Zinnelijk tijdverdrijf

In 1900 was het theater een frivool festijn, toebehorend aan luidruchtige toeschouwers en schalkse actrices.

Halverwege de vorige eeuw, de negentiende, woedde er in Amsterdam een felle strijd tussen twee actrices. Mevrouw Van Ollefen-Da Silva en mevrouw Engelman-Bia vlogen elkaar publiekelijk in de haren. De eerste schreef brieven aan de redacteur van het Algemeen Handelsblad waarin zij mevrouw Engelman `dat boosaardige wijf' noemt. Een dochter en schoonzoon werden in de strijd betrokken, toeschouwers mochten hun voor- dan wel afkeur uitspreken.

Beide actrices schitterden in het Paleis voor Volksvlijt. De oorzaak van de rivaliteit lag in pure behaagzucht: wie won de gunst van het theaterminnende publiek? Uiteindelijk moest een van de twee het veld ruimen, zo hoog laaide het vuur op.

In 1900 publiceerde M.B. Mendes da Costa, een goede vriend van de schrijver Marcellus Emants, zijn boek Tooneel-Herinneringen, voorzien van portretten, uitgegeven bij Sijthoff in Leiden. Mendes da Costa schreef zijn memoires als feuilleton in Het Tooneel, orgaan van Het Nederlandsch Tooneelverbond. Hij dichtte zichzelf een hoge missie toe met zijn herinneringen: ,,Wat mij gebracht heeft tot het schrijven van Tooneel-herinneringen?'' vraagt hij op de eerste bladzijde aan zijn lezers. Het antwoord luidt: ,,Nu weet ik ze nog, en – het zijn geen geheimen die ik ga openbaren – zijn ze ook aan anderen bekend; maar als nooit iemand ze te boek stelt, gaat met ons verloren wat een vrij belangrijke bouwstof kan zijn voor hem, die eenmaal de geschiedenis zal willen schrijven van het tooneel in de laatste helft van de 19de eeuw.''

Dankzij Mendes da Costa weten wij nu hoe de twist tussen de beide actrices is afgelopen. Mevrouw Van Ollefen-Silva, de aanstichtster van het kwaad, was ,,namelijk een knappe actrice en een brave huisvrouw, maar haar humeur stond algemeen bekend als onuitstaanbaar. Ook op de planken deed zij zich gelden: als zij moest repeteeren en er een strootje op het tooneel lag, weigerde zij op te treden, zoolang dat niet was weggenomen.'' Haar rivale, Engelman-Bia, ontpopte zich als een `ambitieuze vrouw' en oogstte roem in nu vergeten stukken als Hertogin van Marlborough en Een glas water. Zij beschikte echter over een sterke troef: haar echtgenoot was een van de maar liefst zeven directeuren van de Amsterdamse Stadsschouwburg. En zo, niet bestand tegen deze overmacht, moest mevrouw Van Ollefen haar heil zoeken in Den Haag, de `eenmaal zoo gevierde Ophelia in Hamlet, de bewierookte Maria Stuart, de veel geprezen Inez de Castro in het treurspel van dien naam van Rhijnvis Feith'. Ook in de hofstad raakte ze bitter teleurgesteld en tot slot stierf ze, eenzaam en vergeten, in Antwerpen.

Vijandschap

Het is geen roddelzucht die Mendes da Costa beoefent in de uitputtende beschrijving van de wederwaardigheden over beide toneeldames. Hij geeft, voor de latere lezer, een onmisbaar beeld van het Amsterdamse toneelleven van een eeuw geleden. Nu is het ondenkbaar dat er een vijandschap losbrandt tussen toneelspelers zelf, hoogstens tussen regisseurs. En ook dat laatste gebeurt te weinig. Eertijds behoorde het toneel veel meer toe aan de toeschouwers; het was hun toneel, het waren hun spelers. Zij verdeelden zich in kampen wanneer een voorstelling omstreden was. Dat `omstreden' zijn van een uitvoering had nooit te maken met de regie, maar immer met het optreden van de acteurs en, vooral, de actrices.

Regisseurs bestonden helemaal niet. Ondenkbaar dat nu zo gemeengoed geworden begrippen als visie, interpretatie, verbeelding en zelfs aanpassing aan de eisen van de hedendaagse tijd de betekenis van een voorstelling zouden bepalen. Dat deden de uitvoerende kunstenaars, zij waren de sterren. Regie heette mise-en-scène of figuratie. Daarover meldt Da Costa met nauwelijks verholen venijn: ,,En waarlijk met de figuratie in gewone tooneelstukken is het niet zoo heel veel beter gesteld. De onbeschaafdheid van de meeste menschen, die zich daartoe leenen, is een onoverkomelijk bezwaar.'' Het is `ingepompt gedoe' waarin de spelers als poppen staan, met touwtjes vastgehouden door de regisseur die `een schoolmeester' is.

In die tijd was de Amsterdamse Nes, met Tivoli, een onzedelijk oord. Een keurbende aan jonge vrouwen trad daar op. Blonde actrices konden rekenen op bijval van een deel van het publiek; de andere helft van de zaal toonde dan steevast een uitbundige voorkeur voor brunettes. Het toneel was een steekspel tussen toeschouwers onderling. Niemand van nu kent hun namen nog, maar de beide forte-jeune-première speelsters, de kleine brunette Caroline Lehmann en de rijzige blondine Alexandra von Zeplin, zetten het Grand Théâtre en de Salon des Variétés aan de Amstelstraat op stelten. Het toneel uit die tijd lag het dichtst bij sensueel vermaak, gegeven door actrices met vaak heel weinig `tricot' of `japonnenstof' aan. Da Costa: ,,En wie was in die dagen niet blij als hij op het affiche de namen zag prijken van de ondeugende Kathinka Hoppé, met haar prachtig gevormde gestalte en ledematen, en van de nu eens smachtende en dan weer schalksche Hélène Babzien, van wie men vertelde dat ze longtering had, wat haar natuurlijk nog eens zoo interessant maakte! Deze twee dames en de piepjonge, vrijmoedige Fräulein Naumann waren de beauté's van het gezelschap en speelden met de grootste opgewektheid de muntere Liebhaberinnen, de travesti's, de ingenue's, de tweede partijen in operettes, kortom: al die soort van rollen, waarin een bevallig uiterlijk, een lieve stem en een zekere dosis van gepaste brutaliteit noodige, maar tevens bijkans afdoende eisen zijn.''

Travestie

Da Costa verzucht ,,Die goede tijd komt nooit weerom.'' Hij en zijn tijdgenoten amuseerden zich dol met blijspelen als De jaloersche vrouw of Zehn Mädchen und kein Mann, waarin tien dochters hengelen naar een man. De leider van het gezelschap was wel zo gewiekst om de dochters door actrices te laten spelen van verschillende nationaliteit, hetgeen weer tot de nodige opgewondenheid in de zaal leidde.

Travestierollen waren schering en inslag. Sarah Bernhardt vertolkte de titelheld in Hamlet. Da Costa is fel tegen; hij ergert zich eraan dat, ondanks de verkleding, de `schoone lichaamsbouw van mooie vrouwen' duidelijk zichtbaar is. Een man moest Hamlet spelen. Sarah Bernhardt trad in maart en april 1899 in Amsterdam op: ,,Want al is deze een duizendkunstenares, al heeft zij een nieuw terrein ontgonnen (namelijk dat van de travesti`s, KF), waarop zij voor de zooveelste maal verpiepjongd kan schijnen, al zullen de Franschen natuurlijk in de wolken zijn en schreeuwen dat haar Hamlet de Hamlet is, ik zal nooit geloven dat dat waar is. Zij kan vleien, zingen, klagen, maar niet uitbulderen, zooals Hamlet af en toe doen moet. Bij háár wordt uitbulderen geregeld vervangen door krijschen.'' Eerbiedig is Da Costa zelden; Shakespeare krijgt niet de idolate bewondering die we gewoon zijn hem te schenken en Multatuli's toneelstuk Vorstenschool (1875) schrijft hij met veel plezier aan flarden als bijzonder `on-dramatisch'. Met gerust hart noteert hij bij het overlijden van ene acteur Van Hilten, die leed aan de tering en in Frascati optrad: ,,Zijn dood was geen onherstelbaar verlies voor de kunst.''

Voor alles was in 1900 het theater een frivool festijn, met geestdriftige of ook ontstemde toeschouwers. Men vermaakte zich met vaudeville, variété en blijspel, een enkele tragedie als Hamlet of Othello uitgezonderd. De entree voor de Stadsschouwburg, de kunsttempel aan het Leidseplein, bedroeg een gulden. Kaarslicht in de foyers, ruisende japonnen. Het lééfde, maar heel anders dan nu. Het was zinnelijk tijdverdrijf, `betovering' zoals Da Costa met jeugdige opgetogenheid memoreert. Becketts Wachten op Godot (1952) en Edward Albee's Who's Afraid of Virginia Woolf? (1963) moesten nog geschreven worden. En keer op keer vraagt Mendes da Costa zich af, terecht, want theater is een vergankelijke kunstvorm: ,,En waar zijn nu de artiesten gebleven, die dien avond voor mij onvergetelijk hebben gemaakt?''

Regie bestond niet het heette mise-en-scène of figuratie

Was een voorstelling omstreden dan verdeelden de toeschouwers in kampen