vergroenings- plannen van het kabinet.

Hoewel vergroening een van de doelstellingen is van de belastingherziening voor de 21ste eeuw, neemt de spaarzin van groene beleggers af. Vorig najaar, een week voordat de nieuwe belastingplannen gepresenteerd werden, circuleerde het gerucht dat beleggen in groenfondsen – nu nog belastingvrij – in het nieuwe regime onder de vermogensrendementsheffing zou gaan vallen.

Krantenkoppen als `Groen beleggen wordt met uitsterven bedreigd' veroorzaakten onrust onder de beleggers. Het gerucht bleek onjuist te zijn. Hoewel de beheerders van de groenfondsen vinden dat het belastingplan wel wat explicieter had mogen zijn over de fiscaalvriendelijke behandeling van groene beleggingen, is inmiddels duidelijk geworden dat deze beleggingen buiten de vermogensrendementsheffing vallen. Daarmee is de onrust onder groene beleggers echter niet weggenomen. De belastingherziening heeft namelijk wel tot gevolg dat het voordeel van groenfondsen ten opzichte van gewone spaar- en beleggingsvormen kleiner wordt. Sinds dit bekend is, kunnen de groenfondsen minder nieuwe beleggers verwelkomen dan zij gewend waren.

Het grote voordeel van groenfondsen is dat ze belastingvrij zijn. Dat is een mooie compensatie voor het feit dat deze fondsen een gering rendement bieden. Over de rente of het dividend van gewone spaar- en beleggingsvormen moet immers inkomstenbelasting afgedragen worden, een percentage dat kan oplopen tot maximaal 60 procent. Door dit verschil leveren groenfondsen ondanks hun lage rendement toch aantrekkelijke netto resultaten op.

Wie op dit moment bijvoorbeeld belegt in obligaties en 5 procent rente ontvangt, betaalt over die rente inkomstenbelasting. Bij een tarief van 60 procent verdwijnt er van die 5 procent rente maar liefst 3 procent richting belastingdienst. Het netto rendement van de belegging in obligaties ligt daarmee op 2 procent. Wie in een groenfonds belegt, incasseert een belastingvrij dividend. Het rendement van groenfondsen is slechts 3,5 procent. Omdat dit belastingvrij is, is die 3,5 procent meteen het netto rendement. Onder de huidige belastingwetgeving is de groene belegger in dit voorbeeld dus in het voordeel met een extra netto rendement van 1,5 procent ten opzichte van de belegger in obligaties.

In de belastingherziening voor de 21ste eeuw verandert die situatie. Over rente en dividend wordt dan geen inkomstenbelasting meer betaald. In plaats daarvan betaalt iedereen – boven een vermogensvrijstelling van f37.500,- per persoon – een vermogensrendementsheffing van 30 procent over een forfaitair rendement van 4 procent, wat neerkomt op een belastingheffing van 1,2 procent over het vermogen. Als de belegger in obligaties met een rente van 5 procent de vermogensrendementsheffing van 1,2 procent afdraagt, blijft er een netto rendement van 3,8 procent over. Voor de groene belegger verandert er niets, want die houdt zijn belastingvrije rendement van 3,5 procent.

,,Groene beleggers gaan er dus beslist niet op achteruit in het nieuwe stelsel'', verzekert Jan-Pieter Peijs van de Triodosbank, want wat hij vooral niet wil is de groene belegger nog meer ontmoedigen. ,,Voor hen zelf verandert er niets. Maar de voordelen van groenfondsen ten opzichte van andere spaar- of beleggingsvormen nemen af.''

In veel gevallen wordt het groene voordeel gehalveerd en in het rekenvoorbeeld met 5 procent rente is er zelfs geen voordeel meer. Omdat groenfondsen hierdoor een deel van hun aantrekkingskracht verliezen, pleiten de banken voor een compensatie. Ze vinden dat de verschillen tussen gewoon beleggen en groen beleggen in geen geval kleiner mogen worden.

Peijs hecht eraan de groenfondsen te vergelijken met obligaties en niet met aandelenfondsen, die doorgaans veel hogere rendementen halen. ,,Als je zuiver wilt vergelijken, moet je kijken naar beleggingen met hetzelfde risicoprofiel als het onze. De risico's van groen beleggen zijn zeer beperkt. Je moet ons zien als een bank die een lening verstrekt aan een ondernemer. Als wij bijvoorbeeld een lening verstrekken voor een windmolen, krijgen we als onderpand de grond waarop de molen staat, plus het contract met het energiebedrijf.'

Inmiddels zijn er vijf banken met een groenfonds, die alles bij elkaar een vermogen van zo'n 3 miljard beheren. Triodos, ABN Amro en ASN geven aandelen uit, terwijl de Rabo Robeco Groep en de Postbank certificaten uitgeven. Die laatste constructie is vergelijkbaar met een deposito, waarbij sprake is van een vaste rente en een vaste looptijd.

Groenfondsen worden nogal eens verward met zogenaamde ethische of duurzame fondsen. Dat zijn fondsen die beleggen in beursgenoteerde ondernemingen die aan strikte eisen voldoen wat betreft hun milieubeleid en hun sociale beleid. Deze fondsen zijn vrij in hun vermogensbeheer, terwijl de belastingvrije groenfondsen minstens 70 procent van hun vermogen moeten investeren in projecten die goedgekeurd zijn door de overheid, zoals parken met windmolens, duurzame woningbouw of biologische landbouw. Om die reden gaan de groenfondsen er prat op dat zij een zeer effectieve bijdrage leveren aan de vergroening. En aangezien vergroening een belangrijke doelstelling is van de belastingherziening, ziet het ernaar uit dat hun lobby om het fiscale voordeel van groenfondsen ten opzichte van andere beleggingsvormen fors te houden, succesvol zal zijn.