Georgië is op God en geloof gebouwd

Sprookjesachtig Georgië heeft de avontuurlijke toerist veel te bieden. Een prachtig landschap bijvoorbeeld, en schatkamers vol religieuze kunst.

Toen God de wereld schiep, en de landen onder de volkeren verdeelde, zaten de Georgiërs in een hoekje te drinken. Ze werden vergeten. Maar omdat ze in Gods naam dronken, gaf Hij hun uiteindelijk het land dat Hij voor zichzelf had gereserveerd, het mooiste: Georgië.

Georgië. Wat weten we ervan? We kennen Sjevardnadze, de president. We kennen Arveladze, de voetballer. We weten van Stalin, die er is geboren. We hebben de naam Tbilisi wel eens gehoord, de hoofdstad. Maar verder? Een verwegland op de zuidflank van de Kaukasus.

Niettemin: Georgië is er al duizenden jaren. Georgië, dat is het Kolchis van de Oudheid, het land vanwaar Jason 3.200 jaar geleden met zijn Argonauten het Gulden Vlies en zijn dochter Medea naar Griekenland bracht.

Twee keer slechts in de laatste drieduizend jaar was Georgië één land – de rest van de tijd was het een losse verzameling koninkrijkjes en prinsdommen, steeds weer platgelopen door veroveraars, want Georgië heeft het geluk èn de pech op de weg tussen Europa en Azië te liggen. Een geluk omdat het handel bracht: het lag op de zijderoute van Byzantium naar China. Pech ook, want eeuwenlang werd het onder de voet gelopen, door Grieken en Romeinen, Byzantijnen en Arabieren en Mongolen, Perzen, Turken en Russen. Tbilisi is negenentwintig keer verwoest.

Maar Georgië bestaat nog. Het hele land is bezaaid met kloosters en kerken, bruggen en forten en grottensteden van duizend jaar en ouder. Vijfduizend historische monumenten hebben we, zegt minister van Toerisme Vazja Sjoebladze, je hebt een heel leven nodig om ze allemaal te zien. ,,We hebben al 3.500 jaar ervaring met het toerisme, zie Jason en de Argonauten.'' Ze namen het Gulden Vlies mee, en de genezeres Medea. Medea, vertelt de minister, heeft haar naam gegeven aan een woord dat nog in alle talen voorkomt: medicijnen, medicamenten. Daar zijn we heel trots op, in Georgië.

Net zoals ze trots zijn op hun oude christendom, op hun oude alfabet. De Armeense zuiderburen doen er wat laatdunkend over, die vertellen dat toen hun heilige bisschop Mesrop Masjtots het Armeense schrift had ontworpen, anno 400 of daaromtrent, de Georgiërs hem beleefd kwamen vragen voor hen ook een alfabet te ontwerpen. Masjtots zat toen net spaghetti te eten. Hij graaide in zijn bord en wierp wat slierten op tafel: daar hebben jullie je alfabet. En inderdaad, het Georgische schrift heeft met zijn ronde vormen wat weg van spaghettislierten. Maar het verhaal klopt niet, zeggen de Georgiërs, ten tijde van Masjtots bestond ons schrift al negen eeuwen, het kwam al voor op potscherven uit de vijfde eeuw voor Christus.

Tbilisi, 1,2 miljoen mensen wonen er, een kwart van de Georgiërs, ligt soepel en trots gedrapeerd in het dal van de Mtkvari. Een warme stad, een hartelijke stad. Tbilisi, genoemd naar de warme bronnen (tbili betekent warm) paart schoonheid aan een mediterrane sfeer, een door en door ontspannen stad. Op de Roestaveli-boulevard wordt geflaneerd onder de hoge schaduwrijke platanen. Op en af loopt men, van het plein met het stadhuis tot het plein met het standbeeld van David de Bouwer, de koning die tussen 1089 en 1125 Georgië verenigde en een rijk stichtte van de Zwarte naar de Kaspische Zee, de vorst die zoveel van de kloosters en kerken bouwde die nog te bewonderen zijn.

Een stad van levensgenieters. Het gaat de Georgiërs niet goed, de economie is na 1991 ingestort. Er wordt veel gebedeld, door bejaarden vooral, die niet kunnen rondkomen van hun pensioen van 12 lari (een lari is ruim een gulden). Maar nooit maken Georgiërs een sombere indruk: ze zijn levensgenieters gebleven, zoveel anders dan hun Armeense zuiderburen, die zijn stil en sober. In Jerevan kun je altijd een speld horen vallen, Tbilisi is vol lawaai: het lawaai van leven.

Georgiërs zijn een trots volk, hartstochtelijk en gastvrij. Het standbeeld van Moeder Georgië boven Tbilisi symboliseert de Georgische deugden: in de ene hand heeft ze een bokaal wijn om de gasten te begroeten, in de andere een zwaard, voor de vijanden. Een gast, zeggen de Georgiërs, is een teken van God dat Hij je niet vergeten is. Ze zijn opgewekt en vrolijk, de terrassen zitten vol, ze bevolken de straten pratend en lachend, ze zijn warm en hulpvaardig. Romantici zijn ze, ze zweren bij het model van ridderlijk gedrag dat al terug te vinden was in Sjota Roestaveli's nationale epos De Ridder in het pantervel uit de twaalfde eeuw. Acht eeuwen dood, maar hij leeft nog. In Tengiz Aboeladzes film De Wensboom loopt een treurig jongetje door het dorp onder het voortdurend mompelen van de zin: ,,Alleen Roestaveli kan mij begrijpen.'' Een volk van dichters. In Georgië zijn taxichauffeurs en kelners dichters, zijn ministers en bandieten dichters, zijn generaals dichters. ,,Onze landschappen komen rechtstreeks van God'', zegt minister Sjoebladze.

Het is, met die 29 verwoestingen, een wonder dat er in Tbilisi nog bouwwerken bestaan die dat alles hebben overleefd. De stad werd in 458 tot hoofdstad gemaakt door koning Vachtang Gorgaseli. Hij staat nog steeds, in brons en te paard, over de oude stad uit te kijken vanaf een klif boven een bocht in de Mtkvari, met achter zich de Metechi-kerk uit de dertiende eeuw. Aan de overkant van de rivier ligt, in de oude stad vol onverwachte doorkijkjes en smalle straatjes, vol met de veelkleurige houten balkons en serres die de Georgiërs graag aan hun huizen vastbouwen, de Anchiskati-kerk uit het begin van de zesde eeuw.

Georgiërs zijn diep religieus. Geen bedelaar die je niet zegent als je hem iets geeft. Georgië is het land van de eeuwenoude kerken en kloosters die onveranderlijk op bergtoppen zijn gebouwd, op kliffen honderden meters boven de dalen: zichtbaar van ver, en toch ver van de wereld en wat werelds is. Geen bergtop of er moest een klooster op. Geen klif of er moest een kerk op, aan het uiterste randje van het ravijn, je kunt er meestal niet eens omheen lopen.

De godsdienst, zegt Nika, een werkstudent, is onze identiteit. ,,De taal is het, het alfabet is het, maar vooral de godsdienst. Het geloof heeft ons helpen overleven, zonder die godsdienst waren de Georgiërs niet bijeen gebleven.'' Het land werd gekerstend in 337, dankzij Nino, een Tsjerkessisch slavenmeisje met de gave van de wonderbaarlijke genezing. In de vroegere hoofdstad Mtscheta, vlakbij Tbilisi, staat nog de kerk waar ze de koning overhaalde zich te bekeren, en de doopvont waarin hij werd gedoopt. In deze kerk ligt ook, volgens de overlevering, het kleed begraven dat Christus droeg vóór de kruisiging, het kleed waarom de Romeinse soldaten dobbelden. Een Georgische koopman kocht het van de winnaar van het dobbelspel en nam het mee naar Mtscheta. Toen hij het zijn vrouw toonde, greep die het vast en stierf van louter emotie. Men kon het kleed niet uit haar verkrampte hand loskrijgen en begroef haar mèt het kleed. Op het graf in de kerk staat een stenen gedenkteken, beschilderd met eeuwenoude fresco's. De onderste helft van de fresco's is weggesleten – van de kus die elke gelovige die er bidt erop drukt.

Op een klif tegenover èn hoog boven Mtscheta staat de kruiskoepelkerk van Dzjvari, gebouwd tussen 586 en 604, op de plaats waar Nino een kruis oprichtte om Mtscheta te manen. Een pelgrimsoord, al eeuwen lang. De bomen langs de weg hangen vol votiefbriefjes en votieflapjes waarmee Gods zegen wordt afgesmeekt, God dank wordt gezegd.

De combinatie van adembenemende landschappen en een prachtige oude cultuur maken Georgië tot een belevenis. Georgië is meer dan alleen Tbilisi. Georgië, dat is – bijvoorbeeld – Oeplis Tsiche, de grottenstad bij Gori op 70 kilometer van Tbilisi. Een grottenstad die tweeduizend jaar bewoond is geweest, van de zesde eeuw voor Christus tot de veertiende eeuw, toen de Mongolen de stad verwoestten. Het lag op de zijderoute van Byzantium naar China, een handelscentrum waar 20.000 mensen woonden in grotten die in de rotsen waren uitgehouwen, iedereen had zijn eigen wijk: kooplieden, soldaten, ambtenaren, handwerkslieden, er was een amfitheater, een kerk, alles verbonden met uitgehakte paden en tunnels en trappen. Nu zien de grotten eruit als dode oogholten in een bleke schedel. Op de top van de berg een kerkje uit de tiende eeuw. Een stokoud vrouwtje verkoopt er kaarsen en biedt de schaarse bezoeker tandeloos lachend twee geblutste gele peertjes aan.

Het nabijgelegen Gori is de wereld vooral bekend als geboorteplaats van Stalin. Op het centrale plein staat het laatste grote standbeeld van hem, maar of hij er postuum blij mee moet zijn is de vraag, want opzij van hem hangt een veel grotere reclame voor Coca Cola. Het luttele huisje waar hij werd geboren, een huisje van baksteen en hout (,,het bed is authentiek, en de klerenkist, en de spiegel, en de samovar'', fluistert eerbiedig de vrouw die er rondleidt), is in 1939 voorzien van een betonnen baldakijn, en er is een pompeus museum achter gebouwd, met memorabilia uit de tweede hand – foto's en fotokopieën – en Stalins in brons gegoten dodenmasker.

Gori, dat is ook het oude fort boven de stad, dat al in 68 voor Christus door de Romeinen werd belegerd. En Gori is Ateni Sioni, het kerkje uit de zevende eeuw, natuurlijk op de rand van de klif, een kerkje waar je komt door weer zo'n vruchtbaar dal, zo vruchtbaar dat je rijdt onder een baldakijn van druivenranken. In het kerkje fresco's uit de elfde eeuw, en ergens in de kerk het op de muur gegrifte verhaal van een Arabische veldheer, die trots vertelt hoe hij Tbilisi heeft platgebrand.

Vanuit Gori naar het zuiden kun je het dal van de Mtkvari volgen, stroomopwaarts, naar Borzjomi, een van de vele steden met geneeskrachtige bronnen. Je kunt er voor dertig dollar per nacht slapen, eten èn kuren, in het Likani-sanatorium, voor zestig dollar zelfs in een paleisje, gebouwd door de tsarenfamilie. Stalin kwam er rusten (hij sloeg een spijker in een antiek bureau om zijn pet op te hangen; die spijker zit er nog). Het ligt in een ongerept groen natuurgebied waar 450 verschillende planten voorkomen. Een weelde van groen.

Nog verder naar het zuiden verandert het landschap elk kwartier: het wordt steeds ruiger, steeds wilder, uiteindelijk is alleen het dal nog een groen lint tussen de veelkleurige kale bergen. Aan het eind, vlakbij de Turkse grens, de grottenstad Vardzia, uitgehakt in een loodrechte bergwand, negentien woonlagen boven elkaar. Honderden grotten, die met trappen en tunnels met elkaar in verbinding staan. Van hier uit kon men de Turken zien aankomen. Centrum van de stad was een uitgehouwen kerk, waar nog een van de vier bestaande portretten van koningin Tamara (1184-1212) te zien is. Tamara en haar overgrootvader David de Bouwer zijn de twee groten van de Georgische geschiedenis: onder hen beleefde Georgië zijn bloei voor het werd stukgeslagen door de Mongolen, de Perzen en de Turken.

Haar portret in de verticale stad Vardzia, in haar tijd een centrum van kunst en cultuur, is een hoogtepunt in de Georgische frescokunst: in die twaalfde eeuw namen de Georgiërs afstand van de Byzantijnse voorschriften in de kunst, de Byzantijnse canon die tot in detail bepaalde hoe iconen en afbeeldingen eruit moesten zien. De afbeelding van Tamara toont die eigen richting: door de elegantie, de soepelheid, de harmonie van kleuren en compositie en gebaren, de vorstin is een individu, een mens van vlees en bloed.

Terug naar het noordwesten. Koetaisi, 230 kilometer ten westen van Tbilisi, is de stad waar 3200 jaar geleden Jason en zijn Argonauten het Gulden Vlies kwamen halen. Het is de oude hoofdstad van westelijk Georgië, maar van het grootse verleden is weinig over, behalve een kerk uit 1003. Een ruïne zonder dak, alleen de muren staan er nog, er liggen plassen op de grond. Maar toch hangen op de plaats waar het altaar stond nog drie iconen en er wordt nog steeds gebeden, door stille vrouwen in het zwart: een illustratie van de plaats van de godsdienst in het leven van de Georgiërs. Vlakbij Koetaisi ligt, in geïsoleerde pracht, het klooster Gelati, op een bergtop, natuurlijk, de parel van de Georgische bouw- en schilderkunst. David de Bouwer bouwde het in 1106, mèt een academie, waar hij alle grote geleerden uit de verre omtrek bijeenbracht, filosofen, theologen, wiskundigen, astronomen, filologen, musicologen, maar ook schilders, goud- en zilversmeden, miniaturisten: Gelati was een centrum van wetenschap èn kunst. Tot in 1510 de Turken kwamen, en de academie verwoestten.

Niettemin: de kathedraal is een juweel, met een halfkoepelend mozaïek uit 1130 van de Maagd en het Kind, 2,3 miljoen steentjes zijn er gebruikt, in 1.500 kleuren, en met fresco's uit de twaalfde en dertiende eeuw, het enige portret dat nog bestaat van David de Bouwer is er te zien.

Vlakbij Gelati ligt de kerk van Motsameta, alweer ijzingwekkend hoog boven de rivier, gebouwd op de plek waar beneden in het dal in het jaar 720 de lijken van twee Georgische broers aanspoelden, die waren doodgemarteld omdat ze zich niet tot de islam bekeerden. Hun botten liggen er nog steeds, in die kerk op de klif, gebouwd in diezelfde achtste eeuw, temidden van de beboste bergen.

Landschappen en oude, oude kerken. Vanuit Tbilisi kun je naar het zuidoosten, naar David Garedzja. David Garedzja ligt midden in een woestijn, bijna onvoorstelbaar op luttele zeventig kilometer afstand van het vruchtbare dal waarin Tbilisi ligt. Een savannegebied, kurkdroog, een eindeloze leegte van distels en hoog geel gras, geen levende ziel in de verre omtrek, geen bron, geen beek, geen rivier. Niets.

En dan opeens, op vier kilometer van de grens met Azerbajdzjan, een berg, en in die berg een rotsklooster. Het werd in de zesde eeuw gesticht door de monnik David Garedzjeli, die zich, zoals het monniken betaamt, ver weg van de beschaving, een zo geïsoleerd mogelijke plek uitzocht om God te dienen. Hij en de andere monniken hakten hun woningen, hun kerk, hun reflectorium, hun eetzalen, hun studieruimten uit in de rotsen, ze brachten hun fresco's aan, ze stichtten een beroemde illuministenschool, hoog boven de wereld. Ze hakten op een grote, kale berghelling in V-vorm richels uit om het regenwater naar een reservoir aan de voet van de helling te leiden. Een rijk klooster: ze kregen donaties van de vorsten, en ze konden voor hun fresco's zeldzame donkerblauwe verf uit Afghanistan betrekken. Ze bouwden in de loop van eeuwen in de buurt nòg acht andere kloosters in dezelfde semi-woestijn.

Vanaf de top van de honderden meters hoge berg kun je, ver achter de woestijn, Tbilisi zien liggen. Op de helling een kerkje, herinnerend aan die kwade dag in de elfde eeuw, toen de islamitische aanvaller de berg beklom. Hij trof er drieduizend biddende monniken aan en wilde hen afslachten. De monniken vroegen of ze eerst hun gebed mochten afmaken. Dat mocht. Vervolgens werden ze een voor een vermoord. Het kerkje bevatte eeuwenlang hun gebeente. De fresco's uit de negende tot de dertiende eeuw zijn beschadigd, aanvallers die langskwamen staken op de fresco's de ogen uit, krasten de gezichten weg.

Je kunt vanuit Tbilisi ook naar het noorden, de Georgian Military Highway op, die de Russen begin vorige eeuw aanlegden om de zuidelijke Kaukasus beter te beheersen. Het is een adembenemende tocht, de Kaukasus in, de Kaukasus óver, want als je, de zuidwaarts stromende Aragvi-rivier volgend, Ananoeri voorbij bent – een fabelachtig mooi fort annex klooster op een fabelachtig mooie plek, hoog boven een dal en een stuwmeer – steek je de pas over en kom je in de noordelijke Kaukasus en volg je de Terek, die noordwaarts stroomt, naar Tsjetsjenië. Eeuwenoude wachttorens onderweg, waarop vuren werden ontstoken en rooksignalen werden gegeven als de vijand naderde. Vanuit Tbilisi bestond een heel netwerk van zulke torens. Als de vijand kwam, wist heel Georgië dat binnen twee uur.

Vlakbij de Russische grens ligt Kazbegi, en honderden meters hoger, op de helling van de ruim 5.000 meter hoge Kazbek, ligt het kerkje van Tsminda Sameba, uit de veertiende eeuw. Wéér zo'n plek waar monniken zich afzonderden. Wéér een klim die later spierpijn bezorgt. Wéér duizelingwekkende uitzichten.

Soms beneemt de tocht je de adem. Koeien liggen midden op de weg, de kop in een wolk van vliegen. Oude vrouwtjes verkopen benzine in jerrycans, en boter, en Kaukasische mutsen van witte schapenwol. Hier en daar stroomt het mineraalwater zo uit de rotsen, die geel en oranje zien van het neergeslagen ijzer. De bergen zijn van een ruige, wilde schoonheid. Een absolute stilte. Een niet te vatten, een volkomen stilte – zelfs het lopen van de wind is niet te horen. Aan de overkant van het dal brede, steile bergwanden, bedekt met kort gras, bijna onecht: groen fluweel. Bergbeken hebben zich in dat groene fluweel grijze, keiige dalen uitgesleten, de berghelling lijkt daar opengebarsten, als een overrijpe vijg. Rivieren meanderen door het dal, witte linten in de ijle diepte.

Ver weg, achter de peilloze dalen, worden de beboste bergen blauw. Alles is ongerept, onaangeroerd, er zijn geen dorpen, geen wegen, geen auto's, geen mensen: hier heeft niemand aangezeten, hier is alleen de hand van God.

,,Vroeger kwam het hele Sovjet-politburo hier met vakantie'', zegt minister Sjoebladze, ,,niemand wist beter waar het goed toeven was!'' In dit land is de hele geschiedenis van de mensheid te zien, vanaf het stenen tijdperk. ,,Je kunt geen eeuw aanwijzen waarin we niet bestonden.''

Vijf miljoen toeristen per jaar trok Georgië tot 1991, vorig jaar nog maar 317.000, de helft uit Turkije, en welgeteld 904 uit Nederland. In 2005 moeten er weer een miljoen toeristen komen, zegt hij. Het zal lukken, want Georgië is door God zelf geschapen, hebt u onze landschappen gezien? Ze zijn zo zuiver, ze zijn nooit door de mens aangeraakt. Onze landschappen komen rechtstreeks van God.

    • Peter Michielsen