Dit is een artikel uit het NRC-archief De artikelen in het archief zijn met behulp van geautomatiseerde technieken voorzien van metadata die de inhoud beschrijven. De resultaten van deze technieken zijn niet altijd correct, we werken aan verbetering. Meer informatie.
Bekijk hele krant

NRC Handelsblad

Economie

Het nieuwste is nog niet genoeg

Vijf jaar geleden leek internet nog een kruising tussen Spielerei en zelfbevrediging voor techneuten. Nu is 's werelds grootste mediaconglomeraat, Time-Warner, overgenomen door een Internetbedrijf, sluit Abn-Amro kantoren om digitaal te gaan, heeft het Amerikaanse stadje Halfway zich omgedoopt in Halfway.com, en zet zelfs de grootste scepticus de tering naar de nering.

En het begon allemaal in Overijssel.

Eigenlijk heeft de wereld de doorbraak van Internet te danken aan een jachtwerf in het Overijsselse dorp Vollenhove. Dat zit zo. Begin jaren negentig raakte een Amerikaanse computeringenieur bezeten van het idee dat hij de grootste zeilboot ter wereld wilde laten bouwen. Daarvoor had hij geld nodig. Samen met een student van de universiteit van Illinois bedacht hij een doorbraak om Internet toegankelijk te maken. Met het financiële succes van Netscape Navigator betaalde hij zijn schip bij de Royal Huisman Shipyards in Vollenhove.

Netscape ontstond in Silicon Valley. Daar gebeurt het, daar ontstaan nieuwe ontwikkelingen, daar bevindt zich de voorhoede van de elektronische revolutie. Ideeën worden omgezet in ondernemingen die vervolgens aan het publiek verkocht worden, waarbij de oprichters en hun financiers binnenlopen. Silicon Valley produceert miljardairs, maar dat niet alleen. Het gebied ten zuiden van de baai van San Francisco heeft de economie in de wereld een andere wending gegeven. Want Silicon Valley is meer dan een geografische aanduiding of een verzameling onopvallende bedrijvenparken. Het is het nieuwe beloofde land, dat wordt vergeleken met Californië in de tijd van de goudkoorts in 1849. Hier vond aan het einde van de twintigste eeuw de grootste legale schepping van rijkdom plaats die zich ooit op aarde heeft voorgedaan.

Silicon Valley is de metafoor voor the new new thing, het nieuwste van het nieuwste. Dat wil zeggen: het nieuwste speeltje, de nieuwste rage, de nieuwste gekte, de nieuwste doorbraak, de nieuwste toepassing, de nieuwste beursgang, de nieuwste levensstijl.

Het is ook California Dreaming, de economische triomf van de Amerikaanse westkust waar creativiteit, jeugdigheid en energie de boventoon voeren en waar het weer alleen maar dollars regent. De verbluffende effecten hiervan zijn tot de rest van de wereld nog nauwelijks doorgedrongen. Daarom zijn twee recente boeken zo welkom. In journalistieke schetsen leggen Michael Lewis en Po Bronson in The New New Thing en The Nudist on the Late Shift uit wat zich de afgelopen jaren in Silicon Valley heeft afgespeeld. Zowel Lewis als Bronson maakt het lezers gemakkelijk: ze schrijven aanstekelijk, ze hebben gevoel voor absurditeit en ze leggen op een toegankelijke manier uit wat er gebeurt.

Michael Lewis valt met de deur in huis. `Dit boek gaat over de zoektocht naar de grenzen van het economische bestaan.' Silicon Valley, betoogt hij, heeft voor de jaren negentig dezelfde betekenis als Wall Street had in de jaren tachtig: het is de bron van economische dynamiek. Deze gedachtelijn kan worden doorgetrokken. Silicon Valley is wat Manchester was voor de industriële revolutie, of Detroit voor de automobielindustrie, of het Ruhrgebied voor de kolen- en staalindustrie. Het fenomeen Silicon Valley, schrijft Lewis, is vooral ook een uiting van de Amerikaanse cultuur: de combinatie van geld, technologie, energie, vrijheid en innovatie is alleen maar denkbaar in de Verenigde Staten.

Silicon Valley, maken Bronson en Lewis duidelijk, is een experiment, een laboratorium voor talentrijke ondernemers, gelukszoekers, uitvinders en computerfreaks. Het is de broedmachine voor nieuwe toepassingen van computers, software en elektronische netwerken, de kraamkamer van de ICT, de informatie- en communicatietechnologie die aan de basis staat van wat wel de `nieuwe economie' genoemd wordt. Het is een gebied met eigen sociale conventies, een wereldje waarin tijd gecomprimeerd is en de manier van zakendoen afwijkt van de traditionele Amerikaanse ondernemerscultuur. In Silicon Valley wordt een haast absurde waarde toegekend aan nieuwe dingen en bestaat een volstrekt gebrek aan belangstelling voor het verleden. Als iets oud is, is het slecht. Alleen het nieuwste telt.

Bizar genoeg is Silicon Valley een onooglijke plek. `Er is weinig te zien, en wat er is, is geheim', schrijft Bronson. Televisieploegen die beelden nodig hebben, nemen in arren moede de reclameborden langs Highway 101 op of de tandarts die met een caravan naar het kantoor van Netscape gaat zodat de werknemers niet van hun werk gehouden worden als ze kiespijn hebben.

Gezaghebbende ondernemers hebben de introductie van Internet de belangrijkste gebeurtenis sinds de industriële revolutie genoemd. Alan Greenspan, de altijd voorzichtige voorzitter van de Amerikaanse centrale bank, heeft gezegd dat Internet `de structuur heeft veranderd van de manier waarop de Amerikaanse economie functioneert'.

Het `nieuwste ding' dat centraal staat in het boek van Michael Lewis werd geïntroduceerd op 4 april 1994. Op die dag werd Netscape opgericht, een bedrijf dat het eerste gebruiksvriendelijke computerprogramma op de markt bracht waarmee het mogelijk was om op het Internet te surfen. Internet bestond al langer (als netwerk van het Pentagon en van universiteiten) en de basisstructuur van documenten en verwijzingen op Internet was al ontwikkeld (door een Brit die werkzaam was bij het Europese natuurkundeproject CERN in Genève), maar Netscape deed net die ene extra stap. Het maakte Internet commercieel toegankelijk voor een massapubliek. De introductie van Netscape was zoiets als de boekdrukkunst van Gutenberg: het ontsloot een nieuwe wereld met ongekende mogelijkheden.

Deze krant heeft zijn voorpagina niet geopend met dit nieuws – hoewel het ingrijpender was dan menig bericht dat de krant wél haalt – en ook daarna niet haastig een verslaggever naar Silicon Valley gestuurd. Internet kwam ruim een jaar later min of meer uit de lucht vallen. Op 24 mei 1995 werd Netscape voor het eerst terloops genoemd in deze krant – in de wetenschapsbijlage. De hype over de beursgang van Netscape, op 9 augustus 1995, werd een kort bericht en een maand later was oud-minister Andriessen zo alert om het `grijpprogramma', zoals hij het noemde, in een column te vermelden.

Natuurlijk, in de computervakliteratuur waren deze ontwikkelingen eerder te volgen. Maar de algemene journalistiek – en dan bedoel ik niet alleen mezelf of NRC Handelsblad, maar ook andere media in Nederland en daarbuiten – zat aanvankelijk te slapen terwijl de Internet-revolutie zich onder haar ogen voltrok. Wat Netscape betreft letterlijk, want Jim Clark was voortdurend in Nederland om de vorderingen van de bouw van zijn schip te volgen.

Waar Po Bronson portretten schrijft van uiteenlopende deelnemers aan het circus van Silicon Valley, heeft Michael Lewis gekozen voor één hoofdpersoon, Jim Clark (nu 56). Deze schoolverlater uit Plainsville, Texas, opgegroeid in een één-oudergezin, behaalde na veel omzwervingen een doctorstitel in de computerwetenschappen. Hij werkte eind jaren zeventig op Stanford University en heeft sindsdien drie baanbrekende ondernemingen opgericht. De eerste was Silicon Graphics, een bedrijf dat begin jaren tachtig software voor driedimensionale computerbeelden ontwikkelde waaraan de doorbraak van animaties in films en computerspelletjes te danken is. De tweede was Netscape (1994) en het derde Healtheon (1996). Hij veranderde de relatie tussen geldschieters en ondernemers. Hij legde de basis voor de Internet-economie. Lewis berekent aan het slot van zijn boek dat Clark midden 1999 zichzelf 3,2 miljard dollar rijker heeft gemaakt en zijn naaste medewerkers 5,07 miljard dollar. In vier jaar tijd.

Hoe is dat mogelijk? Hoe kan de Internet-boom van Silicon Valley een dergelijke geldmachine zijn? Simpel gezegd: de parameters van de economie zijn veranderd. Internetbedrijven worden naar de beurs gebracht terwijl ze enorme verliezen maken, en niettemin zijn beleggers bereid er alles voor te betalen. Niet de winst, maar het vooruitzicht op winst wordt beloond. Anders gezegd: beleggers kopen de toekomst. Ten tweede is voor de ontwikkeling van Internetproducten nauwelijks geld nodig: de software-ontwerpers moeten worden betaald, maar er zijn geen grote machines, geen grote gebouwen, geen voorraden grondstoffen nodig. Het team computerprogrammeurs dat Healtheon ontwikkelde, zat in een krappe ruimte boven een afslankcentrum in Palo Alto. Ten derde heeft in de Internet-economie de ontwerper, de persoon met het geniale idee, de centrale plaats. Het creatieve brein is de ster. Clark kon zijn bedrijven succesvol naar de beurs brengen – niet omdat ze bewezen hadden winst op te leveren, maar omdat zijn naam eraan was verbonden.

De reputatie van Wall Street is ongemerkt verschoven naar Sand Hill Road, en niet langer bepalen Goldman Sachs of Morgan Stanley welk bedrijf naar de beurs gaat, maar Kleiner Perkins en New Enterprise Associates, twee firma's voor venture capital in Silicon Valley.

Begin 1994 legde Jim Clark contact met een 22-jarige pas afgestudeerde medewerker van de University of Illinois, Marc Andreessen. Andreessen werkte aan een softwareprogramma om op het Internet te kunnen ronddolen, Mosaic. Clark overtuigde een aarzelende Andreessen om zijn universiteitsbaan op te zeggen, naar Silicon Valley te komen en met hem aan het Netscape-avontuur te beginnen.

Een jaar later ging Netscape naar de beurs omdat Clark geld nodig had om zijn nieuwste ding te verwezenlijken: de grootste sloepgetuigde zeilboot ter wereld. Bij de Royal Huisman Shipyards in Vollenhove liet hij de Hyperion bouwen, een schip van 52 meter lengte, met een 60 meter hoge mast (zodat het schip nog net door het Panama-kanaal zou kunnen varen), en een zeil zo groot als een kwart voetbalveld. Een boot van 37 miljoen dollar, met impressionistische kunst ter waarde van 30 miljoen dollar, 96 kilometer aan bedrading, twaalf ijskasten, een watermachine, een rioolzuiveringsinstallatie, drie generatoren, 3.000 alarms en vijfentwintig computers aan boord.

Hyperion moest het eerste volledig computergestuurde zeilschip ter wereld worden. De wanhoop van bouwer Wolter Huisman, de verwarring van de bemanning en de computeringenieurs was compleet op de proefvaart: het stormde flink en volgens de computers bevond het schip zich niet op de Noordzee buiten IJmuiden, maar halverwege de Haarlemmermeer op weg naar Schiphol. Later, tijdens de oversteek over de Atlantische oceaan, beweerden de computers dat de Hyperion bezig was van Jemen richting Saoedi-Arabië te varen door de woestijn. Op gezag van de computers viel de motor geregeld spontaan uit.

De hoofdstukken over het avontuur met de Hyperion zijn de geestigste van The new new thing – niet alleen omdat Lewis zich voortdurend verbaast over die rare Nederlanders, maar ook omdat ze de extremiteiten van Jim Clark tonen. Clark is een maniak die steeds van plannen verandert. Aan boord zat hij voortdurend computerprogramma's te schrijven. De bemanning volgde ondertussen de beurskoersen van Netscape en Healtheon – Clark had ze aandeelhouders gemaakt en ze werden varende rijk.

Na Netscape wijdde Clark zich aan een een nieuw idee – Healthscape, later veranderd in Healtheon. Hij had bedacht dat in de Amerikaanse gezondheidszorg – een bedrijfstak waarin 1,5 biljoen dollar omgaat – enorme besparingen kunnen worden bereikt met een nieuw Internetprogramma. Simpel gezegd wilde hij de gegevens van alle aanbieders – patiënten, artsen, verzekeraars, de farmaceutische industrie, apotheken, laboratoria, overheden, ondernemingen – bij elkaar brengen in één computerprogramma. Daarmee zou een hoop kostbare administratieve rompslomp overbodig worden.

Een tiental van zijn beste computerprogrammeurs (de meesten uit India), een arts die partner in een venture capital firma wilde worden en een ingenieur die aan zijn boot werkte zetten zich aan het werk om de Amerikaanse gezondheidszorg radicaal te hervormen. En het bizarre is: het lukte ze. Healtheon ging begin 1999 naar de beurs. De koers van Healtheon is sindsdien sterk gedaald, maar misschien moet minister Borst, nu zij broedt op hervorming van de Nederlandse gezondheidszorg, Clark eens bellen voor het nieuwste ding.

Michael Lewis (39), medewerker van het tijdschrift New Republic, heeft naam gemaakt met Liar's Poker (1988), een hilarisch boek over de wereld van de big swinging dicks in de financiële wereld. Lewis, die zijn kennis ontleende aan een kortstondig verblijf op de obligatievloer van Salomon Brothers in Londen, beschreef hierin genadeloos de geldcultuur van de jaren tachtig. Iets soortgelijks deed Po Bronson: na zijn werk bij Morgan Stanley schreef hij Bombardiers (1995), een boek met de absurditeit van Catch-22, over de financiële wereld.

The Nudist on the late shift van Bronson biedt een kaleidoskopische blik op de dagelijkse werkelijkheid van Silicon Valley. Hij begint zijn boek met een bezoek aan David Filo, mede-oprichter van Yahoo!, de Internet-zoekmachine. Filo is een van de `sub-35-miljardairs' die Silicon Valley in de jaren negentig heeft voortgebracht. Hij stond er om bekend dat hij onder zijn bureau ging zitten als hij wilde nadenken. Dus vraagt Bronson hem of hij nog altijd onder zijn bureau zit. David Filo mompelt wat, kijkt naar de rotzooi onder zijn bureau en zegt dan: `Nee, niet zo vaak meer, want er is geen ruimte.'

Als medewerker van het Internettijdschrift Wired is Bronson vertrouwd met de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van digitale technologie, hij maakt deel uit van de elektronische gemeenschap van Silicon Valley. Bronson kent de verhalen over de adembenemende successen en mislukkingen, de hoge verwachtingen en de teleurstellingen, de staat van chaos en verandering, de permanente druk om te presteren, de cultuur van spijkerbroeken en t-shirts en de aantrekkingskracht van het mega-geld.

In zeven reportages en een nawoord beschrijft hij de microkosmos van Silicon Valley als een plek waar gelukzoekers op afkomen omdat ze daar de kans hebben om movers en shakers te worden. Deze kans trekt jonge mensen uit de hele wereld aan. Bronson volgt de gelukszoekers die berooid naar Silicon Valley komen, in de hoop het te maken. Hij beschrijft de rol van venture capitalists en de gebeurtenissen die van invloed zijn op de uitgifteprijs van de aandelen, de beursgang van Actuate, het succes van de Indiër Sabeer Bhatia (de oprichter van Hotmail), de wereld van de programmeurs en de verkoper. In de slothoofdstukken schrijft hij over George Gilder, de onvermoeibare protagonist van de digitale revolutie, en over Danny Hillis, de geniale constructeur van supercomputers die zijn leven tegenwoordig wijdt aan het ontwerp van een klok die tienduizend jaar zal blijven tikken.

Jim Clark werkt alweer aan nieuwe projecten. Hij is bezig met de oprichting van myCEO, een bedrijf dat tot doel heeft om de miljarden aan vermogens te beheren die Internet-ondernemers het afgelopen decennium hebben verdiend met de beursgang van hun bedrijven. Het is het ultieme nieuwste nieuwe ding: de geldmachine van Silicon Valley neemt het beheer van zijn geld in eigen hand.

Clark is ook terug bij Wolter Huisman, de botenbouwer in Vollenhove. Navraag leert dat hij eind vorig jaar een contract heeft getekend voor de bouw van een drie-mast-klassieke schoener van 89 meter lengte inclusief boegspriet. Het schip zal in september 2004 worden opgeleverd. Hyperion was leuk, maar dit zal het nieuwste nieuwe ding worden.

Michael Lewis: The New New Thing : A Silicon Valley Story. W.W. Norton & Cie, 268 blz. ƒ65,55. In maart verschijnt een Nederlandse vertaling ('t Nieuwste van het Nieuwste) bij Balans.

Po Bronson: The nudist on the late shift and other true stories of Silicon Valley. Random House, 248 blz. ƒ63,75