Bouwen voor vrouwen en volk

Ze was de eerste Oostenrijkse architecte en aan weerstand gewend. Haar vader had geprobeerd haar over te halen lerares te worden "omdat geen mens zijn huis door een vrouw zal laten bouwen". Ook op de universiteit werd ze niet met open armen ontvangen, maar ze vond leermeesters die haar talent herkenden en steunden. Een van hen, Oskar Strnad, spoorde haar aan om de levensomstandigheden van diegenen te verkennen voor wie ze zou gaan bouwen. Schütte-Lihotzky's politieke engagement dateert dan ook uit de tijd dat ze de woningnood van de Weense arbeiders bestudeerde.

Als begeleidster van een kindertransport kwam ze tijdens de Eerste Wereldoorlog naar Nederland en werkte hier tot 1920 bij een architect in Rotterdam.

Daarna ging ze terug en sloot zich aan bij de door Adolf Loos geleide Siedlerbewegung die de woonomstandigheden van arbeiders – in samenwerking met de toekomstige bewoners – wilde verbeteren. Maar de Weense sociaal-democraten vertrouwden meer op disciplinering van hun aanhang dan op opvoeding tot zelfstandigheid en kozen voor grootschalige sociale woningbouw.

De Siedlerbewegung hief zich in 1926 op en Schütte-Lihotzky vertrok naar Frankfurt, waar ze vier jaar bleef en haar beroemde Frankfurter Küche ontwierp. In deze blauw ("een kleur die vliegen mijden") keuken is elk detail gericht op werkbesparing, want de architecte vond dat vrouwen betere dingen te doen hadden dan in de keuken te staan.

Van Frankfurt ging Schütte-Lihotzky naar de Sovjet-Unie, waar ze vooral kinderdagverblijven en scholen bouwde. In 1938 vertrok ze naar Turkije en zocht aansluiting bij Oostenrijkse emigranten in Istanbul. Ze mee aan opbouw van een communistische afdeling en werd als koerier naar Wenen gestuurd. Door verraad viel ze in handen van de Gestapo. In haar Erinnerungen aus dem Widerstand beschrijft ze hoe haar bewaker – het is 1942 – met haar meeleeft als hij hoort dat ze voor rechters moet verschijnen die bekend staan als koppensnellers.

"U bent zo sierlijk, u zou dit leven toch niet lang vol houden", zei hij, "dan is het toch beter zo en het duurt maar zeven seconden. Na de oorlog krijgt u dan een monument."

Het was een grote triomf voor haar om honderd te worden: "Ik heb twee keer tbc gehad, de nazi's wilden mij vermoorden en kijk – ik leef nog steeds!" Die honderdste verjaardag vierde ze in het Museum für angewandte Kunst (MAK), dat voor die gelegenheid in een feestzaal was veranderd.

De oude dame werd bedolven onder erelidmaatschappen, plaquettes en bloemen. De kanselier, de minister van Cultuur en de burgemeester van Wenen stonden in de rij om haar te feliciteren. Met de laatste walste ze ook nog even. Schütte-Lihotzky, die na de oorlog met lede ogen moest aanzien hoe haar nazi-collega's wel overheidsopdrachten kregen en zij als communiste werd geboycot, genoot van deze late Wiedergutmachung. "Al die prijzen die ik voortdurend krijg! Wat hebben ze een spijt," zei ze, om daar vervolgens aan toe te voegen dat die laatste opmerking onzin was "want diegenen die nu spijt hebben, kunnen er helemaal niets aan doen. Het waren hun vaders, die zo geborneerd waren."

Ze was niet verbitterd. Tot op het laatst had ze nog volop plannen. Gisteren overleed Margarete Schütte-Lihotzky aan de gevolgen van een griep in Wenen. Aanstaande zondag zou ze 103 jaar oud geworden zijn.