Taal is springstof

Als duizend mensen een griepinjectie krijgen en 980 mensen krijgen een jaar lang geen griep, dan hebben we waarschijnlijk met een effectieve griepinjectie te maken. Maar hoe herkennen we een effectieve zin? Wat zijn de kenmerken van een effectieve alinea en waarom noemen wij het ene verhaal effectiever, en dus beter, dan het andere?

Als we een lijst samenstellen met de honderd beste romans van deze eeuw, wat toch veelvuldig gebeurd is de laatste tijd, welke criteria hanteren we dan, bestaat er overeenstemming over die criteria, kunnen we de criteria openbaar maken en kunnen we dan zeggen: ja deze honderd boeken voldoen aan onze criteria en andere boeken niet of wel, maar dan in veel mindere mate. En als dat allemaal niet het geval is, hadden we dan niet net zo goed een lijst kunnen samenstellen met de honderd beste kermisexploitanten van de eeuw? Of was zo'n lijstje gewoon minder amusant geweest, omdat velen willen schrijven en slechts weinigen kermisexploitant willen worden? De volgende stelling lijkt mij zinnig: wetenschap is wetenschap als het erkend is als wetenschap.

Hieruit volgt niet automatisch dat de honderd beste boeken van de eeuw de honderd beste boeken van de eeuw zijn omdat ze als zodanig erkend zijn, maar ook dit lijkt me een zinnige stelling.

Toch vind ik het sympathiek als recensenten zo nu en dan aangeven welke criteria zij hanteren. De volgende zin komt uit een recensie van Ger Groot over de roman Volle maan van de Spanjaard Muñoz Molina: ,,Het afschrikwekkende zo uit te beelden dat we het accepteren als iets dat tot het leven behoort, is al sinds jaar en dag een van de belangrijkste opdrachten van de literatuur en waarschijnlijk van de meeste kunsten.'

Ik ben geneigd het met Ger Groot eens te zijn. Hoewel ik geloof dat we de literatuur beter geen opdrachten kunnen geven en haar het beste maar even alleen kunnen laten op een kleedje, zoals kinderen op de montessorischool soms alleen worden gelaten op een kleedje.

Nu Ger Groot en ik het met elkaar eens zijn, beginnen de problemen pas goed. Wat bedoelt hij met het afschrikwekkende? Bedoel ik hetzelfde? Aan een woordenboek heb ik in dit geval weinig tot niets. Hij had zich in een voetnoot kunnen verklaren: ,,onder het afschrikwekkende versta ik...', maar dat had zijn stuk weer ongeschikt gemaakt voor publicatie in deze krant, want kranten houden niet van voetnoten, ik trouwens ook niet, en het was vast niet bij één voetnoot gebleven. Behoort een man die de hele dag voor het raam zit tot het afschrikwekkende, of hebben we daar een wapenhandelaar voor nodig? Moet er bloed aan te pas komen? Het schijnt mij dat de afspraken over de waarde en betekenis van getallen veel nauwkeuriger zijn dan de afspraken over de waarde en betekenis van woorden.

Als we in getallen zouden spreken en schrijven, zou er waarschijnlijk geen literatuur zijn, niet omdat ik het voor onmogelijk houd dat een verhaal verteld wordt in getallen, maar omdat literatuur juist kan bestaan bij de gratie van die onnauwkeurigheid. Ook vermoed ik dat het veel moeilijker is ironie en sarcasme uit te drukken in getallen, want ook ironie en sarcasme kunnen bestaan dankzij de niet precies afgebakende betekenis van woorden.

Over vrijwel iedere zin, die uit woorden bestaat, kunnen zinnige en geleerde mensen van mening verschillen als het gaat om betekenis en interpretatie van die zin. Als wij het spoorboekje beschouwen als een lang gedicht, en waarom zouden we dat niet doen, ook lange gedichten worden wel eens per toeval geboren, dan zou ik de rest van mijn leven bezig kunnen zijn dat lange gedicht te verklaren, want ook het spoorboekje, hoewel het voor een aanzienlijk gedeelte uit getallen bestaat, is als gedicht niet eenduidig.

Ik weet niet zeker of een levenswerk dat bestaat uit het schrijven van een voetnoot bij een spoorboekje op grotere dwaasheid berust dan het schrijven van een roman, hoewel dat laatste financieel gezien waarschijnlijk wel aan te bevelen zal zijn.

Als een vrouw Reuzelpotje wordt genoemd, zoals in het gelijknamige verhaal van Guy de Maupassant (1850-1893), dan is dat een metafoor. Want niemand heet Reuzelpotje, een vrouw wordt vergeleken met een reuzelpotje, zoals Hemingway ooit heuvels met witte olifanten vergeleek, en op een gegeven moment is die vrouw zo vaak met een reuzelpotje vergeleken dat mensen haar maar Reuzelpotje zijn gaan noemen. Als De Maupassant was gaan uitleggen: ,,Onder een reuzelpotje versta ik...' hadden we geroepen: ,,nee niet doen', of zijn redacteur had dat geroepen en er een streep door gezet. Terwijl de kans aanzienlijk is dat ik andere fantasieën heb bij het woord reuzelpotje dan De Maupassant. De ene lezer voelt zich aangetrokken tot een vrouw die Reuzelpotje heet, een ander juist niet, een derde zegt: ,,alles best, maar ze moet wel mijn oma zijn.' Toch kunnen ze alledrie genoten hebben van het verhaal Reuzelpotje.

Wij drukken ons kennelijk ook in het dagelijks leven voor een aanzienlijk gedeelte uit in metaforen die wij niet nader toelichten, zodat de kans op misverstanden groot is. Al geef ik toe dat de ene metafoor verwarrender is dan de ander. De hoeveelheid mogelijke interpretaties van `reuzelpotje' zal aanzienlijk kleiner zijn dan de hoeveelheid interpretaties van `het afschrikwekkende' of `god'. Wie beweert dat hij het bedrag ƒ78,54 eigenlijk interpreteert als ƒ21,45 heeft minder legitieme argumenten tot zijn beschikking dan degene die zegt: ,,ook een familiereünie behoort tot het afschrikwekkende.'

Taal vereist een bepaalde mate aan geloof. Men moet geloven dat het zinnig is een dame met een reuzelpotje te vergelijken, en dat die vergelijking iets verheldert over de dame in kwestie. Om geraakt te worden door taal, gekwetst bijvoorbeeld of ontroerd, moet men niet alleen de bewuste taal beheersen, maar men moet ook geloven dat men de schrijver (of spreker) goed begrepen heeft.

Wie beledigd is omdat hij te horen krijgt dat zijn gebit op tuingereedschap lijkt (een metafoor van De Maupassant) moet niet alleen begrijpen wat met wat wordt vergeleken, maar hij moet ook tot de conclusie zijn gekomen dat het geen wenselijke eigenschap van tanden is om op tuingereedschap te lijken. En daar begint het schemergebied, want tanden zijn bedoeld om dingen fijn te malen en met bepaald tuingereedschap kun je dingen heel goed fijn malen, dus misschien bedoelde de spreker niets anders te zeggen dan: ,,wat heb je een stevig gebit'.

De springstof TNT vereist geen enkel geloof. Wie gekwetst wordt door die springstof en uit elkaar gescheurd, hoeft in niets te geloven, kan zelfs analfabeet zijn, blind en doofstom. Dit is een belangrijk verschil tussen taal en de springstof TNT, en een van de redenen waarom de effectiviteit van TNT makkelijker meetbaar is dan die van taal.

Ik mag hopen dat degene die om zes uur 's middags de Amsterdamse politie belt met de mededeling dat om middernacht het nationale monument met TNT zal worden opgeblazen, zich bedient van de juiste woorden, opdat ze hem geloven, opdat er geen misverstanden zullen ontstaan.

In het verleden heb ik beweerd dat literatuur eerst en vooral de lezer moet amuseren. Niet omdat ik vind dat de mensheid geamuseerd dient te worden, integendeel; niet omdat ik de literatuur wil verbieden het hogere na te streven, de wens om te amuseren lijkt mij tamelijk hoog; niet omdat ik vind dat de lezer niet tot denken moet worden aangezet. Dat mag best. Hoewel ik wel vind dat iemand die pas met denken begint als hij een roman openslaat, te laat begint. Verder beschouw ik het tot denken aanzetten van de lezer, wat deze metafoor ook precies mag betekenen, ook als een vorm van amusement. Een redelijke definitie van het vergaren van kennis lijkt mij zelfs `amusement voor snobs'.

Als er een legitimatie voor literatuur bestaat, dan is die gelegen in de verstrooiing die zij kan bieden en vaak ook biedt. Het afschrikwekkende zo uitbeelden dat we het accepteren is een mooi, en misschien zelfs ontroerend beroep, maar als schrijvers dat serieus als opdracht gaan nemen, moeten we ons hoeden. En zelfs als een schrijver oprecht meent dat dat zijn opdracht is, kan hij om hygiënische redenen er het beste voor altijd over zwijgen, als over een afschuwelijk familiegeheim. Natuurlijk kunnen wij TNT ook legitimeren met het argument dat mensen geamuseerd worden door beelden op televisie van mensen en gebouwen die uit elkaar worden gescheurd, maar literatuur heeft minder kwalijke bijwerkingen en taal biedt meer kans op variatie dan TNT.

Nu vraag ik uw aandacht voor een schrijver die geschreven heeft alsof taal een springstof is. Gezien zijn leven lijkt het me niet onwaarschijnlijk dat hij ook zo geleefd heeft, maar het gaat me niet om zijn leven.

Zijn naam is Guy de Maupassant en zijn korte verhalen en novelles en een gedeelte van zijn correspondentie verdienen het om gelezen te worden en besproken. De Maupassant beweerde voor het geld te schrijven en zijn vak te haten. Als schrijvers dergelijke uitlatingen doen, zegt dat vaak veel goeds over de kwaliteit van hun werk. In een brief aan Marie Bashkirtseff uit 1883 schrijft De Maupassant: ,,Het resterende derde deel (van mijn tijd, AG) besteed ik aan het schrijven van regels die ik zo duur mogelijk verkoop, het betreurend dat ik genoodzaakt ben dit vreselijke vak uit te oefenen.'

Maar in een opstel uit 1889 beweert De Maupassant over zijn vriend en leermeester Flaubert dat deze het juist niet deed voor de roem of voor het geld, maar uitsluitend vanwege zijn hartstocht voor de literatuur, en De Maupassant laat er geen twijfel over bestaan dat iedere serieuze schrijver het voorbeeld van Flaubert dient na te volgen. De ene hartstocht sluit de andere niet uit. Men kan van literatuur en van geld houden, van mevrouw X en mevrouw Y, van het leven en de dood, met evenveel hartstocht en op precies dezelfde dag. Veel van de verhalen van De Maupassant gaan over hartstochten die elkaar niet uitsluiten en de gevolgen daarvan.

In zijn stukken over Flaubert laat De Maupassant zich meeslepen door zijn bewondering en wordt hij hoogdravend, maar hij doet ook een paar behartigenswaardige uitspraken over de stijl van Flaubert, en ik vermoed dat die uitspraken stiekem ook over zijn eigen werk gaan.

Stijl is ook weer zo'n begrip als het afschrikwekkende. Het domein van de interpretaties is oneindig.

Volgens De Maupassant is stijl geen particuliere tic van de schrijver, men zou een schrijver niet eens moeten herkennen aan zijn stijl. Stijl staat volledig in dienst van de gedachte die de schrijver wil uitdrukken. En Flaubert beheerste dat als geen ander, aldus De Maupassant.

Dit begrijp ik zo: stijl beperkt de mogelijke interpretaties van een zin of een alinea, en zorgt ervoor dat de kans aanzienlijk is dat de lezer leest en begrijpt wat de schrijver wilde uitdrukken.

Een zeer ingewikkelde zin, met drie bijzinnen op curieuze plaatsen, zal dus niet behulpzaam zijn om een gedachte zo vorm te geven dat de lezer kan navoelen wat de schrijver ooit bedoelde.

Als taal de telefoonlijn is, dan is stijl de geheime frequentie die stoorzenders en ruis op een afstand houdt, zelfs in vijandelijk gebied, en er dus voor zorgt dat de schrijver zijn manipulaties gestand kan doen.

Laten we nu eens kijken wat De Maupassant zelf heeft geschreven. Ik begin met de eerste alinea van zijn eerste brief aan Marie Bashkirtseff.

De Maupassant heeft net een brief van Bashkirtseff gekregen waarin zij aankondigt dat zij de vertrouwde vriendin van zijn edele ziel wil worden.

Vanuit Cannes schrijft hij haar in 1880 terug:

,,Mevrouw, Mijn brief zal beslist niet de brief zijn waarop u wacht. Allereerst wil ik u bedanken voor uw goede bedoelingen ten opzichte van mij en voor uw vriendelijke complimenten. En nu gaan we eens praten, als verstandige mensen.'

De Maupassant doet hier iets geniaals. Hij begint ermee aan te kondigen dat zijn brief niet de brief is waarop B. wacht. Maar wat is het dan voor een brief? Waarom toch nog teruggeschreven? Alleen uit beleefdheid? En let op het woordje `beslist'.

,,Mijn brief zal niet de brief zijn waarop u wacht', is niet alleen ritmisch minder krachtig, maar doet ook vermoeden dat de schrijver aarzelt, misschien wel de brief zou willen schrijven waarop B. wacht, maar bang is dat niet te kunnen. De springstof zit in het woordje `beslist'.

In de tweede regel behandelt hij haar complimenten en haar bedoelingen, eigenlijk haar hele brief dus, en de springstof zit in `ten opzichte van mij'. Door die toevoeging `ten opzichte van mij', krijg je de indruk dat De Maupassant niets gelooft van haar goede bedoelingen.

In de derde regel zit de springstof in `als verstandige mensen'. Want die bijzin suggereert dat er voorheen geen verstandig woord is gevallen, niet in haar brief, noch in zijn beleefd bedankje. Met die drie woorden blaast hij niet alleen haar brief op, maar ook zijn eigen inleiding.

In een van zijn essays heeft De Maupassant beweerd dat het er niet om gaat om een elegante stijl na te streven. Daarmee bedoelt hij, vermoed ik, een stijl die niet in dienst staat van de gedachte die moet worden uitgedrukt, een stijl zonder springstof. De Maupassants stijl beschouw ik als uitermate elegant. Allereerst is het een goed teken dat iets dat meer dan honderd jaar geleden is geschreven, leest alsof het vandaag geschreven was. Verder bevatten zijn simpele zinnen, waarvoor de lezer ogenschijnlijk niet al te veel moeite hoeft te doen, een enorme hoeveelheid informatie.

Bovendien lijkt De Maupassant te begrijpen dat de geschreven taal per definitie een afgeleide is van de gesproken taal en hij verwijdert zich nooit te ver van die gesproken taal.

En hij weet zijn details te kiezen, hij heeft vaak niet meer dan twee, drie details nodig om een personage te kleuren en tot leven te roepen.

Deze zin komt uit het verhaal Marauca: ,,Haar man was rijksambtenaar. Ik heb nooit precies geweten wat voor functie hij had. Ik heb alleen geconstateerd dat hij het daar erg druk mee had, en meer vroeg ik niet.'

Lang heb ik gedacht dat ik van De Maupassants verhalen hield wegens zijn voorkeur voor het gruwelijke, of het afschrikwekkende zo u wilt.

Een blinde man wiens ouders sterven, die door zijn zus in huis wordt genomen, mishandeld wordt, en ten slotte een bevriezingsdood sterft.

Reuzelpotje die met een Pruisische officier naar bed moet om haar reisgezelschap doorgang te verlenen voorbij de Pruisische linies. En als zij zich opoffert, wordt zij door haar reisgezelschap behandeld als een schurftige hond.

Een getrouwde vrouw die hartstochtelijk de zonde zoekt in Parijs en tot de conclusie komt dat de zonde voornamelijk tegenvalt.

In een brief aan Marie Bashkirtseff geeft De Maupassant zelf een prachtige samenvatting van zijn universum: ,,In het leven is me alles vrijwel onverschillig, mannen, vrouwen, gebeurtenissen. Dat is mijn ware geloofsbelijdenis; en ik voeg eraan toe, wat u niet zult geloven, dat ik net zomin iets om mezelf geef als om de anderen. Alles kan worden verdeeld in verveling, grap en ellende.'

Verveling, grap en ellende, daaruit bestaat het universum van De Maupassant. En uit de hartstochten die voortvloeien uit verveling, grap en ellende. In een perfecte wereld sluiten sommige hartstochten elkaar uit, maar De Maupassant schildert geen perfecte wereld.

Hij schildert een onverschillige wereld, want zelfs onverschilligheid en hartstochtelijkheid sluiten elkaar niet uit.

Men zou voor het naar bed gaan een verhaal of brief van De Maupassant moeten lezen. En dat een jaar lang.

Nog één citaat uit zijn brieven aan Marie Bashkirtseff, om u op te warmen: ,,Bent u eigenlijk mager? Niet te, nietwaar? Ik zou mij ontroostbaar voelen als ik moest corresponderen met een magere briefschrijfster. Bij onbekende vrouwen ben ik achterdochtig omtrent alles.'

Van Guy de Maupassant verschenen bij uitgeverij Contact:

`Op een lenteavond' (alle verhalen 1879-1881), `Het varken Morin' (alle verhalen 1881-1882), `De jongedochter Morin' (alle verhalen 1882-1883).

Marie Bashkirtseff: `Waarom zou ik liegen' (met achterin haar correspondentie met Guy de Maupassant)

Voor zijn stukken over Flaubert en zijn briefwisseling met Flaubert heb ik me gebaseerd op de Duitse vertaling: `Gustave Flaubert, Der Briefwechsel mit Guy de Maupassant' (uitg. Haffmans)