Over de oorlog

DE OORLOG IS TERUG in Europa, zo bleek in het voorjaar toen de NAVO haar bommen wierp op rest-Joegoslavië. Dat dit geen incident, geen uitzondering was, werd naderhand duidelijk. De plannen om een Europees leger te formeren dat autonoom, snel en daadkrachtig moet kunnen optreden overal waar de vrede of de rechten van de mens in gevaar worden geacht, bevestigen de koers waarvoor is gekozen. De oorlog heet geen oorlog, maar vredesoperatie, het beleid heet veiligheidsbeleid, het Haagse ministerie behoudt de naam Defensie. Maar waar de bommen vielen en de raketten insloegen, had men toch sterk de indruk dat er oorlog werd gevoerd. Die indruk hadden overigens ook de vliegers die meer gevaar liepen dan de NAVO-propaganda voor waar wilde hebben.

De operatie van de NAVO in Joegoslavië was voor Europa de belangrijkste gebeurtenis in het laatste jaar van de twintigste eeuw, ook al is er in het welvarende deel van het continent geen auto minder om gekocht en geen vakantie overgeslagen. In die zin ging het om een randverschijnsel waarvan de verslaggeving in de media snel verveelde. Waar de Golfoorlog in 1991 dankzij de oplichtende en bewegende beelden van CNN uit het gebombardeerde Bagdad de kijker nog konden fascineren, daar zorgden de briefings uit Brussel slechts voor een spanningsloze herhalingsoefening. De vaart die de Europese regeringen vervolgens achter de uitvoering van hun militante plannen hebben gezet, is echter reden voor extra oplettendheid.

ER BEHOEFT GEEN misverstand over te bestaan dat als Europa ten strijde trekt het om een `rechtvaardige oorlog' gaat, een oorlog in naam van de rechten van de mens en de vrede. Aan de vooravond van de slag om Kosovo verklaarde de toenmalige secretaris-generaal van de NAVO, Solana, expliciet dat de aanvallen niet tegen het Servische volk zouden zijn gericht. Alleen, in de praktijk hebben de Serviërs dat anders ervaren – toen permanent het licht uitviel, ziekenhuizen en scholen stroomloos raakten, bruggen in duigen lagen en de angst niet meer te onderdrukken viel. Maar het ging Solana en zijn opdrachtgevers om de intentie – en die was goed.

Onzekerheid over de juistheid van de ingeslagen richting ontstaat doordat met het verwerven van de middelen het doel naar de achtergrond dreigt te worden geschoven. Het doel heet rechten van de mens en vrede, maar dat is te abstract om politiek mee te bedrijven, zoals de gebeurtenissen in Tsjetsjenië aantonen. Daar worden immers de rechten van de mens en de vrede op grote schaal geschonden, maar de Europese Unie noch de NAVO piekert erover om veel meer te doen dan een grote mond opzetten. Dat is verklaarbaar en zelfs verstandig, maar het nuanceert op zijn minst de alomvattendheid van de doelstelling.

VERWIJZING NAAR de Europese en Atlantische onmacht in Tsjetsjenië is hier niet bedoeld als een keuze voor de gemakkelijke uitweg: als we niet overal kunnen ingrijpen, kunnen we net zo goed nergens ingrijpen. Daarmee wordt de moraliteit op haar kop gezet en het verstand uitgeschakeld. Maar het vraagstuk is er: wanneer niet overal, waar dan wel en onder welke voorwaarden? Die vraag zou vanzelfsprekend dienen te zijn, maar zij is niet gesteld bij enkele goedbedoelde vredesmissies die in het honderd zijn gelopen – met de vreselijkste gevolgen voor de doelgroep.

Het secretariaat-generaal van de Verenigde Naties heeft onlangs twee vernietigende zelfkritieken gepubliceerd: een over de genocide in Rwanda (1994) en een over de massamoorden in Bosnië een jaar later. (Daarmee zijn de VN de halfslachtige pogingen in Nederland om helderheid te verkrijgen over het macabere lot van Srebrenica ruimschoots voorbijgestreefd.) Beide rapporten zijn moedig en leerzaam. Zij maken, misschien onbedoeld, vooral duidelijk dat er tussen de aanname dat ergens vrede moet worden gesticht en de reële mogelijkheid daartoe een nauwelijks te overbruggen kloof gaapt. Over Kosovo is een dergelijk rapport nog niet voorzien. Maar de geluksfactor die de NAVO aan haar overwinning hielp, zou er een plaats in moeten krijgen.

De Europese burgers moeten hun politici dwingen tot helderheid over de mogelijkheden en onmogelijkheden van een Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheids Beleid. Nu krijgt het inlopen van Europa's militaire achterstand nadruk. Maar dat is niet genoeg. De leidende politici in de lidstaten van de Unie en in de Unie zelf moeten elkaar, de burgers en zichzelf kunnen uitleggen wanneer, waarom en onder welke voorwaarden Europa ten oorlog trekt. Het afgelopen jaar is het omgekeerde gebeurd. Eerst kwam de oorlog en al doende werd het beleid erbij bedacht. Mogelijk staat er in het komende decennium een flexibele Europese militaire machine klaar. Maar voor welke oorlog? Dat is de dringendste vraag voor 2000.