Journalisten worstelen met fusiegeweld in mediawereld

Mediafusies raken de onafhankelijkheid van journalisten. Het Amerikaanse tijdschrift Time redt zich uit een penibele situatie.

Het Amerikaanse weekblad Time draait er niet omheen. Bij de mammoetfusie tussen Internetbedrijf AOL en uitgever Time Warner, waaraan het blad deze week zijn omslagartikel wijdt, is Time geen belangeloze toeschouwer. En dat maakt erover schrijven niet gemakkelijk.

Hoe schrijf je bijvoorbeeld objectief over de twee topmannen achter de fusie, als één van hen je hoogste baas is? Hoe belicht je bezwaren die tegen de nieuwe onderneming bestaan, als je zelf deel uit maakt van dat concern? Time is het vlaggenschip van Time Warner. De mediagigant is voortgekomen uit het in 1923 opgerichte tijdschrift. Kunnen de lezers van Time (oplage in de VS ruim vier miljoen stuks) desondanks rekenen op onafhankelijke berichtgeving over de belangrijke fusie?

In het nummer dat vandaag in de winkels ligt is te zien hoe de redactie van het blad zich uit die penibele situatie redt. ,,Respect voor journalistieke onafhankelijkheid zit in ons DNA'', schrijft hoofdredacteur Walter Isaacson in een speciaal bericht aan de lezers, dat mede ondertekend is door uitgever Norman Pearlstine. De afgelopen jaren hebben ze al vaker geschreven over grote fusies van hun moederbedrijf (met Warner Communications en later met Turner Broadcasting). Een scheidingsmuur als tussen kerk en staat beschermt de journalisten tegen invloeden van de commerciële kant van het concern, aldus Isaacson en Pearlstine.

Maar juist de laatste tijd is Time verweten wel erg makkelijk zijn omslag in te ruimen voor artikelen over films van het eigen bedrijf. Ook andere grote mediaconcerns proberen op die manier de ene dochterondermening te laten profiteren van de andere. Zo kunnen producties van Disney doorgaans rekenen op welwillende aandacht van ABC, de televisiemaatschappij die onderdeel van Disney is.

De lezers van Time krijgen vandaag echter geen brave, kritiekloze artikelen voorgezet. Het eigen bedrijf was ,,volkomen verstrikt in zijn eigen verleden, als een dinosaurus die moeizaam door een wereld strompelde die weldra bevolkt zou worden door snellere wezens'', aldus het evenwichtige omslagartikel. De pogingen van Time Warner om op eigen houtje een rol te gaan spelen op het internet, waren ,,gebrekkig en slecht geleid''. Van topman Gerald Levin worden nog eens de grootste financiële missers opgehaald: bij elkaar bijna 180 miljoen dollar aan investeringen in projecten die niet levensvatbaar bleken.

Voor een uitgesproken kritische mening over de fusie heeft Time een hele pagina ingeruimd voor de uitgever van het linkse weekblad The Nation, Victor Navasky. Onder de kop `Is groot echt slecht? Ja' levert hij kritiek op de toenemende dominantie van de mediawareld door enkele grote conglomeraten.

Een andere buitenstaander, hoofdredacteur Michael Kinsley van het Internettijdschrift Slate, beschrijft aan de hand van zijn eigen situatie hoe de talloze allianties in de mediawereld het journalistieke ideaal van onafhankelijkheid danig relativeren. Kinsley herinnert er onder meer aan dat Microsoft, eigenaar van zijn tijdschrift, tegelijk partner is van Time Warner (ze hebben samen geld gestoken in een onderneming die snelle Internetverbinding gaat verzorgen) en van NBC (ze hebben samen geïnvesteerd in het kabelstation MSNBC, dat weer een concurrent is van CNN, dochter van Time Warner). Hoe kunnen hij en andere journalisten nog zonder conflict van belangen over de mediawereld schrijven?