Nee, die is nog mooier!

Op de Nationale Gedichtendag wordt volgende week bekend wat de favoriete gedichten van de Nederlandse poëzie-lezers zijn. Jan Wolkers heeft honderden lievelingen. Ze staan in zijn geheugen gegrift en komen hem dagelijks van pas.

Lofliederen, dankliederen, hoogtijliederen, bruiloftsliederen, psalmen voor de opperzangmeester, na iedere maaltijd stroomde het de bijbelse spuigaten uit alsof we in de loofhutten bivakkeerden in de woestijn aan de rand van de oase. Wie is zij, die eruitziet als de dageraad, schoon gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren. Hoe schoon zijn uw gangen in uw schoeisel, de omdraaiingen uwer heupen zijn als kostbare ketens. Uw navel is als een ronde beker, dien geen drank ontbreekt; uw buik is als een hoop tarwe, rondom bezet met leliën.

Zelfs midden in de hongerwinter, toen ik voor het vrij perspectiefloos schilderen van een boerenhoeve in de Haarlemmermeer de boer een royale linnen zak vol goudgele tarwekorrels had afgetroggeld, dacht iedereen aan die passage uit het Hooglied van koning Sálomo toen ik die buik van glanzend graan op tafel ontblootte voor de hongerige ogen van mijn huisgenoten. Je zou denken dat zo'n oudtestamentische opvoeding, waarin de wangen van een jonge vrouw beschreven worden als een stuk granaatappel tussen haar vlechten en haar tanden als een kudde schapen die uit de wasstede opkomen en haar borsten als druiventrossen, de ideale school der poëzie is. Maar behalve ikzelf heeft nooit een van mijn broers of zusters een gedichtenbundel ingekeken. Alleen mijn jongere zuster heeft een korte periode gedichten geschreven die indertijd zelfs nog in het literaire tijdschrift Podium geplaatst zijn, maar dat had waarschijnlijk meer te maken met haar poezeligheid dan met de poëzie, vooral als ik me de toenmalige redactie voor de geest haal.

Ik heb nogal eens dichters ontmoet die mij schaamtevol bekenden dat hun dichtader was beginnen te vloeien bij het in de huiselijke kring schrijven van met ranzige speculaasgeur doortrokken sinterklaasrijmen. Bij ons thuis werd er, hoe een goedheiligman hij volgens de overlevering ook geweest moge zijn, niet gedicht op een bisschop. Trouwens, na al die potente aartsvaderen uit Genesis, die in hun grijze ouderdom nog vruchten dragen, zoals de formulering luidt voor het bezwangeren van wijf of bijwijf, kon je moeilijk een lofzang aanheffen op een getabberde figuur die er prat op scheen te gaan een kapoen te zijn.

Toch kleefden er wat de poëzie betreft ook gevaren aan de bijbelse opvoeding. De psalmen die je iedere maandagochtend op school uit je hoofd moest opdreunen, en waar ik steevast een tien voor had, bezorgden je een bijna levenslange rijmdwang.

Smelt hen tot water, laat ze drijven;

En maak hun pijlen, waar zij boos

Mee mikken, stomp en krachteloos;

Laat toch Uw arm hun boog niet stijven.

Doe hen, in armoe en gebrek,

Vergaan, versmelten, als een slek.

De dreun werd er als een brandmerk zo ingeschroeid dat je vaak wat je aanschouwde op je wandelingen voor de vuist weg in rijmende zinnen omzette. Ik weet nog dat ik een keer tot hilariteit van mijn vrienden, toen een kar getrokken door kaalgeschoren krankzinnigen net voor een begrafenisstoet de Endegeesterstraatweg overstak van moestuin naar gesticht, die scène spontaan berijmde.

De gekken zitten in het gekkenhuis,

De doden gaan gekist de aarde in.

De gekken scheert men kaal tegen de luis,

Voor doden heeft dat niet meer zoveel zin.

Behalve de Psalmen in de berijming van 1773 bevonden zich in ons huis, uit een erfenis verkregen, de dichtwerken van Willem Bilderdijk, waarvan ik als enige van tijd tot tijd al bladerend het stof van het verguld op snee deed opwolken. Geen gezonde lectuur voor een puber. Befloersde trom /Noch rouwgebrom /Ga romm'lende om /Voor mijn gebeente; /Geen klokgebom /Uit hollen Dom /Roep 't wellekom /In 't grafgesteente.

Daarvan word je niet leeuwerikblij en raken je vroeggeknakte wangen onherroepelijk marmerwit. Mijn allereerste ervaring met poëzie, dat ik me ervan bewust werd, dit is dichtkunst, was bij een gedicht van Guido Gezelle. Het stond als afsluiting aan het einde van een verhaal van de een of andere tante Betje in het Christelijk Vrouwenleven waarop mijn moeder geabonneerd was. Dat verhaal ging over een jonge vrouw die haar welgestelde oom verzorgt die haar al zijn geld en goed zal nalaten. Als ze kennis krijgt aan een officier en zich huwelijksplannen gaan ontwikkelen, dreigt haar oom haar te onterven. Dan kiest haar geüniformeerde cavalier voor turf in plaats van maandverband in zijn ransel en blijft ze alleen achter bij die oom in de verstikkende rook van zijn gematteerde Ritmeester Buat-sigaren. En vaak als ze 's avonds in het schemer, in weemoedigheid die niet is te verklaren, stilletjes zit te kwijnen, komt dat gedicht van Gezelle haar verdriet binnendrijven.

Gij badt op eenen berg alleen,

en... Jesu, ik en vind er geen

waar 'k hoog genoeg kan klimmen

om u alleen te vinden:

de wereld wilt mij achterna,

alwaar ik ga

of sta

of ooit mijn ogen sla;

en arm als ik en is er geen,

geen een,

die nood hebbe en niet klagen kan;

die honger, en niet vragen kan;

die pijne, en niet gewagen kan

hoe zeer het doet!

o leert mij, armen dwaas, hoe dat ik bidden moet!

Wat me vooral overviel bij dat gedicht was de ontroerende eenvoud na al die overspannen pomperijen van Willem Bilderdijk en de extatische toonzetting van het Hooglied en de Psalmen.

Niet lang hierna kreeg ik een boekje over literatuurgeschiedenis in handen dat samengesteld was door een plaatsgenoot, professor Klaas Heeroma, die je nogal eens breekbaar voorovergebogen door de lanen zag schuifelen alsof hij windkracht negen had te trotseren. Hij schreef zelf ook gedichten, maar omdat zijn pseudoniem Muus Jacobse was, heb ik nooit getracht die te achterhalen. In dat boekje vond ik gedichten die me mijn hele leven zijn bijgebleven. Mijn broer en Koorts van Hendrik de Vries, Oude wijn van vreugd gekelderd van Boutens. Ja, verkristallijnd verdriet, dat gaat erin als regenwater in mos als je zeventien bent en omringd door oorlogsgeweld. En natuurlijk Herdenken van Staring. O, zoet gelispel van die mond, Wiens adem d'eerste kus verslond. Dat had je pas ontdekt bij je eerste geliefde, dat speeksel heel wat dorstlessender is dan meikersen. En je ontdekte nog opwindender vocht. Want als je onder de blote hemel tegen elkaar aan lag te vrijen en je had je hand schier ongemerkt haar broekje binnen gekregen om haar onderlichaam tegen je aan te drukken, voelde je dat ze nat geworden was tussen haar stevige meisjesbillen. Poëzie is geen woestijnzand. En toen ontdekte ik Herman Gorter. De vurig rode deeltjes die ik van een buurman van ons meekreeg – een radencommunist als de dichter zelf, bij wie ik dus geen voet over de drempel mocht zetten van mijn vader – smokkelde ik onder mijn trui het huis in naar mijn zolderkamer. En daar las je – de dichter was niet voor niets de zoon van een dominee – in een fonkelende beeldspraak alsof de Bijbel door Monet was overgeschilderd in homerische penseelstreken ...daarin scheen nog de zon vuurrood, Maar in 't gebloemte ging de kleur al dood. Mooier kan het niet, dacht je. Ik wil dood. Onherroepelijk. Maar als ze dan van beneden riepen dat het karige oorlogseten op tafel stond, stommelde je toch maar de trap af om verdwaasd en als een vreemdeling tussen je huisgenoten aan tafel te schuiven.

Het is verwonderlijk dat er in die laatste oorlogswinter een aantal jongelui was bij wie de liefde voor de dichtkunst opbloeide als bloemen op de toendra. Van een vriend van mij, Jan Vermeulen, kreeg ik een bundel gedichten van Gerrit Achterberg die hij zelf clandestien had uitgegeven. Morendo. In een gammele hut in het bos van Poelgeest, waar de vochtige kille novemberwind doorheen blies over onze schaars geklede ondervoede lichamen, las ik ze aan een paar vroegere schoolvrienden voor.

Want deze kamer is uw zuster.

Haar geuren zijn de uwe.

Ik zal mij met haar huwen

en in het zoete duister

meubels en muren kussen.

Mijn lichaam zal niet rusten

voordat de wind het laatste

van u heeft weggewaaid

uit deze plek, bezaaid

met uw ontslapen plaatsen,

die elkaar doodstil kaatsen

de klaarte die gij waart.

De moeders van de meisjes met wie we omgingen waarschuwden hun dochters voor ons omdat we elkaar gedichten voorlazen in het bos. In een tijd dat iedereen alleen maar bezig was om wat voedsel bij elkaar te scharrelen en hout te sprokkelen voor de noodkachels was dat inderdaad een levensbedreigende bezigheid. Je teerde zo weg in schoonheid. Toch is het wonderlijk dat in die harde tijd er ineens een bundel met de gedichten van Jacques Perk verscheen. Ik ben waarschijnlijk het enige schepsel ter wereld dat er ooit van beticht is dat zijn interesse voor poëzie voortsproot uit winstbejag, want toen ik in de boekhandel van Haaxman in de Kempenaerstraat een exemplaar ervan gekocht had en nog een exemplaar wilde hebben voor een vriend van mij, keek de boekhandelaar mij minachtend aan en sprak de historische woorden, ,,We gaan niet zwartehandelen in poëzie!''

De poëzie, die zich in die duistere oorlogsjaren in mijn wezen heeft afgezet als blinkende kristallen, is me mijn hele leven bijgebleven, ook al keken de meeste van mijn vrienden na hun puberteit geen gedichtenbundel meer in. Ik had het al gelezen bij Du Perron, dat de poëzie naakt en ongekromd een tijdverdrijf is voor enkele fijne luiden. Vaak komen er in bepaalde situaties regels uit gedichten mijn herinnering binnenstuiven als een gezwinde grijsaard op wakk're wieken of als poortwachters die op gouden horens blazen. Soms ligt de associatie voor het grijpen. Want als je in dit vochtige seizoen naar buiten kijkt, staat de gestalte van Slauerhoff onafwendbaar naast je. Had ik nu een needrige hoeve,/En kinderen spelende buiten,/Om aan de beregende ruiten/Gedachtloos gelukkig te toeven. Je kunt geen biefstuk zien of je ruikt de teil met bloedmoer van geslachte hazen van Maurice Gilliams. Wie moet niet denken aan het gedicht Fanfare van Vasalis als hij de melancholieke trombone van Jack Teagarden hoort. Koopren kelen weenden. En soms komen de woorden met een licht gezoem van insecten. Trager de wespen, schaarser de dazen/ groenvliegen grijzer, engelen gene, niets/dat hier hemelt, alles brandt lager. Of je vraagt je met Gerrit Kouwenaar af, wat heeft men gedaan vandaag?/ Takken geraapt, de kwijnende vlier beklaagd/ vuur gestookt van afval. Toen ik de boeddhistische monniken in Vietnam zag die roerloos in de vuurzee zaten, kwam een regel uit een gedicht van Lucebert in me op, onze vrede is een huid van vlammen. En nog niet zo lang geleden, toen ik door een buurt in Amsterdam reed met overwegend donkere mensen op straat, dacht ik aan een vroeg gedicht van Remco Campert, wij willen een neger uit Mozambique. Nog nooit is aan de wens van een dichter zo overdadig tegemoetgekomen. De melk begint behoorlijk op kleur te komen.

Ik kan zo een boekdeel doorgaan met wat er aan poëzie, dagelijks, in me is blijven leven. Nooit heb ik een gedicht uit mijn hoofd geleerd. Door de begeerte om het steeds opnieuw te lezen zit het in mijn geheugen gegrift.

Als men mij zou verzoeken het mooiste gedicht uit de Nederlandse poëzie te kiezen, zou ik net zo ontsteld kijken als wanneer men mij zou vragen de mooiste bloem uit een overdadig bloeiende bloemenweide te plukken. Daar die! Nee, die is nog mooier! En die dan! Wat een boeket, ik kan mijn handen niet meer bij elkaar krijgen. Het lijkt wel of ik de struise Sappho, de tiende muze, omhels. Ik moet me beperken tot één bloem, één gedicht, maar beperking wet in dit geval beslist geen vernuft en vinding. Ik zal een gedicht kiezen dat inderdaad een van mijn lievelingsgedichten is, maar waar ik alle honderden gedichten die ik waarschijnlijk ook had kunnen kiezen, mee vereer. Een gedicht uit Vormen van Nijhoff.

DE VOGEL

Als mensen lachen die 's nachts iets vreemds vrezen,

Lachten wij na den slag met koud gelaat.

Ik riep: `Het zal een moede vogel wezen

Die door den nachtwind tegen 't venster slaat.'

Er vloog een schaduw langs het glas met smal

Geklap van natte vlerken aan de ruiten,

En viel toen vormloos als een zwarte bal

Omlaag. En 't floot en waaide en kraakte buiten.

Maar, tot glinsterend ijs bevroren, schoof

De nacht kreunend langs 't hoge raam waarvoor

De lange vlammen van de kaarsen vluchtten —

De glazen lagen stuk tussen de vruchten,

Als harde sneeuw blonk 't tafellaken door

Verwarde weelde van kristal en loof.

Een oudtestamentische opvoeding lijkt de ideale leerschool der poëzie

De moeders waarschuwden hun meisjes voor ons, omdat we gedichten voorlazen in het bos

De eerste Nationale Gedichtendag is donderdag 27 januari .

Aan de vooravond presenteert Joost Prinsen `De avond van de Nederlandse poëzie' op tv (wo 26/2, Ned3, 20.30-21.50u).

Dan wordt bekend welk gedicht de Nederlandse poëzielezers als favoriet hebben uitverkoren en wie de eerste Dichter des Vaderlands wordt. Ter gelegenheid van de Gedichtendag komt een bundel uit: `Het mooiste gedicht, De favoriete gedichten van Nederland en Vlaanderen' (uitg. Podium, ƒ27,50), met Nederlands favoriete gedichten. Het essay van Jan Wolkers op deze CS-pagina is als inleiding opgenomen.