Uw troost is niet mijn troost

Een jaar lang schreef Bas Heijne de rubriek Het laatste jaar.

Geen lijstjes, gewoon twee ervaringen. Op een avond in het afgelopen jaar zag ik hoe in de Amsterdamse Leidsestraat een jongen door een andere tegen de grond werd gewerkt. Toen de jongen op straat lag, begon de ander, die een stuk kleiner was maar ook gespierder, als een bezetene tegen zijn hoofd te schoppen. De uitdrukking op het kaalgeschoren hoofd van de overwinnaar was uitdrukkingsloos, zijn ogen waren wijd opengesperd. Hij schopte zo hard als hij kon. Een meisje, om wie het waarschijnlijk begonnen was, gilde dat hij moest stoppen. Ze trok aan zijn arm, maar de kale jongen schopte door. De jongen die op de grond lag, had zijn armen om zijn hoofd geslagen. Hij kermde smekend. Ik bevond me op te grote afstand om het geluid van de schoen tegen het hoofd te horen. Toch herinner ik het me: dof en droog tegelijk, hard tegen zacht. Voor ik me bewust werd van wat ik zag, was het afgelopen. De schoppende jongen hield plotseling op, zijn slachtoffer stond op en rende weg. Hij schoot vlak langs me. Ik zag bloed uit zijn oor komen.

De tweede ervaring is minder tastbaar, maar persoonlijker. In het vliegtuig waarmee ik een paar maanden geleden 's nachts van Hongkong terugvloog naar Amsterdam, werd ik uit een ongemakkelijke halfslaap gewekt door een ijskoud gevoel van angst. Het moet claustrofobie geweest zijn, vliegangst of heimwee, of een mengeling van alledrie. Hoe dan ook, de emotie was overweldigend. In het vliegtuig was het donker, de meeste mensen sliepen. Naast me snurkte een Taiwanees die naar muffe truien rook. We vlogen ergens boven Siberië. Ik was slaapdronken, had geen greep op mijn bewustzijn, maar wat ik voelde was, denk ik nu, oneindigheid – de oneindigheid van een leegte. Niet eerder had ik me zo nietig gevoeld, zo verlaten ook. Vechtend tegen de paniek ging ik rechtop zitten. Mijn handen knepen in de stoelleuningen. Na een paar minuten was het voorbij. De rest van de twaalf uur durende vlucht voelde ik me uitstekend, opgewekt. Ik las in het inflight magazine over de Thaise keuken en het tropische paradijs dat Sri Lanka heet. Ik keek naar Notting Hill op het videoscherm. Niets aan dehand. Mijn paniekaanval was niet alleen voorbij, een paar uur later kon ik me die niet eens meer goed voorstellen. En toch was ik even doodsbang geweest.

Het zijn ervaringen die je niet vergeet. Tegelijkertijd valt er mee te leven. In je dagelijkse leven nemen ze geen belangrijke plaats in, in ieder geval niet bewust. Maar nog steeds haal ik me moeiteloos het strakke gezicht van de schoppende jongen voor de geest, de zuivere agressie van zijn uithalen tegen het hoofd op de grond, de onderkoelde verdwazing waarmee hij zijn vonnis voltrok. Toch hoor ik mezelf in algemene gesprekken over zinloos geweld beweren dat er niet overdreven moet worden. Dat we er nu zo geschokt door raken, komt omdat we niets meer gewend zijn. Het was vroeger niet anders, alleen hadden de meeste agressieve mensen toen nog een voorwendsel – een revolutionair ideaal, de strijd tegen maatschappelijk onrecht, verontwaardiging over de leegstand van speculatiepanden – om iemand keihard tegen zijn kop te schoppen. Ons geweld is zinloos, omdat er zo weinig zin is. Dat is het verschil met vroeger.

Net zo brengt die ervaring van nietigheid in het vliegtuig boven Siberië me er niet toe te beweren dat mijn leven zonder betekenis is. In de cocon van mijn dagelijkse bestaan is geen plaats voor grootse existentiële wanhoop. Dreig ik een tram of trein te missen, zet ik het op een drafje. Als ik boodschappen ga doen, zorg ik dat ik mijn bonuskaart bij me heb.

Maar op de achtergrond, dreigend in de schaduwen: redeloos geweld, zuivere wreedheid, met daarachter het universum als een zwart gat. Ik kan zulke ervaringen niet ontkennen, zodra ik erbij stilsta, besef ik terdege dat zulke krachten mijn eigen leven ieder moment kunnen verwoesten. Kan ik er iets tegenoverstellen?

Je kunt je wanhoop over die ongelijke strijd aan je borst drukken, haar koesteren als een even grappige als pijnlijke sick joke – zoals Beckett en de andere absurdisten na de Tweede Wereldoorlog deden. Jijzelf met je bonuskaart, je zorg voor alledaagse dingen, je ambitie en verlangens, je kletsverhalen en je domme tijdverdrijf, het is een absurd spektakel in het aanzicht van het grote Niets. Het is zo pijnlijk dat het komisch wordt.

En de wereld zelf ziet er niet beter uit. Deze eeuw was te gruwelijk voor woorden, wordt dezer dagen her en der zelfgenoegzaam vastgesteld, een en al verlies en vernietiging. Eens kijken of de volgende beter wordt. De kans is klein.

Wie zich wil wapenen tegen zinloosheid, zal in iets moeten geloven. Je kunt niet, zoals de Italiaanse filmmaker Ettore Scola jaren geleden over zijn collega Marco Ferreri zei, maar blijven beweren dat het leven een hoop stront is, niet waard om geleefd te worden – en dan vervolgens toch doorgaan alsof er niets aan de hand is. Ferreri liet in zijn films het leven zien als een zwart gat, een draaikolk van waanzin en vernietiging, steeds weer opnieuw, en dat was het dan. Als dat werkelijk alles is, luidde de repliek van Scola, dan moest je consequent zijn en er zo snel mogelijk een einde aan maken.

Zo niet, dan komt er een moment dat je met je billen bloot moet. Een paar jaar voor zijn dood in 1990 hield de schrijver Frans Kellendonk een korte lezing, getiteld `Grote Woorden', die hij later als nawoord opnam in Geschilderd eten, zijn gebundelde lezingen over Vondels Altaergeheimenissen. Daarin stelde hij zichzelf de hamvraag: was het voor hem nog mogelijk te geloven in de grote woorden die duizenden jaren lang vorm aan het bestaan hadden gegeven, woorden als God, Hemel, Heilig, Eeuwigheid? Niet meer als absolute waarheid, was zijn antwoord. Die tijd is voorbij. Het geloof in een Goddelijke macht die heel het aardse bestaan in Zijn hand hield, zodat al die grote woorden als het ware van buitenaf geheiligd waren, was voor hem, net als voor veel mensen, onmogelijk geworden. Anders dan latere exegeten van zijn werk, en ook zijn honende critici, hebben gesuggereerd, was het nooit Kellendonks bedoeling het traditionele christelijke geloof nieuw leven in te blazen. Juist de voor hem onomkeerbare ontluistering van het christendom dwong hem ertoe nieuwe betekenissen te zoeken. Het verdwijnen van God en de Hemel was voor hem onmiskenbaar, net als het gevoel van gemis dat het teweegbracht.

Door onwrikbaar en eeuwig te willen zijn hebben de grote woorden hun eigen ondergang bewerkstelligd, beweert hij in zijn toespraak. ,,Als we ons al iets kunnen voorstellen bij het woord God, dan berust die voorstelling niet op een onmiddellijke ervaring maar op een ervaring van het menselijk tekort. Hetzelfde met eeuwigheid – dat begrip moet wortelen in onze ervaring van de tijd. Het absoluut goede ontkent de eindigheid van wat we hier aan goeds ervaren, het absoluut schone de vergankelijkheid van aardse schoonheid. Al die begrippen [...] spruiten voort uit het verlangen om de kloof te dichten die gaapt tussen het bewustzijn en de wereld, `the absence in reality' zoals de dichter Wallace Stevens die kloof heeft genoemd.''

Om die kloof te dichten, zegt Kellendonk, hebben de mensen achter onze waarneembare wereld een hogere wereld geprojecteerd waarin bewustzijn en wereld samenvallen, de Hemel der Ideeën, waarin ,,de wens tot vader van de gedachte is gemaakt''. Die grote woorden van weleer waren uitingen van verlangen die tot absolute werkelijkheid waren verklaard. Nu ze als verzinsels ontmaskerd zijn, zijn ze ongeldig verklaard – alleen zitten wij nog steeds met dezelfde verlangens. Wat te doen? Kellendonk stelde voor te `geloven' in de grote woorden in ons leven, zonder ze een bovenmenselijke waarheid toe te dichten. ,,De religie van de hemel moet een religie van de aarde worden. [...] Oorsprong en doel staan niet buiten de geschiedenis, het zijn verzinsels die de geschiedenis van binnenuit vorm geven.''

Dat bleek gemakkelijker gezegd dan gedaan. Tijdens zijn leven werd Kellendonk vaak beschouwd als een schrijver die met heimwee terugkeek. Later bleek hij zijn tijd een flink decennium vooruit geweest te zijn.

Kijk maar om je heen: de grote woorden zijn weer overal. Ethiek, zingeving van het leven vóór, tijdens en na de dood, het natuurlijke, bovennatuurlijke, het onnatuurlijke, Goed en Kwaad, Schoonheid en Troost, Eer en Geweten, allemaal begrippen die op de meest onverwachte plekken opduiken. Zet 's avonds de radio aan en je valt midden in een tweegesprek over het kwaad in de wereld naar aanleiding van Kosovo; zap wat heen en weer op televisie en tien tegen een dat ergens op een zender een stel bekende Nederlanders in een gedragen gesprek verwikkeld zijn over de zin van het bestaan.

,,Vertel me wat dit leven de moeite waard maakt'', vraagt televisiemaker Wim Kayzer de komende zesentwintig weken aan grootheden op het gebied van kunst, filosofie en wetenschap. Over hun werk gaat het nu even niet, Kayzer wil horen waar deze mannen en vrouwen op terugvallen als het leven tegenzit, wanneer ze zich geconfronteerd zien met ziekte, tegenslag, verlies en dood.

Schoonheid en troost, dat zijn de trefwoorden. Grote woorden.

In de VPRO-gids vertelde Kayzer dat zijn gasten tot zijn blijde verbazing in hun moeilijke uren vaak iets heel anders deden dan waar ze beroemd mee waren geworden. ,,Wat doet [de Zuid-Afrikaanse schrijver] Coetzee – het leven heeft hem niet altijd meegezeten – als het tegenzit? Gaat hij dan achter de schrijftafel zitten of juist niet? Er zijn mensen in de serie die anderen troosten door wat zij op hun gebied presteren, maar diezelfde bezigheden hoeven hen zelf geen troost te bieden.''

En zo wordt heel de wereld één grote Villa Felderhof. De grote woorden zijn terug, maar Kellendonk vergiste zich toen hij er vanuit ging dat wanneer ze aan de mensen zouden worden teruggegeven, ze die mensen ook boven zichzelf zouden doen uitstijgen. Juist omdat die grote woorden nu los zijn komen te staan van de absolute waarheid – Kellendonks Hemel der Ideeën is permanent gesloten – vallen ze terug aan de menselijke ervaring.

Wat betekent geluk voor mij? Wat zie ik als het zuivere kwaad? Wat laat ik achter wanneer ik er niet meer ben? Wat was het meest ingrijpende moment in mijn leven? En: wat maakt voor mij dit leven de moeite waard?

Stuk voor stuk zijn dat vragen waar ieder voor zichzelf antwoord op moet geven, maar nu doen vooral anderen het voor je. Een komiek praat over leven en dood en zijn Tien Geboden. Het is de bedoeling dat wij er iets van opsteken, en vooral dat wij zien en voelen wat deze man beweegt. Over zijn werk gaat het nu even niet. Hoe belangrijk is zijn vrouw voor hem en waar verwacht hij dat hij na zijn dood terechtkomt?

Kellendonk wilde de grote woorden weer menselijk maken. Ze werden human interest.

Hoe kon het ook anders? De kloof die tussen onze verbeelding en de wereld bestaat, Wallace Stevens' `absence in reality', kan alleen nog door onszelf overbrugd worden. In de huidige wereld kiest een ieder zijn eigen grote woorden. Een ieder moet zijn eigen, persoonlijke relatie met de buitenwereld onderhouden. Nu de Hemel der Ideeën geen gemeenschappelijk referentiepunt meer kan zijn, zijn dat de ervaringen van anderen geworden. Hoe heeft de actrice het verlies van haar dochtertje verwerkt? Wat dacht deze politicus toen bij hem de dodelijke ziekte werd geconstateerd? Waarom leest Sandra Reemer zo graag De Celestijnse Belofte? Wat doet Coetzee als het leven tegenzit?

De enige werkelijk levende gemeenschap is die van de gedeelde ervaring. Daarom kunnen die ervaringen nooit alleen maar persoonlijk zijn, er wordt altijd een verband met de ervaringen van anderen gezocht. Mijn persoonlijke ervaringen in dit leven houd ik boven mijn hoofd als een paraplu. Kom er maar onder staan.

Heiligen de grote woorden het leven, zoals Kellendonk het gewild had? Misschien, maar meestal vertegenwoordigen ze toch een surrogaatervaring, die ontleend wordt aan de betekenis die deze woorden eens hadden, in de tijd toen ze nog als absolute waarheid golden. Ze worden gebruikt als een rekstok waaraan je je gevoel kunt optrekken.

Een van Kayzers geïnterviewden, de Amerikaanse dirigent Richard Dufallo, stelde op verzoek van de televisiemaker zijn `Concert van de schoonheid en de troost' samen, dat in februari in het Muziekcentrum Vredenburg wordt uitgevoerd. En ja hoor, het Adagietto uit Mahlers Vijfde wordt gespeeld. Een paar honderd mensen die bewust naar Vredenburg gaan om een avondje Troost en Schoonheid te ondergaan, moet dat het nieuwe gemeenschapsgevoel verbeelden? Het doet me eerder denken aan de doorvoelde, zuiver humanistische lifestyle die in zoveel reclamespotjes voor verzekeringsmaatschappijen en quasi-ambachtelijk bier wordt gepropageerd.

Wie, zoals ik de afgelopen tweeënvijftig weken in `Het laatste jaar' heb gedaan, niet vooruitkijkt, niet terugblikt, maar enkel om zich heen kijkt, wordt vanzelf geconfronteerd met een dilemma: hoe geef ik mijn persoonlijke ervaring met de buitenwereld weer zonder gebruik te maken van de grote woorden die overal als lege hulzen om me heen liggen? Nu de enige maat de menselijke maat is, is de verleiding groot jezelf aan te kleden met woorden als Troost en Schoonheid, jezelf te verheffen door de mantel van de Hemel der Ideeën om je schouders te leggen. Het is een fraaie manier om je te onderscheiden in een buitenwereld die alleen nog maar werelds is, een wereld waarin het materialisme als de enige levende ideologie geldt en die als enige authentieke ervaringen de wezenloosheid en de roes propageert. Maar zo gemakkelijk kom je er niet vanaf. Die buitenwereld laat zich niet negeren; hij dringt zich aan je op, steeds luider, steeds opzichtiger – voor je het weet zie je hoe iemand op straat zomaar verrot wordt geschopt, of overvalt je een ijskoude doodsangst in een vliegtuig een paar duizend voet boven de ijsvlakten van Siberië. En dan komt het erop eraan.

Ik heb de grote woorden voor me klaarliggen, de oude woorden als het Kwaad en Leegte, Troost en Schoonheid, Eeuwigheid en Liefde. Het zijn de riemen waarmee ik zal moeten roeien, maar ze betekenen vooralsnog niets. Het enige wat ik kan doen is ze als uitgangspunt nemen en vervolgens proefondervindelijk te werk gaan. Wat zouden ze kunnen betekenen, voor mij, nu, in dit leven, in deze wereld? Ik zal er betekenis in moeten ontdekken, of op zoek moeten gaan naar andere woorden. Ik zal mijn eigen schepper moeten zijn.

Jijzelf, met je alledaagse zorgen, je bent een absurd spektakel in het aanzicht van het grote Niets

Ons geweld is zinloos, omdat er zo weinig zin meer is

Tot slot: praten over zingeving is in, maar onze omgang met grote woorden blijft moeizaam.