Toen de Russen kwamen (1799)

Een weinig bekend hoofdstuk uit de vaderlandse geschiedenis is de mislukte invasie van Noord-Holland door meer dan dertigduizend Engelse en Russische soldaten, eind augustus 1799. Ze kwamen om de Franse bezetter uit Holland te verdrijven, maar liepen vast in de polders. De episode zou een uitputtende moderne studie verdienen maar zelfs het afgelopen herdenkingsjaar, compleet met fietstochten langs de slagvelden, heeft die niet opgeleverd. Wel verschenen twee uitgaven die een overzichtelijk eerste beeld geven van de gebeurtenissen.

De invasie was gebaseerd op de misvatting dat de Nederlanders, onderworpen door de Franse revolutionaire troepen, spontaan in opstand zouden komen zodra de in 1795 verdreven stadhouder Willem V voet aan wal zou zetten. Dat viel tegen. De Nederlandse Bataven zouden zich weliswaar graag hebben verlost van het Franse juk, maar zaten niet te wachten op een nieuwe bezetter. En hoewel Napoleon zelf na zijn verovering van Italië was doorgereisd naar Egypte en daar buitenspel werd gezet door een blokkade van de Engelse marine, bleken de Fransen over voldoende reserves te beschikken om de Hollanders bij te staan bij de verdediging tegen de invasiemacht.

Na vier stevige veldslagen zaten de indringers nog steeds opgesloten in een te klein gebied, in een nat najaar. `We hebben ontdekt dat Holland een land is doorklieft met sloten, dijken en kanalen en dat het weer in oktober niet zo goed is als in juni', mopperde een Brits parlementslid na afloop. Twee maanden na de landing ten zuiden van Den Helder, droop het invasieleger alweer af.

Als poging van de Engelsen om de Franse expansie te stuiten, was de inval niet meer dan een plaagstoot. Maar voor Noord-Holland waren de gevolgen verwoestend. De dorpen Bergen, Schoorl, Egmond en Castricum lagen in puin. De polders stonden onder water, vee was geroofd en opgegeten. De bevolking leed onder plunderingen en oorlogsmisdaden. Het Engelse legerkorps telde na afloop 500 doden, 2.700 gewonden, 1.300 vermisten en meer dan 5.000 zieken.

Het is jammer dat de titel Voorwaarts Bataven! precies het tegenovergestelde suggereert van wat de schrijver presenteert. De kruitdamp is niet te ruiken in dit boek. Het is een schoolse, chronologische opsomming van de veldslagen, de samenstelling van de legercolonnes en de loopbaan van de bevelvoerders. Het uitputtende curriculum vitae over de Russische generaal Hermann laat niet onvermeld dat die op 21 januari 1791 de Orde van St. George tweede klasse kreeg, goed voor vijfhonderd lijfeigenen in de provincie Polotsk. Maar uit de beschikbare ooggetuigenverslagen van militairen, artsen, kooplieden, dominees en dorpsmeesters wordt nauwelijks geciteerd. Ook ontbreken de lotgevallen van individuele soldaten, over wie veel nog ongepubliceerd archiefmateriaal beschikbaar is.

De beschrijving van dat `lagere niveau' mag in een militaire-historische studie niet meer ontbreken sinds de Britse historicus John Keegan twintig jaar geleden het baanbrekende The Face of Battle publiceerde. Hij liet zien hoezeer de ervaringen van gewone soldaten kunnen verschillen van het `hogere niveau' van politici en generaals. In het Rijksarchief in Den Haag liggen bijvoorbeeld verhoren van Nederlandse kanonniers en grenadiers die zich in 1799 moesten verantwoorden voor de krijgsraad te velde. Die zeggen meer over de realiteit van de oorlog dan de samenstelling van de legercolonnes. Ze zijn de weg kwijt geraakt, onder een brug in slaap gevallen en komen er dan af met `klingslagen' (dat wil zeggen met de platte kant van de sabel). Of ze zijn schuldig aan het afpersen van de burgerbevolking – zes flessen wijn, boter en brood – en worden gefusilleerd voor het front der troepen. Uit een comtemporain Dagverhaal wordt duidelijk hoe verloren de Russische lijfeigenen zich moeten hebben gevoeld in de Hollandse polder. Ze waren zo bang gemaakt voor de Franse guillotine, dat een verdwaalde Russische soldaat zich vier dagen en nachten, tot aan zijn hals in het water gezeten, schuilhield op een rantsoen van boombladeren. Pas nadat hij door de `blaffende honger' was verdreven, viel hij in Franse handen.

Gelukkig heeft dezelfde uitgever ook een prachtige serie reproducties uitgebracht van 32 prenten, tekeningen en kaarten over de operatie. Het zijn reproducties op groot formaat van kunstenaars als Dirk langedijk, Reynier Vinkeles en J.E. Marcus. Daarop is de kruitdampen wèl te ruiken en worden ook de plunderingen getoond. Maar voor een levendig verhaal kan de lezer het beste teruggrijpen op Neerlands Heldendaden te Land, een boek van Bosscha uit 1842, op de roman De Huzaren van Castricum van A. Alberts uit 1973, of op het Engelse The Strategy of Overthrow, maar ook dat is al 25 jaar oud en bovendien nogal Brits-chauvinistisch.

Geert van Uythoven: Voorwaarts, Bataven! De Engels-Russische invasie van 1799. Europese Bibliotheek, 208 blz. ƒ49,–

D. van Alten (red.) e.a.: De Atlas van de Engels-Russische invasie in 1799. Europese Bibliotheek. 32 reproducties van prenten en kaarten. ƒ349,-