Op weg naar een plaats zonder tijd

Tonke Dragt ziet kans haar lezers terecht te laten komen in een spiegelwereld of op een plaats waar de tijd niet bestaat. Haar boeken stichten verwarring, met raadsels en ridders.

,,Weet jij Het Woord? Of slaap je al?'' fluisterde mijn tweelingzus in het holst van de nacht. We waren elf. Ik schrok op uit mijn sluimer en zei ja, maar ik wist het niet. Met Het Woord kun je naar een andere wereld reizen, de wereld van Tonke Dragt. Een van de werelden van Tonke Dragt. Het Woord is te vinden in De Torens van Februari (1973). Het staat te lezen tussen de regels, want Het Woord mag je niet opschrijven. Je kunt het alleen weten. ,,Zeg het dan, wat is het dan,'' zei mijn zus. En ik dacht: straks verzin ik iets, en dan klopt het, en dan beland ik daar. In een spiegelbeeldwereld, zonder tweelingzus, zonder geheugen, zonder konijn. Tonke Dragt leerde mij hoe je iets kunt hopen en vrezen tegelijk.

Het is nu achttien jaar later en ik heb De Torens van Februari tenminste vier keer herlezen. Ik ben niet de enige die het boek steeds opnieuw oppakt. Om de vier jaar, als het schrikkelt, krijgt Dragt brieven. Van kinderen en volwassenen die vragen om Het Woord, of die menen hoofdpersoon Tom Wit te hebben gezien. Ergens op het strand, met zijn rechterschoen aan zijn linkervoet en andersom, brabbelend, zijn geheugen kwijt. Alleen op de laatste dag van februari in een schrikkeljaar werkt Het Woord, waarmee Tom reist naar een andere wereld. Mensen en dieren leven er als hier, maar het is er mooier, schoner, stiller. Utopia is het niet, want haat en vrees bestaan daar ook.

Tonke Dragt is verwant aan schrijvers als Tolkien, Borges en C.S. Lewis. Zij schreef boeken die zich afspelen in een zelfbedacht, middeleeuws aandoend verleden; boeken over de toekomst, als het gehele aardoppervlak één grote stad is en de mens uitwijkt naar andere planeten, en boeken over werelden waar geen tijd bestaat. `Fantastiek' noemt Dragt haar genre, het Vlaamse woord voor phantasy. Het genre is zo zeldzaam in de Nederlandse literatuur dat er geen woord voor bestaat.

Dragt boeit mensen van alle leeftijden en van alle tijden omdat ze uitgaat van universele wens- en angstdromen. Haar laatste boek, Aan de andere kant van de deur (1996), begint op de drempel van een gewone (kinder-)slaapkamer. Het licht dat onder de deur doorsijpelt, maakt de drempel tot een raadselachtige plaats. Zolang de deur dicht blijft, is onbekend of hij toegang verleent tot de vertrouwde overloop. Met smart wachten velen sinds 1996 op het vervolg De weg naar de cel, dat achterin Aan de andere kant van de deur wordt aangekondigd. Samen zullen de boeken de cyclus Zeeën van tijd gaan vormen. Een echt vervolg kan De weg naar de cel niet zijn. Aan de andere kant van de deur bevindt zich namelijk de Januaraanse Ambassade, waar de klokken geen wijzers hebben. Er bestaat geen tijd. De weg naar de cel zal parallel lopen aan Dragts vorige boek, vertelt de schrijfster die ik opzocht in haar huis in Den Haag, maar het heeft een van de bijfiguren als hoofdpersoon. Het verschijnt waarschijnlijk komend najaar. Het stond al eerder aangekondigd, maar ook de verschijningsdatum van het boek lijkt zich aan onze tijdsindeling te onttrekken.

Schizofrenie

De Torens van Februari is, zoals Dragt met welbehagen zegt, ,,een pesterig boek.'' Ze houdt graag vol dat ze het dagboek van Tom Wit heeft gevonden en geredigeerd. Ze weet niet meer dan er staat. Volgens Het ABC van de jeugdliteratuur (red. Joke Linders) gaat het boek over schizofrenie. `De andere wereld bestaat immers alleen in zijn hoofd'; maar je doet jezelf tekort als je dat gelooft. Het mooie, en het pesterige, van het boek is juist dat je er niet achter kunt komen wat er precies met Tom aan de hand is en waar hij uithangt.

Alle boeken van Tonke Dragt zijn in meer of mindere mate pesterig, want de schrijfster heeft een voorkeur voor raadsels en mystificaties. Met stukken uit kranten, gescheurde brieven, fragmenten uit poëzie (bijvoorbeeld van Paul van Ostaijen en Christian Morgenstern) en kinderliedjes versterkt ze de geheimzinnigheid. Ze frustreert de lezer welbewust in zijn verwachtingen. Dragt lezen is spoorzoeken zonder precies te weten waar je naar zoekt.

Sinds haar debuut in 1961, De Tweelingbroers, is Tonke Dragt gefascineerd door spiegelbeelden. ,,Ieder mens bestaat uit meer mensen, zoals hij zichzelf ziet, zoals anderen hem zien en zoals hij werkelijk is,'' is haar adagium. Van de meeste van haar figuren lopen alter ego's rond. Spiegels vormen een ingang tot een andere wereld, net als deuren, trappen, tijdmachines en toverformules. In De Tweelingbroers lééft het spiegelbeeld. De identieke Laurenzo en Jiacomo gaan hun eigen en elkaars weg. Elk hoofdstuk is een op zichzelf staand verhaal, in de traditie van Grimm en Andersen en 1001 nacht. Heerlijke verhalen zijn het, vol raadselachtige ridders, ongenaakbare jonkvrouwen, zilveren bekers, meesterdieven. En de onvermijdelijke persoonsverwisselingen natuurlijk.

De tweelingbroers wonen in Bainoe, aan de rand van de wijde, open vlakte van Babina. Die vlakte ontstond in een Jappenkamp. Tonke Dragt werd in 1930 geboren in Batavia. Op haar twaalfde belandde ze met haar moeder en twee jongere zussen in kamp Tjideng. Samen met een vriendinnetje maakte ze er `De jacht op de Touwkleurige', een op Jules Verne geïnspireerd boevenverhaal. Ze schreven en tekenden op elk vodje papier dat ze maar konden vinden. Behalve wijde verten kwamen er veel uitgebreide maaltijden in voor. De maaltijden zijn intussen uit haar werk verdwenen, de verten zijn gebleven. Haar leven lang schreef Dragt over onafzienbare ruimten. Grensoverschrijdend en niet aan banden te leggen is ook vaak de communicatie in haar boeken. Mensen (en `Afroini', de groen glanzende bewoners van Venus) praten er via hun gedachten, of schrijven elkaar in spiegel- of een ander geheimschrift.

Heimwee

Dragt komt uit een letterlievende familie. Er was een familiekrant en een familiebibliotheek, opgezet door haar zus. Je mocht alleen lid worden als je zelf een boekje schreef. Een van Tonkes bijdragen, `In Bainoe staat een kruis, een droef drama', is te bewonderen in het Letterkundig Museum in Den Haag. In 1946 verliet de familie Indonesië, om er in `48 tijdens de politionele acties nog even terug te keren. Haar leven lang hield ze heimwee. Het verlangen naar Indonesië klinkt in haar boeken door, zonder dat ze expliciet over het eilandenrijk gaan. In het toekomstverhaal Torenhoog en Mijlenbreed (1969) schrijft ze bijna lyrisch over de tropisch aandoende wouden op Venus. Vol van kleur zijn ze, van magisch licht, van grillig gevormde groeisels tot in de hemel.

De met telepathie begiftigde Afroini van Venus, die in de wouden wonen, leven in ongekende vrijheid. In hun wereld bestaat geen leugen en bedrog, zij doen zich niet anders voor dan ze zijn. Dat kunnen zij niet. Ze lezen elkaars gedachten, maar ook die van dieren en mensen. Dragt laat er geen twijfel over bestaan dat dat hen intelligenter maakt dan mensen. De meeste mensen zijn bang voor de Afroini, maar die misbruiken hun macht niet. Een van de weinige andere personages van Tonke Dragt die precies is wie hij schijnt, is `De Dwaas van de Boshut', Marius, uit de ridderverhalen De brief voor de koning (1962) en De geheimen van het wilde woud (1965). Hij is Dragts variant op de nobele wilde. Marius wordt algemeen beschouwd als achterlijk. Wie niet de moeite neemt naar hem te luisteren, denkt dat hij wauwelt. Maar in zijn gewauwel schuilt de waarheid. Marius spreekt de taal van de natuur en leeft, net als de Afroini, in volstrekte harmonie met zijn omgeving. Dragt heeft de afwijkende figuren uit haar boeken, die niet zijn zoals andere mensen, lief. Ze beschrijft de Dwaas teder. Wee wordt ze niet, eerder zingt ze de lof der onaangepastheid.

Tonke Dragt heeft een voorliefde voor trappen. Het Trappenhuis uit haar detectiveroman De zevensprong (1966), `vol torens en torentjes, met hoekige uitsteeksels en bultige aanbouwsels, met scheve schoorstenen en vreemde staketsels op de daken', diep in het bos gelegen, is een en al trap. Trappen naar geheime deuren, trappen die mysterieën onder hun treden verbergen, slingerende trappen die nergens op uitkomen, wenteltrappen, trappen waarin vele voeten een spoor hebben gesleten, ladders. ,,In Indonesië was een verdiepingshuis iets heel bijzonders,'' zegt de schrijfster nu. ,,In verdiepingshuizen woonden interessante mensen. Echt hoor, dat verzin ik niet.'' Vakanties bracht haar familie door in zo'n zeldzaam huis met trappen, op een berg grenzend aan het bos. Een donker, duister huis was het, met runetekens op de muren, waar twee witte stenen honden over waakten. Jaren later groeide dit huis in Dragt's verbeelding uit tot het Trappenhuis en ook tot de Januaraanse Ambassade uit Aan de andere kant van de deur.

Huisrobot

Tegenwoordig woont Tonke Dragt in de bloemenbuurt in Den Haag. In een keurige straat, met nette voortuinen en lage huizen, heeft ze twee appartementen, gescheiden door een overzichtelijk, breed trappenhuis. Ze heeft geen partner en geen kinderen. Dragt leeft in en met haar boeken. Op haar antwoordapparaat meldt zich Xantippe, haar huisrobot en een van de figuren uit haar laatste boek. Eenmaal over de drempel van haar woonkamer betreed je een zorgvuldig vormgegeven, warme chaos. Overal tijgers. Toen Dragt in 1982 werkte aan Ogen van tijgers, het vervolg op Torenhoog en Mijlenbreed, kreeg ze van iedereen pluchen tijgers cadeau, zelfs van de slijter. In een wanordelijke kudde leven zij rond de open haard. De open haard is een waterval. Zorgvuldig schikte Dragt foto's van waterstromen tot een collage die je haast kunt horen klateren. ,,Dit is mijn kitschhoekje'', zegt ze tevreden. Dat Dragts fantasie altijd op volle toeren draait, blijkt als ze thee gaat zetten. Ze spreekt over Earl Grey en Lady Grey als bestaande personen.

In de gang en op de wc hangen haar collages, de illustraties uit haar boeken. Poezen- en tijgerogen kijken je aan, bolletjes springen in het rond tegen gevels van flatgebouwen. ,,Niemand ziet het, maar dit is Venus'', zegt Dragt, wijzend op zo'n bolletje. ,,Ik maak graag geheime grapjes voor mijzelf.'' Dragt is opgeleid tot illustratrice aan de Rijksacademie in Den Haag. Daarna werd ze tekenlerares. Ze hield haar leerlingen stil met verhalen over de tweelingbroers. Zo ontdekte ze dat ze vooral `verteller' is, in woord en beeld. Als je lang naar haar collages kijkt, krijg je het gevoel dat je in de afbeelding wordt gezogen. De voorstellingen die zij uit foto's en snippers creëert lijken driedimensionaal.

Toen Tonke Dragt rond 1960 haar vertellingen begon op te schrijven, liet zij zich vooral inspireren door sprookjes, sagen en legenden. Haar eerste boeken, vooral de ridderverhalen, zijn echte queesten. De hoofdpersoon Tiuri wordt via allerlei beproevingen en omwegen van kind een volwassene. Ook het toekomstverhaal Torenhoog en Mijlenbreed laat zich op die manier lezen. Planeetonderzoeker Edu Janssen waagt zich als enige over de grens tussen de menselijke nederzetting op Venus en het woud, dat een ieder vreest, en komt er gelouterd uit tevoorschijn.

Torenhoog en Mijlenbreed noemt Dragt `een tussenboek'. De boeken die erop volgden, hebben in mindere mate het karakter van een queeste. Zij laat zich sedertdien inspireren door science fiction auteurs als Ray Bradbury, maar vooral door natuurkundigen. In de Januaraanse Ambassade uit Aan de andere kant van de deur wonen ondermeer Albert Einstein en Schrödinger's kat. Erwin Schrödinger, een Oostenrijks natuurkundige, bedacht een gedachtenexperiment waarin een kat in een doos wordt opgesloten, tezamen met een mechaniek van een hamertje en een flesje vergif. Zolang de doos gesloten blijft, stelde hij, is niet met zekerheid te zeggen of de kat leeft of dood is. In Dragts ambassade laat de kat zich af en toe zien, maar lost dan plotseling op in het luchtledige, als de kat uit Alice in Wonderland. Schrödinger's kat doet Dragt denken aan poes Witje uit haar jeugd, die tijdens de oorlog verdween. Nooit heeft ze geweten of hij nog bestond, het woud in was gevlucht, of was opgegeten door de Japanners.

In Dragts laatste boek bereikt ze de meest ongebonden, utopische staat, in een wereld zonder tijd, in een huis zonder vastomschreven ruimte, dat organisch groeit. Het doel van het reizen naar de andere kant van de deur is niet het vinden van een uitweg, geen terugkeer, geen loutering, maar de ambassade zelf. De uitkomst van het verhaal ligt niet vast. Je kunt niets doormaken als er geen tijd is. In de ambassade groei je niet op, word je niet oud, je hoeft er alleen te zijn. Als je er permanent asiel aanvraagt, of je naam vergeet, verlies je je spiegelbeeld. De jonge hoofdpersoon Otto jaagt dat schrik aan, maar Tonke Dragt zelf ervaart de onafzienbare ruimte zonder tijd eerder als geruststellend. Otto is in de gewone wereld een buitenbeentje, dat geplaagd wordt. In de ambassade voelt hij zich thuis, hij maakt er vrienden, hij is er vrij, maar hij wil zijn ouders niet missen. Hij durft zijn wereld (nog?) niet op te geven, maar overweegt het wel.

In Dragts atelier staat een groot, overvol poppenhuis. Het dient als maquette voor de Januaraanse Ambassade uit De andere kant van de deur, maar ook figuren uit eerdere boeken blijken er te wonen. Op zolder zit de Blauwe Boekanier (1964, kinderboekenweekgeschenk). In het poppenhuis zijn belangrijke vertrekken uit de ambassade aanwezig, zoals het Vertrek van het Midden en de bibliotheek. Alleen een beeld van Janus, dat in het boek prominent in de bibliotheek staat, ontbreekt nog.

Janus is de Romeinse God van de drempel, van openbare doorgangen en poorten, van alle begin. Hij heeft twee gezichten, het ene kijkt naar het verleden, het andere naar de toekomst. Janus is ook de god van Tonke Dragt. Zij verkent in haar oeuvre wat Janus ziet. Ze houdt zich op tussen werelden, tussen tijdperken, tussen leeftijden en literaturen. Haar boeken gaan een leven lang mee.

De boeken van Tonke Dragt worden uitgegeven door Leopold. Ogen van tijgers is momenteel in herdruk.

Dragt lezen is spoorzoeken zonder precies te weten waar je naar zoekt

Wee wordt Tonke Dragt nooit, eerder zingt ze de lof der onaangepastheid