Ontvelde schouders

Ooit las ik in één etmaal De Buddenbrooks van Thomas Mann, in een Nederlandse vertaling. Ik zie me nog zitten knikkebollen, maar het moest, voor het mondelinge examen Duits. Er is mij van de hele roman niets bijgebleven. Mijn beeld ervan is voorgoed bepaald door die ene nachtmerrie: te willen slapen, maar niet te mogen slapen, omdat het boek nog niet uit was.

De eerste roman waarvoor ik vrijwillig opbleef, was Nooit meer slapen van W.F. Hermans. Toen ik er eenmaal in begonnen was, kon ik niet meer ophouden. Met holle ogen staarde ik de nacht in, na het lezen van het slot. Alfred Issendorf, de hoofdpersoon, krijgt van zijn nare moeder manchetknopen cadeau. Ze blijken gemaakt te zijn van meteorietsteen, het materiaal waarnaar hij in de voorafgaande hoofdstukken vergeefs heeft gezocht en waarvoor hij zijn leven op het spel heeft gezet. Ik zal haar nooit kunnen uitleggen waarom ik verdrietig ben, heet het dan machteloos. Ik snapte lang niet meteen alles, maar wel dat `nooit meer slapen' een beeld moest zijn, een beeld van het leven. Een mens moet steeds alert blijven, want een ongeluk zit in een klein hoekje. Hoopvolle verwachtingen, zelfs hele mensenlevens vallen zomaar ten prooi aan toevallige omstandigheden.

Nooit meer slapen is het bloedstollende verslag van een geologische expeditie, die gedoemd is te mislukken. Dat verslag is verschrikkelijk, maar ook mooi, en het werd me pas later duidelijk waar die schoonheid in schuilt. In de quasi-objectieve stijl, maar ook in het vertelperspectief, in de vele laconieke passages, in de sterke dialogen, in de mythologische verwijzingen, in de intrige en in de steeds terugkerende motieven.

Wat mij bij eerste lezing vooral moet hebben getroffen is de ontroering die van de roman uitgaat. Eerder nog dan van een geologische kan je hier spreken van een psychologische zoektocht. Ogenschijnlijk is Alfred Issendorf alleen uit op bewijzen voor een wetenschappelijke hypothese, maar in de praktijk is hij driftig op zoek naar zichzelf. Wie ben ik, wat wil ik en waarom wil ik dat: dat zijn de vragen waarmee hij zich kwelt. Hij komt thuis zonder een enkel bewijs, maar hij weet dan wel dat het hele onderzoek hem is opgedrongen door anderen, zijn moeder vooral. Ook beseft hij dat in het ooit beoogde proefschrift alleen de resultaten tellen en niet de minstens zo wezenlijke mislukkingen die eraan voorafgaan. Gesuggereer wordt dat zijn ambitie wel eens zou kunnen liggen in het schrijverschap. Daarin is, anders dan in een proefschrift, wel ruimte voor een zoekgeraakte reisgenoot, ongedierte, ontvelde schouders, geschaafde knieën en voor de vele andere ontberingen van het leven.

W.F. Hermans, Nooit meer slapen (1966) is verkrijgbaar als uitgave van De Bezige Bij.