Zucht naar goedheid

Toen in 1972 de gedichten- en verhalenbundel Zien soms even van Huub Oosterhuis verscheen, hoefde ik de helft daarvan al niet meer te lezen. Ik zong die gedichten, door Bernard Huijbers op koormuziek gezet, al sinds jaren. En ook veel van de verhalen, parabels en beschouwingen had ik al eens horen voorlezen. Wat was het dat me daarin zo aantrok? Niet het veelvuldig vallen van de naam van God, van wie ik een paar jaar eerder pijnloos afscheid genomen had. Zo pijnloos dat die naam mij ook in wat ik zong of las niet stoorde. `Naam die geen naam is. Geen chiffre voor een `godsbeeld'; geen sleutelwoord voor een wijsgerig systeem', schrijft Oosterhuis in Zien soms even, waarschijnlijk zijn beste boek, maar daarmee was nog niet zo veel gezegd.

Oosterhuis schiep taal voor een verlangen waarin - wat mij betreft - weinig godsdienstigs stak, maar dat wel het leven vulde. Het was het verlangen dat het bestaan uiteindelijk goed zou zijn - of minstens goed gemaakt moest worden - en niet alleen bestemd was voor cynisme en ontgoocheling. In die jaren ging dat samen met een soort religieus socialisme waarin ik van harte geloofde. Maar belangrijker was dat die goedheid zich soms al liet voelen in de woorden die ik met anderen zong, in een vreemd mengsel van hooggestemdheid en sensualiteit, want zingen is een lichamelijke oefening. En tegelijk was het een intellectuele oefening, want achter de woorden en beelden moest zich een nieuw inzicht ophouden dat de oerkracht ervan behield maar er tegelijk een nieuw draagvermogen aan gaf.

Zo werden psalmen opnieuw strijdliederen, troostliederen of gezangen van verdriet. Oude en nieuwe zinswendingen kregen een allerpersoonlijkste betekenis, ongetwijfeld doordat ze niet alleen geschreven waren, maar ook klonken wanneer ik ze zelf zong. Ze hoorden thuis in een gebeurtenis en werden daardoor boven zichzelf uitgetild. Misschien is dat het begin van alle literatuur: zangers die verhalen declameren en treurnis en liefde bezingen die gedeeld worden door ieder die ze op dat ogenblik horen.

Als een oeuvre iemands leven kan veranderen, dan heeft het werk van Oosterhuis dat met mij gedaan. Het bleek sterker dan mijn fascinatie voor de natuurkunde en bracht me op de weg van de filosofie. En nog altijd denk ik dat filosofie alleen de moeite waard is wanneer ze een alledaagse betekenis heeft: `voor het leven', zo u wilt - zoals die orale, liturgische literatuur die in die tijd voor mij had. Wel ben ik door de filosofie gaandeweg over ongeveer alles anders gaan denken dan toen. Ook over religie, die ik - nog altijd ongelovig - steeds belangrijker ben gaan vinden. Niet omdat ze een zaak is van het hart, maar juist vanwege de uiterlijkheid van haar rituelen. Precies de uiterlijkheid die we toen als `afgodendienst' zo verwerpelijk vonden en waartegen het oeuvre van Oosterhuis in zekere zin geschreven is.

Huub Oosterhuis: Zien soms even (1972), is in herdruk bij Kok Agora.