Ontwaken in de vorige eeuw

In 1903 patrouilleerde de eerste internationale politiemacht op de Balkan, aan het eind van de eeuw keerden ze terug. Een monumentale nieuwe studie maakt duidelijk dat Europese grootmachten juist met hun pogingen orde op te leggen, de spiraal van etnisch geweld hebben aangejaagd die deze regio aan het verleden gekluisterd houdt.

Wie in Europa van West naar Oost reist, zal merken dat de twintigste eeuw steeds langer duurt. De gevolgen van de `Europese burgeroorlog' (1914-1945), zijn namelijk zeer ongelijk verdeeld. Van de wederopbouw, die in West-Europa allang is voltooid en in Midden-Europa nu volop gaande is, kunnen ze in Rusland en Servië hooguit dromen. De diepe onzekerheid daar, of beter: de angst voor burgeroorlog, maakt dat de burgers in deze landen weten dat ze morgen in de vorige eeuw zullen ontwaken.

Zo bezien is Europa geen geheel, maar valt het uiteen in verschillende tijdzones. Vaak wordt deze uiteenlopende ervaring geïnterpreteerd als het verschil tussen `voorlijk' en `achterlijk'. De Balkan-volkeren zouden gevangen zijn in een overwegend traditionele cultuur, terwijl het welvarende Westen zich reeds koestert in een postmoderne tijd. De codewoorden zijn `bloedwraak' en `globalisering'. Zoals elke beschaving barbaren aan de poort nodig heeft, om zichzelf te definiëren, zo heeft Europa zijn eigen rafelrand.

Een cruciaal motief voor de vorming van de Europese Unie de afgelopen jaren valt met deze zienswijze samen: integratie is alleerst een poging de interne vrede te handhaven en het gebied af te grenzen tegen oorlogen en conflicten buiten de grenzen. Gemeten aan die doelstelling zijn de recente diplomatieke twisten in de Europese Unie over de Joegoslavische oorlog niet zomaar af te doen als een moreel dieptepunt, zoals wel is gebeurd. Ondanks een traditie van rivaliteit op de Balkan heeft de Joegoslavische oorlog de Europese Unie slechts in beperkte mate verlamd.

Maar afgrenzing betekent óók het scheppen van afstand. Rebecca West kon in Black Lamb and Grey Falcon (1941) nog over de Balkan schrijven als de `vestingwal' van Europa, maar zo kijken we nu niet meer naar de regio. Wanneer West in 1934 op de radio het bericht hoort dat de koning van Joegoslavië in Marseille is vermoord, gaan bij haar onmiddellijk alle alarmbellen af: is dit de voorbode van een nieuwe oorlog in Europa? De lotsverbondenheid van West-Europa en de Balkan was toen nog zo pertinent, dat ze veel gebeurtenissen daar kon interpreteren als voorspel van de wereldoorlogen.

Die samenhang bestaat nu niet meer. Althans: ons deel van de wereld leeft in de illusie van onkwetsbaarheid. De betekenis van deze landen, zoals omschreven door de Albanse schrijver Ismail Kadare in Drie rouwzangen voor Kosovo, zal nog maar voor weinigen zeggingskracht hebben: `De gebieden die op het eerste gezicht niet meer waren dan de buitenste verdedigingslinie van Europa, vormden in werkelijkheid de rijk gevulde voorraadkamers van dit werelddeel. Die mochten onder geen beding worden vergeten of opgegeven'. De bemoeienis met het uiteenvallen van Joegoslavië was dan ook halfhartig, en is dat tot op de dag van vandaag gebleven.

De Britse historicus en journalist Misha Glenny maakt in zijn monumentale, zij het ietwat droge overzichtswerk The Balkans 1804 - 1999 goed duidelijk dat er geen regio in Europa is waar de grootmachten zich zó mee hebben bemoeid als de Balkan. Het gebied omvat de strategisch gelegen groep landen waar het Ottomaanse, Habsburgse, Britse en Russische imperium om voorrang streden. `Er zijn weinig gebieden in de wereld waar de geografie de geschiedenis zo diepgaand heeft beïnvloed als het Balkan-schiereiland', aldus Glenny.

De naam `Balkan', bedacht door de Turken, zou later met begrippen als `balkanisering' of `Balkan-mentaliteit' een treurige faam verwerven. Kadare beschrijft deze naamgeving in zijn `rouwangen' nogal plastisch als een voorloper van de Turkse overheersing: `En met die nieuwe naam, die het als een vervloeking moest meetorsen zoals een schilpad zijn schild, zou het schiereiland zich voortaan traag en moeizaam door de geschiedenis voortslepen'.

Hoezeer Glenny de betrokkenheid van de grote mogendheden wil benadrukken, dat betekent zeker niet dat hij de lokale elites vrijpleit in de dramatische en gewelddadige conflicten. Vooral de systematische verwaarlozing van de boeren acht hij typerend voor de Balkan-samenlevingen. De haat van de bewoners van het platteland ten opzichte van de stad is één van de voornaamsteoorzaken die hij noemt voor de recente oorlog in Joegoslavië. De Balkan bestaat uit `agrarische samenlevingen die slecht toegerust waren om het gedachtengoed van de Verlichting op te nemen en die zich bevonden op het snijpunt van concurrerende absolutistische rijken'.

Glenny ziet de buitensporige gewelddadigheid op de Balkan vooral als de erfenis van de Ottomaanse en Habsburgse imperia, die een zeer complexe etnische lappendeken nalieten, met name in de grensgebieden. Neem de duizelingwekkende problematiek van Macedonië, een knooppunt van economische en militaire bewegingen: `Op verschillende momenten stonden in de strijd rond Macedonië Slaven tegenover Slaven; Slaven tegenover Hellenen; Slaven tegenover Moslims; Hellenen tegenover Moslims en Moslims tegenover Moslims'.

De tragiek van de Balkan, constateert Glenny, ligt erin dat de nationale bevrijdingsbewegingen alleen maar konden slagen als ze een grootmacht aan hun zijde wisten te krijgen. Het resultaat waren zwakke, onzekere staten. Tot de vorming van de Griekse staat in 1830 wordt bijvoorbeeld besloten in overleg tussen Frankrijk, Rusland en Groot-Brittannië, die allen één van de strijdende fracties in Griekenland steunden. De Grieken zelf namen aan de conferentie in Londen niet deel: `Dit was een ontmoedigend precedent voor de andere nationaliteiten op de Balkan'.

De Grieks-Turkse oorlog van 1919-1923 mag als een van de meest dramatische symbolen gelden van deze vermenging van lokale ambities en machtspolitiek door de grote mogendheden. Om het Italiaanse expansionisme in het verslagen Turkije voor te zijn, nodigt de Britse premier Lloyd George, met steun van de Amerikaanse president Wilson, Griekenland uit om Smyrna en omgeving te bezetten. Deze stad met een overwegend Griekse bevolking ligt in klein-Azië. De Griekse premier Venizelos hapt toe.

Het blijkt een fatale misrekening. Na een aanvankelijk voorspoedige campagne, waarbij de Griekse troepen zich massaal vergrijpen aan de moslim-burgers van Smyrna, loopt het offensief in het uitgestrekte binnenland vast. Op Britse steun hoeft hij niet te rekenen en zo keren de kansen ten gunste van de Turkse militairen onder leiding van Mustafa Kemal, de latere president Atatürk. Er volgt een massale wraak op de Griekse burgers van Smyrna: een waar inferno breekt los in de brandende stad, waar duizenden de zee worden ingedreven.

Uiteindelijk wordt op voorstel van Lord Curzon, de Britse minister van Buitenlandse Zaken, in 1923 besloten tot een massale bevolkingsruil waarbij twee miljoen burgers onder dwang worden gedeporteerd: Griekse families moeten hals over kop vertrekken, terwijl honderdduizenden Griekse Turken op boten naar Turkije worden geperst. Dit precedent zou na de Tweede Wereldoorlog in Midden-Europa worden nagevolgd en is de laatste jaren stilzwijgend aanvaard bij de oplossing van de crises rond Bosnië en Kosovo.

De eveneens Britse historicus-journalist Timothy Garton Ash stelt in zijn nu vertaalde bundel Geschiedenis van het heden nuchter vast: `Hoe groter de etnische mengeling in een postcommunistisch land, des te waarschijnlijker is het dat zo'n land kiest voor een nationalistische, autoritaire weg. (...) De landen die het er het best hebben afgebracht zijn etnisch het meest homogeen'. Polen en Tsjechoslowakije zijn uitgerekend de voorbeelden van landen waar massale deportaties na de oorlog hebben plaatsgevonden. De pijnlijke waarheid is dat het fait accompli van etnische zuivering vaak op langere termijn een bron van spanningen wegneemt.

De conferenties van Berlijn (1878), Versailles (1918-1920) en Jalta (1945) vormen de hoogtepunten van de vaak willekeurige bemoeienis van het Westen met de Balkan. Onder leiding van Bismarck neemt het congres van Berlijn tal van verreikende beslissingen: zo wordt besloten de zeggenschap over Bosnië aan het Habsburgse Rijk te geven, een keuze die later de directe aanleiding zou worden van de Eerste Wereldoorlog. Glenny concludeert: `De Balkanlanden waren niet het kruitvat (...). Ze waren meer het kruitspoor dat door de grote mogendheden zelf was gelegd. Het kruitvat was Europa'.

Na de grote oorlog van 1914-1918 ging het niet veel beter. In weerwil van de optimistische aankondigingen van de Amerikaanse president Wilson, die het beginsel van de zelfbeschikking introduceert, zoals Fromkin mooi beschrijft in Kosovo Crossing.De doos van Pandora was geopend: elke afscheidingsbeweging die uit naam sprak van een etnische groep, kon nu volledig gelegitimeerd streven naar een eigen staat. Wilson kwam er snel achter dat hij mee had geholpen een kracht in het leven te roepen die nauwelijks te beheersen was. Zo raakte de idealistische president evenzeer als de `ijzeren kanselier' verstrikt in machtspolitiek op de Balkan.

Na de Tweede Wereldoorlog werd op dit patroon voortgeborduurd, met een nieuwe verdeling van invloedssferen. De ruil tussen Churchill en Stalin is berucht geworden: zo kwam Roemenië, waar het communisme een splinterbeweging was, in het Oostblok terecht, terwijl Griekenland, waar het communisme op grote steun kon rekenen, na een bloedige burgeroorlog bij het Westerse kamp kon worden ingelijfd.

Natuurlijk, de nadruk op de rol van de grote mogendheden heeft beperkingen. Toch is Glenny's invalshoek zeer vruchtbaar, zeker nu in onze tijd opnieuw een poging tot ordening van buitenaf wordt ondernomen. Dat Kosovo reeds lang inzet is van conflicten is inmiddels wel bekend. De slag op het Merelveld van 28 juni 1389, waarbij de Serviërs door de Turken werden verslagen is een cliché waarover nogal lacherig wordt gedaan. Zover in de geschiedenis afdalen, ja wat wil men dan nog zeggen over de nabije toekomst?

De Albanese schrijver Ismail Kadare beschrijft de veldslag in Drie rouwzangen voor Kosovo op een geromantiseerde manier en maakt zo begrijpelijk waarom de herinnering niet anders dan hardnekkig kán zijn in deze contreien. Dat de Turkse overheersing de overwinning van de barbarij betekende, lijkt voor Kadare een vanzelfsprekendheid: `Barbaren hadden de vestingswal van Europa geslecht'. Zijn `rouwzangen' willen vooral het verhaal vertellen van de verdeeldheid tussen Serviërs en Albanezen, die slechts tijdens de veldslag opzij werd gezet. Hun verslaving aan etnische strijd was echter zo groot, dat de rapsoden zelfs oog in oog met de Turkse vijand nog hun oude liederen zongen over de haat tussen beide volken, die allebei aanspraak maken op Kosovo.

Op diezelfde aarde zouden honderden jaren later opnieuw vreemde troepen marcheren. Maar nu om een einde te maken aan de traditionele machtspolitiek en een nieuw tijdperk in te luiden. Althans dat is de gangbare rechtvaardiging. De Westerse oorlog in en rond Kosovo verschijnt na lezing van het relaas van Glenny echter als één episode in een lange reeks van gewelddadige interventies, die zonder uitzondering tot méér geweld hebben geleid.

Ook de Hongaarse schrijver György Konrád heeft zo zijn twijfels. Zijn scherpe kanttekeningen bij de oorlogsvoering, gebundeld in De oorlog in Joegoslavië (en wat erna kan komen), worden gekenmerkt door een betrokkenheid die vooral zichtbaar maakt dat Hongarije en Servië buurlanden zijn: `Een Hongaar zou zelfs in zijn ergste dromen niet hebben verzonnen dat hij ter verdediging van de Kosovaarse Albanezen de bruggen van Novi Sad zou bombarderen.' En toch verkeerde Hongarije, door het zes weken oude NAVO-lidmaatschap, ineens op voet van oorlog met Servië.

De luchtbombardementen waren volgens Konrád gebaseerd op het uitgangspunt van collectieve schuld van de Serviërs, want bommen maken nu eenmaal geen verschil: `Wie beweert aan het einde van de twintigste eeuw dat collectieve straf rechtmatig is? En wat is bombarderen anders dan collectieve straf?'.

Het gebruik van geweld heeft altijd onbedoelde gevolgen: `De interventie heeft het ressentiment, de wraakzucht en de barbaarsheid doen toenemen'. De verdrijving van de Albanezen was daar de meest concrete uitdrukking van. Sommigen zullen zeggen dat de Serviërs al van plan waren de Albanezen te verdrijven. Maar ook dan kan men tegenwerpen dat het gebruik van geweld deze escalatie niet heeft voorkomen, maar eerder bespoedigd. Konráds conclusie luidt dat geweld alleen gerechtvaardigd is bij wijze van zelfverdediging, want `een bom als middel is bedoeld voor een oorlog tussen staten en niet voor het redden van mensen'.

Garton Ash daarentegen verdedigt de interventie met verve. Bij hem speelt de les van München 1938 een hoofdrol: `Milosevic is geen Hitler, maar het basispatroon van sussen en kalmeren is vergelijkbaar: hoe langer je wacht des te hoger is de prijs'. De gebeurtenissen in Kosovo zijn geen `holocaust': `Maar het is samen met Bosnië, de vreselijkste gebeurtenis die zich in de afgelopen vijftig jaar in Europa heeft afgespeeld'. En om de parallel te voltooien: `Zoals onschuldige Duitsers na 1945 de prijs voor Hitlers misdrijven hebben moeten betalen, zo zullen onschuldige Serviërs de prijs voor de misdrijven van Milosevic betalen'.

Hoezeer men ook over het gebruik van geweld tegen Servië kan twisten, Garton Ash raakt een gevoelig punt met zijn stelling dat de Europese Unie `Maastricht' ten onrechte de voorrang heeft gegeven boven `Sarajevo'. Een criticus wierp onlangs Garton Ash voor de voeten dat zijn eigen pleidooi voor een grote prioriteit bij de Midden-Europese landen er mede toe heeft bijgedragen dat vanaf 1989 de Balkan is vergeten.

De enige uitweg na drie Frans-Duitse oorlogen was vrijwillige integratie in een omvattender geheel. Datzelfde geldt voor de Servisch-Kroatische of de Turks-Griekse oorlogen en conflicten. In wezen is de Europese integratie niets anders dan de vorming van één tijdzone, die ook Midden-Europa en op den duur de Balkan zal omvatten. Voorlopig schiet de verbeeldingskracht tekort, want dan spreken we over een Unie met zo'n veertig leden, en één die veel historische conflicten heeft binnengehaald. Maar met hun oorlog op de Balkan hebben de Westeuropeanen zich wel verplicht die puzzel te leggen. Zo zou ordening van buitenaf veranderen in de lotsgemeenschap waar Kadare van droomt.

In 1903 maakte de eerste internationale politiemacht zijn opwachting in Macedonië. Bijna honderd jaar later zijn er zulke politiemachten in Kosovo en Bosnië. De cirkel lijkt rond: een eeuw van bemoeienis heeft vooralsnog weinig positiefs opgeleverd. Maar als de protectoraten Bosnië en Kosovo de springplank worden voor een groots project van democratische verleiding en omarming, dan kan wellicht over twintig jaar het moment aanbreken dat ook deze regio de twintigste eeuw achter zich laat.

Misha Glenny: The Balkans 1804 - 1999. Nationalism, War and the Great Powers. Granta. 726 blz, ƒ99,95

Ismail Kadare: Drie rouwzangen voor Kosovo.

Van Gennep, 111 blz. ƒ24,90

György Konrád: De oorlog in Joegoslavië (en wat erna kan komen). Van Gennep, 95 blz. ƒ19,90

Timothy Garton Ash: Geschiedenis van het heden. Vertaald uit het Engels door Tinke Davids. Atlas, 528 blz. ƒ69,90

David Fromkin: Kosovo Crossing. American ideals meet reality on the Balkan Battlefields.

The Free Press, 210 blz. ƒ54,20