Overvloed en welbehagen op de ruïnes

Aan het eind van de eeuw verkeren essentiële instituten, de universiteiten voorop, ernstig in verval. Daarentegen kent het Westen een ongekende en beangstigende welvaart, die tien jaar geleden voor onmogelijk werd gehouden. In zijn oudejaarsoverpeinzing meent H.J.A.Hofland dat deze ontwikkeling niet tot somberheid hoeft te stemmen.

Het is een jaar of vier, vijf geleden begonnen. De media van het Westen, allemaal, hadden een nieuwe aanleiding ontdekt om hun publiek de spiegel voor te houden. De files met Pasen en de drukte aan het begin van het seizoen: dat kenden we al. De publicitaire plichtplegingen bij de winterse feestdagen, vanzelfsprekend. Nu werd daaraan toegevoegd de berichtgeving over de voorbereidingen tot het geweldige schransen. Iedere december overtrof de vorige. Kerstboom in iedere kamer, recordslachting van kalkoenen, duurdere wijn, meer nog zwaarder vuurwerk, elektronica niet aan te slepen, overwerkt kassapersoneel, en dit jaar voor het eerst de Internet-warenhuizen, Amazon, Yahoo in Amerika, de voorlopers van de burchten die in de volgende eeuw het leven op aarde zullen beheersen. Nog nooit `in de geschiedenis van de beschaving' heeft een zo groot deel van de wereldbevolking zo diep in het vette der aarde gestaan. Het valt de gemiddelde westerling aan te zien. Was het mogelijk geweest dat hij zichzelf in 1990 had gezien in zijn gedaante van nu, dan had hij zich voor een lachspiegel gewaand, een spiegel die hem/haar vooral in de breedte had uitgebreid.

De economieën van het Westen groeien al jaren, de Amerikaanse steeds sneller, de Nederlandse op haar eigen manier voorbeeldig, en de Franse en Duitse worstelen zich uit de stagnatie. De Poolse heeft het geheim ontsluierd, de Russische moet er nog aan beginnen. Dit verschijnsel verklarend, verdelen de economen zich in twee scholen. Ik ga niet in op de specialistische vertogen omdat ik daar geen verstand van heb. Ik beperk me tot de conclusies die in hun aanspraak op algemene geldigheid zich niet tot de economie beperken, maar een algemene visie op de toekomst geven.

De eerste school, die van de Nieuwe Economie, acht de wereldwijde verspreiding van de computer en de groei van Internet van hetzelfde belang als de uitvinding van de stoommachine, de elektrificatie en de motorisering van de wereld. In deze periode brengen we de derde Industriële Revolutie tot stand. Internet, alle hardware in toenemende verfijning, alle software op ieders maat, in combinatie met de vrije markt, dit geheel is een kwalitatieve vooruitgang, een technisch/economische mutatie. De betekenis daarvan is dat op den duur de hele wereld – de planeet, in deze terminologie – tot een hoger niveau van welvaart zal worden verheven. De Nieuwe Economie is duurzaam, en hiermee hebben we het tijdvak van de permanente groei bereikt.

De theoretici van deze school gaan er impliciet van uit dat `de mens' daarmee onherroepelijk in een nieuwe fase is beland. Zoals `de mens' van voor de Industriële Revolutie een andere is dan de soort waartoe wij ons rekenen, zo zal de mens die in deze jaren onder de elektronische beschaving-in-wording ontstaat, een andere zijn. Op de technisch/economische volgt de sociale mutatie.

De tweede school deelt met de eerste het uitgangspunt. De snelle groei wordt veroorzaakt door revolutionaire technische vooruitgang. Misschien zullen daaruit nieuwe machtsverhoudingen voortvloeien, misschien zal op den duur het algemene niveau van welvaart stijgen. Maar op korte termijn betekent dit niet dat de mensen zich in economisch opzicht wezenlijk anders zullen gaan gedragen. Door hebzucht verblind, zullen ze altijd weer met volle vaart in dezelfde val rennen. John Kenneth Galbraith heeft het beschreven in zijn A Short History of Financial Euphoria. Van de Hollandse `Tulpomania' tot de dag van vandaag, telkens opnieuw, is optimisme veranderd in overmoed en die weer in de roekeloosheid van de speculatierazernij. En toen barstte de zeepbel, onvermijdelijk kwam de krach, in 1929 gevolgd door de Depressie. Hoe het de volgende keer zal gebeuren, of op de volgende krach een depressie zal volgen, weten we niet. Maar dàt er weer een krach komt, zegt deze school, staat als een paal boven water. Want de mensen zijn nu eenmaal hardleers. Telkens opnieuw zullen ze zich laten meeslepen door hun hebzucht. Dat is niet de klacht van een moralist, maar de constatering van een empiricus.

Niemand weet of het Westen eindelijk de weg naar Luilekkerland heeft gevonden, dan wel dat wij hier met collectieve blindheid geslagen, de volgende klassieke afgrond naderen. Maar we weten wel wat we de afgelopen eeuw achter ons hebben gelaten. Daarmee bedoel ik nu niet de hecatomben en de ruïnes van de grote oorlogen. In de loop van niet eens honderd jaar hebben we steeds radicaler afgerekend met de historische continuïteit. Iedere samenleving heeft een aantal instituten waarin haar wezen verankerd ligt. Dat zijn de nationale soevereiniteit, de staat, de kerken en de universiteiten, de rechterlijke macht, het parlement, de politieke partijen, de vakbeweging, huwelijk en gezin, nutsbedrijven, tenslotte de ongetelde verenigingen, van omroep tot voetbal en verzamelaars van alles en nog wat, waarin de burgers zich organisatorisch gehuisvest hebben. Al deze instellingen, de ene wat meer dan de andere, zijn in verval. Dat is oud nieuws. Het proces werd al zichtbaar toen de `culturele revolutie' van de jaren zestig nog moest beginnen. Het is in versneld tempo verder gegaan na het einde van de Koude Oorlog. De vrije markt heeft de volgende acceleratie veroorzaakt. Bij het begin van de nieuwe eeuw laten we een verschroeide aarde achter ons, een uitgestrektheid bezaaid met de ruïnes en bouwvallen van onze instituten, organisaties, publieke bedrijven, tot achter de horizon.

Dat komt uiteindelijk, zeggen sommige cultuurfilosofen, door de individualisering. Op dit gebied is een ongelukkiger term niet te vinden. Ten eerste wordt er geen verklaring mee gegeven. Het is alsof men zegt dat slecht weer veroorzaakt wordt door de regen. Ten tweede suggereert het een hoedanigheid die er niet is: de `geïndividualiseerde' mens als een zelfstandig denkend, zelfstandig kiezend wezen. In werkelijkheid is de uniformiteit misschien nog nooit zo groot geweest. Men laat zich vrijwillig disciplineren door mode, rage, hype, reclame, gedrag van beroemdheden, bedenksels van smaakmakers, politieke programma's geschreven door copywriters, desnoods de waan van de dag, de eeuwig stijgende koersen. Maar dat men zich vrijwillig aan dit alles onderwerpt, neemt niet weg dat cohorten iedere dag hetzelfde doen en daarmee hun individualiteit in de traditionele betekenis van het woord prijsgeven. Wat `individualisering' wordt genoemd, is in werkelijkheid een collectivisering, niet volgens een bepaald politiek programma of een filosofie, maar in laatste aanleg voorgeschreven door het dagelijks wisselend beeld van de vrije markt. Daarmee is voorlopig de afbraak van deze vorm van maatschappelijke continuïteit voltooid.

Natuurlijk wil dit niet zeggen dat daarmee de continuïteit uit het maatschappelijk verkeer is verdwenen. De verantwoordelijkheid is geleidelijk verschoven naar andere instellingen. De internationale politiek dringt al sinds de Tweede Wereldoorlog naar grotere eenheden. De NAVO is `het meest succesvolle bondgenootschap in de geschiedenis' en `het machtigste ter wereld'. Wat wil je meer. Brussel is het onstuitbaar groeiende centrum van organisatorische macht. De `internationale gemeenschap' is voorlopig nog een fictieve grootheid die voornamelijk te hulp wordt geroepen als een `humanitaire crisis' zo urgent dreigt te worden dat het Westen interventie overweegt en legitimering behoeft. In de internationale politiek groeien de grotere eenheden, die één eigenschap delen. Al groeiend ontwikkelen ze een bureaucratie waardoor ze in het perspectief van de burgerij zowel machtiger worden als ongrijpbaar. Bij de Europese verkiezingen komt dan ook niet meer dan een procent of twintig opdagen. De NAVO en de `internationale gemeenschap' hebben geen kiezers.

Terwijl de zorg voor de politieke en militaire continuïteit wordt overgedragen aan de internationale organisaties (die zich bij iedere gelegenheid zelfstandiger gaan gedragen – ook dit is een `les van Kosovo') verschuift de verantwoordelijkheid voor de economische continuïteit naar de internationale megacorporaties. De vrije markt dwingt tot een kettingreactie van fusies op ieder gebied: van computerfabricage en communicatie tot olie en entertainment. Het dagelijks nieuws over de bewegingen in de wereldeconomie is voor de burger die zich als speculant op de beurs vertoont, meeslepender dan de berichten die hij als stemgerechtigde over het doen en laten van zijn vertegenwoordigers in Straatsburg en zijn uitvoerende macht in Brussel leest. De overeenkomst tussen beide uitvoerende machten, die van de politieke en militaire gemeenschappen en die van corporaties, is dat beide ongrijpbaar zijn.

Aan het begin van zoiets onvoorstelbaars als een nieuwe eeuw, laat staan een millennium, veroorlooft men zich een poging tot het formuleren van een vooruitzicht. De twee economische scholen die ik hierboven noemde, geven een aanzet en laten de keus. Als het waar is dat met de tegenwoordige vrije markt gepaard aan alles wat nu aan elektronische en ruimtelijke communicatie beschikbaar is, het perpetuum mobile van de economische groei is uitgevonden, hebben de komende generaties maar één opdracht: de gebieden van de `planeet' die nog niet in de zegen meedelen, er zo vlug mogelijk bij te betrekken. Zoals in de Verlichting de leuze gold: `Het onverklaarbare is slechts datgene wat nog niet is verklaard', zo zou men nu moeten zeggen: `De armoede is niets anders dan de toestand waarin degenen zich bevinden die nog niet hebben geleerd, rijk te worden.' De Verlichting was een tijd van rationeel, intellectueel optimisme. Deze tijd zou dan, vertrouwend op de ingebouwde ratio van de markt, daaraan een onverwoestbaar economisch optimisme ontlenen. Welke mens uit deze eindeloze vergroting van welvaart tenslotte tevoorschijn zou komen, durven we niet te vermoeden.

Maar als de school der Nieuwe Economen haar vertrouwen van de ene week, desnoods maand, op de andere in een krach ten onder zou zien gaan – wat dan? Om ons daarvan bij benadering een voorstelling te kunnen maken, hebben we geen ander concreet voorbeeld dan dat van de jaren dertig. Zullen de managers en presidenten van de bureaucratie der internationale organisaties en de bestuurders van de megacorporaties zich in het begin gedragen als kapiteins van een onzinkbaar gewaande vloot Titanics? Ze moesten nog ontdekken dat het reddingsmateriaal niet deugde.

De Depressie heeft zich voltrokken onder andere omstandigheden. Toen had de westerse maatschappij, beroofd van haar economische zekerheden, optimisme, en tenslotte haar hoop, een reserve: de nog niet onherstelbaar beschadigde erfenis van de negentiende eeuw. De natie, de kerken, de volwassen geworden vakbeweging, een geworteld partijensysteem en tenslotte het gezin, de familie. Waar het politieke systeem was ingestort, werd met nationalistisch geïnspireerde energie, op voor een deel geleende grondslagen een nieuw systeem gebouwd: nazi-Duitsland. Zó krachtig waren de tradities en de instituten van de vooroorlogse maatschappij, zelfs na oorlog en crisis nog, dat in de eerste naoorlogse jaren daarop met succes een gedeeltelijke restauratie tot stand kon komen.

Hoe staat het nu met deze weerstand? Als de Nieuwe Economie gelijk heeft, zullen we het nooit weten. Maar wat kunnen we verwachten van een maatschappij die gereguleerd wordt door de vrije markt, met een `geïndividualiseerde' consumentenbeschaving, als plotseling op de markt niet meer gehandeld wordt, terwijl er niets te consumeren valt? Ons nieuwe mondiale systeem in wording is onbeproefd. Op de valreep van de eeuw maakt zich onwillekeurig een plechtige stemming van schrijver dezes meester. Dit systeem (is het een systeem?) is nu een jaar of tien. Zelden zal een tienjarige zich zo luidruchtig, onophoudelijk met zijn succes hebben gefeliciteerd. Mijn beste wensen.

H.J.A. Hofland is columnist van NRC Handelsblad.